Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3105

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7452
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7452 PW

uitspraak van 21 juni 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[verzoekster], te [plaatsnaam],

verzoekster,

gemachtigde: mr. N. Talhaoui,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op de aanvraag van verzoekster om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de advocaatkosten.

Verzoeker heeft het beroep vervolgens ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Het college heeft daarvan gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

In artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, het niet aan een termijn gebonden is.

In het tweede lid is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2. Verzoekster heeft op 14 juli 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op de aanvraag van verzoekster van 30 april 2020 om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de advocaatkosten. De aanvraag is ingediend door de toenmalig gemachtigde van verzoekster, kantoorgenoot van de huidige gemachtigde.

Tussen partijen is niet in geschil dat het college op 26 mei 2020 naar aanleiding van de aanvraag van verzoekster een besluit op schrift heeft gesteld, waarbij bijzondere bijstand is toegekend. Vast staat dat het besluit niet aan de gemachtigde van verzoekster is verzonden.

Verzoekster heeft gesteld dat ondanks het feit dat het besluit vóór het indienen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit al op schrift was gesteld, er sprake is van een situatie waarin het college na het indienen van het beroep aan haar tegemoet gekomen is. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoekster gesteld dat het besluit voorafgaand aan het indienen van het beroep niet alleen niet aan de gemachtigde van verzoekster is gestuurd maar dat ook niet vast staat dat het besluit destijds wel naar verzoekster zelf is verstuurd.

De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat het besluit volgens verzoekster pas juridische betekenis heeft gekregen, nadat het beroep tegen het niet tijdig beslissen is ingesteld, omdat het besluit pas daarna op de juiste wijze bekend is gemaakt.

Aan een inhoudelijke beoordeling van dit betoog komt de rechtbank echter niet toe. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het college heeft gesteld dat hij het besluit in reactie op de ingebrekestelling van 26 juni 2020 op 5 juli 2020 alsnog (digitaal) aan de toenmalige gemachtigde heeft gestuurd. Gemachtigde heeft dat niet betwist. Dat betekent, los van het betoog van verzoekster, dat het college op het moment dat de huidige gemachtigde van verzoekster het beroep tegen het niet tijdig beslissen indiende, in ieder geval niet (meer) in gebreke was om een besluit te nemen. Overigens staat vast dat de bijzondere bijstand op dat moment ook al was uitbetaald aan de toenmalige gemachtigde, overeenkomstig de aanvraag.

In het verlengde daarvan kan niet worden geoordeeld dat thans sprake is van een situatie waarin het beroep is ingetrokken, omdat het college aan verzoekster is tegemoetgekomen.

De rechtbank zal het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van verzoekster om het college in de proceskosten te veroordelen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 21 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.