Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3092

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_10180
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/10180 PW

uitspraak van 18 juni 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 11 december 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 29 oktober 2020 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van zijn aanvraag voor het toekennen van bijzondere bijstand voor woninginrichting voor onder meer een wasmachine, koelkast, magnetron, bed, kledingkast, tafel/stoelen, tv-kast, gordijnen en matras.

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Eiser is schriftelijk gewezen op deze verplichting. Op 23 december 2020 heeft eiser een brief naar de rechtbank gestuurd. Daarin heeft hij verzocht om ontheffing van betaling van het griffierecht omdat zijn netto inkomen dat niet kan permitteren. De rechtbank heeft eiser bij brief van 1 februari 2021 medegedeeld dat voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’ strenge criteria gelden. Eiser is in de brief verzocht om gegevens over zijn inkomen en vermogen in te dienen. Bij brief van 15 maart 2021 heeft de rechtbank het beroep op betalingsonmacht afgewezen omdat hij niet aan het verzoek van de rechtbank heeft voldaan. De rechtbank heeft vervolgens een nieuwe nota aan eiser verzonden.

Bij aangetekende brief van 15 april 2021 is eiser medegedeeld dat op het eerdere verzoek om betaling van het griffierecht geen betaling is ontvangen. Eiser is voorts medegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Eiser is er in deze brief op gewezen dat hij bij niet tijdige betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.

2. De rechtbank constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Derhalve zal de rechtbank de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.

3. Bij deze beslissing is in aanmerking genomen het gestelde in de artikelen 8:41, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, en 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van J.J.P.M. van Gestel, griffier, op 18 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.

Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.

Artikel 8:41, vierde lid, van de Awb luidt als volgt:

De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.

Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb luidt als volgt:

Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.

Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:

Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt als volgt:

Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.