Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3085

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
AWB- 21_975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/975 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres

gemachtigde: mr. B.F.J. Bollen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het college inzake haar bezwaar tegen de e-mail van 11 september 2020.

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Bij brief van 16 juli 2020 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen twee besluiten van het college, inhoudende ambtshalve beschikkingen tot vaststelling van de ernst en spoed van bodemverontreiniging voor de locatie [locatie] te [plaatsnaam]. In dit bezwaarschrift heeft eiseres, zakelijk weergegeven, verzocht stukken toe te sturen met betrekking tot de veroorzaking en de veroorzaker van de verontreiniging, alsmede stukken die betrekking hebben op de vorige eigenaar van het perceel. Daarbij is het volgende vermeld: “Voor wat betreft het verzoek tot verstrekking van de informatie/gegevens wordt dezerzijds een beroep gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur en de daarin gestelde termijnen.”

Het college heeft bij beveiligde e-mail van 11 september 2020 stukken verstrekt aan de gemachtigde van eiseres.

Eiseres heeft bij brief van 6 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen de e-mail van 11 september 2020, wat volgens eiseres een besluit is op haar aanvraag op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij brief van 4 februari 2021 heeft eiseres het college erop gewezen dat nog geen beslissing op bezwaar is genomen, terwijl de beslistermijn is verstreken. Eiseres heeft het college verzocht om (onder andere) binnen veertien dagen een beslissing op bezwaar te nemen en toe te zenden.

Bij brief van 26 februari 2021, ontvangen bij de rechtbank op 1 maart 2021, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het college.

Het college heeft bij brief van 18 maart 2021 een verweerschrift ingediend. Daarin is door het college het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een Wob-besluit en dat ook geen sprake is van overschrijding van een termijn.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

3. Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). Als het bestuursorgaan een bezwaarschriftencommissie heeft ingesteld, is de beslistermijn twaalf weken na de dag waarop de bezwaartermijn verstreken is (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb).

De e-mail waarmee de stukken zijn toegestuurd is van 11 september 2020. Het bezwaarschrift is op 9 oktober 2020 bij het college ontvangen. De rechtbank stelt vast dat eiseres het college op 4 februari 2021 in gebreke heeft gesteld. Op dat moment was de hiervoor genoemde termijn om te beslissen op het bezwaar al ruimschoots verstreken. Nadat het college de ingebrekestelling op 8 februari 2021 heeft ontvangen zijn (meer dan) twee weken verstreken. Niet gebleken is dat het college inmiddels een beslissing op bezwaar heeft genomen. De stelling van het college dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is, omdat de e-mail van 11 september 2020 geen Wob-besluit is, verandert niets aan deze conclusie.

Het beroep is kennelijk gegrond.

4. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

Niet gebleken is dat het college de hoogte van de dwangsom heeft vastgesteld. De rechtbank zal daarom de verbeurte en de hoogte van de dwangsom vaststellen.

De ingebrekestelling is door het college ontvangen op 8 februari 2021. Vanaf de 15e dag na ontvangst van de ingebrekestelling is een dwangsom verschuldigd. Het college heeft nog altijd niet beslist op het bezwaar van eiseres. De dwangsom is volledig volgelopen en bedraagt € 1.442,-.

5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

De rechtbank bepaalt dat het college binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op bezwaar moet nemen en aan eiseres moet bekendmaken.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het college een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 267,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op

bezwaar;

- stelt de door het college verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

- draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak

alsnog een besluit op het bezwaar te nemen en te verzenden;

- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag

waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 267,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 18 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.