Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3082

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5230
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5230 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres

gemachtigde: mr. drs. E.C. Spiering.

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[werkneemster] , te [woonplaats] (werkneemster).

Procesverloop

In het besluit van 1 maart 2019 (primaire besluit) heeft het UWV aan de werkneemster meegedeeld dat de periode waarover zij recht heeft op loon tijdens ziekte wordt verlengd tot

1 maart 2020, omdat eiseres niet alle verplichtingen voor de re-integratie is nagekomen.

In het besluit van 30 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De werkneemster heeft geen toestemming verleend voor kennisneming door eiseres van stukken die medische gegevens bevatten. Bij beslissing van 8 januari 2020 heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat eiseres van nader genoemde stukken geen kennis mag nemen en dat kennisname is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is. Daarom zullen geen medische gegevens van de werkneemster in deze uitspraak worden vermeld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 18 mei 2021. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van eiseres en namens het UWV mr. H.M. van Gent. De werkneemster is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

De werkneemster was sinds 1 oktober 2007 werkzaam bij eiseres als sociaal psychiatrisch verpleegkundige voor 32 uur per week. Op 6 maart 2017 is zij voor die werkzaamheden uitgevallen. Daarna is zij geleidelijk hervat in aangepast eigen werk.

Op 17 december 2018 heeft de werkneemster bij het UWV een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend.

Met het primaire besluit heeft het UWV deze aanvraag uitgesteld. Eiseres is niet alle verplichtingen voor de re-integratie van de werkneemster nagekomen. De periode waarover de werkneemster recht op heeft op loon tijdens ziekte wordt daarom verlengd tot 3 maart 2020, zodat eiseres de tekortkomingen kan herstellen. (loonsanctie)

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Met het bestreden besluit heeft het UWV deze bezwaren ongegrond verklaard.

2. Beroepsgronden

Eiseres heeft aangevoerd dat het primaire besluit tot oplegging van de loonsanctie mogelijk te laat is verzonden. De wachttijd is aangevangen op 6 maart 2017 zodat de loonsanctie voor 4 maart 2019 verzonden had moeten worden. Deze is echter pas op 6 maart 2019 ontvangen, waardoor dat besluit mogelijk te laat is verzonden. Het is aan het UWV om aan te tonen dat dat besluit tijdig is verzonden.

Verder stelt eiseres dat haar pas vanaf 20 november 2018 kenbaar was dat de werkneemster blijvend niet, althans mogelijk niet, voor 10.00 uur kon starten met haar werkzaamheden. Eerst op dat moment werd duidelijk dat een aanvangstijd voor 10.00 uur een beletsel zou zijn bij verdere opbouw van uren. De resterende tijd tot de WIA-aanvraag van 11 december 2018 was vervolgens te kort om in redelijkheid van eiseres te verlangen spoor 2 op te starten.

3. Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4. Oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het UWV op goede gronden aan eiseres een loonsanctie heeft opgelegd vanwege het niet nakomen van alle re-integratieverplichtingen ten aanzien van de werkneemster. Het tijdvak waarover de re-integratie-inspanningen moeten worden beoordeeld begint op de eerste ziektedag en loopt tot aan de dag van indiening van de WIA-aanvraag1. In dit geval is dat van 6 maart 2017 tot 17 december 2018.

Loonsanctie te laat afgegeven?

Uit de wettelijke bepalingen en de toelichting daarop kan worden afgeleid dat het UWV de beschikking over het toepassen van de loonsanctie uiterlijk zes weken vóór de afloop van de wachttijd afgeeft. Deze regel geldt als de werknemer de WIA-uitkering tijdig heeft aangevraagd, dat wil zeggen uiterlijk elf weken voor het einde van de wachttijd. Als de werknemer de WIA-uitkering te laat heeft aangevraagd, wordt de loonbetalingsperiode verlengd. In deze situatie wordt de loonsanctiebeschikking uiterlijk zes weken voor afloop van de op grond van deze artikelen verlengde loonbetalingsperiode gegeven. Als het UWV de beslissing over de loonsanctie te laat afgeeft, zijn er twee mogelijkheden:

  1. Als de beslissing over de toepassing van de loonsanctie niet vóór het einde van de (verlengde) wachttijd wordt afgegeven, kan geen loonsanctie meer worden opgelegd.

  2. Als de beslissing over de toepassing van de loonsanctie te laat, maar nog vóór het einde van de (verlengde) wachttijd wordt afgegeven, kan de loonsanctie worden bekort met de periode dat de loonsanctie te laat is afgegeven.

De werkneemster is op 6 maart 2017 uitgevallen. De laatste dag van de wachttijd is dus zondag 3 maart 2019.

De werkneemster moest haar WIA-aanvraag uiterlijk 11 weken voor afloop van de wachttijd indienen. De laatste dag van deze 11 weken termijn is dus zaterdag 15 december 2018. Gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Algemene termijnenwet en het feit dat het UWV in de weekenden gesloten is, was dus vrijdag 14 december 2018 feitelijk de laatste dag waarop de werkneemster de aanvraag kon indienen. Werkneemster heeft de aanvraag echter pas op maandag 17 december 2018 ingediend. Dat is twee dagen te laat, waardoor de wachttijd is verlengd met twee dagen. De laatste dag van de verlengde wachttijd is dus dinsdag 5 maart 2019.

Eiseres heeft gesteld dat zij het besluit over de loonsanctie op woensdag 6 maart 2019 via de post heeft ontvangen. Dit betekent dat het besluit, gelet op de termijn van postbezorging, uiterlijk op dinsdag 5 maart 2019 moet zijn genomen en verzonden. Dit is op de laatste dag van de verlengde wachttijd, zodat het UWV aan eiseres nog een loonsanctie kon opleggen.

Re-integratie-inspanningen/spoor 2

Het UWV heeft de loonsanctie gebaseerd op de conclusies van verzekeringsarts De Boer van 19 februari 2019, van arbeidsdeskundige De Waal van 26 februari 2019 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) Kalthof van 15 augustus 2019.

De verzekeringsarts concludeert onder meer dat de werkneemster is aangewezen op werk waarbij zij niet voor 10.00 uur ’s ochtends hoeft te starten. Onder andere deze beperking heeft de verzekeringsarts vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 19 februari 2019.

De arbeidsdeskundige komt in zijn rapportage tot de conclusie dat het re-integratieresultaat onvoldoende is omdat de werkneemster weliswaar voor 26 uur per week is hervat in eigen aangepast werk, maar eiseres heeft aangegeven dat die plaatsing niet structureel is. Volgens de arbeidsdeskundige is door eiseres niet tijdig onderkend dat hervatting in spoor 1 twijfelachtig was. Zodra bij de eerstejaars evaluatie structurele hervatting in het 1e spoor twijfelachtig wordt of nog onvoldoende resultaten zijn behaald, mag van de werkgever worden verwacht dat hij zich (mede) oriënteert op de re-integratiemogelijkheden in het

2e spoor. Die activiteiten in spoor 2 kunnen alleen uitblijven als er binnen 3 maanden na de eerstejaars evaluatie concreet perspectief bestaat op structurele hervatting in het eigen bedrijf. Dat is hier niet het geval. Er is weliswaar een opbouw in eigen aangepast werk van minimaal 65% maar vanwege bedrijfsorganisatorische redenen kan er geen sprake zijn van een structurele werkhervatting nu de werkneemster pas na 10.00 uur kan starten. Dat de werkneemster niet structureel voor 10.00 uur kan starten had eiseres veel eerder moeten onderkennen en daarop veel eerder moeten anticiperen. In het terugkoppelingsverslag van de bedrijfsarts van 20 februari 2018 wordt al het advies gegeven om te starten vanaf 10.00 uur. Dit wordt in verdere terugkoppelingsverslagen gehandhaafd. Volgens de arbeidsdeskundige zijn de inspanningen van eiseres onvoldoende geweest en heeft zij daarvoor geen deugdelijke grond. Als er dan nog onvoldoende resultaten zijn behaald in spoor 1 dient spoor 2 te worden ingezet. Nu er tekortkomingen zijn in de re-integratieverplichtingen wordt de loondoorbetalingsverplichting van eiseres verlengd met maximaal 52 weken. Eiseres kan de tekortkomingen herstellen door een adequaat spoor 2 traject op te zetten en spoor 1 te continueren.

Ook de arbeidsdeskundige b&b concludeert dat er op de beoordelingsdatum geen bevredigend re-integratieresultaat is overeenkomstig de resterende arbeidsmogelijkheden van de werkneemster. De werkneemster is namelijk niet structureel herplaatst in passende arbeid bij eiseres. De arbeidsdeskundige b&b stelt dat er al ten tijde van de eerstejaarsevaluatie op 25 januari 2018 geen concreet perspectief was op structurele hervatting van de werkneemster in passende arbeid met een aangepaste aanvangstijd na 10.00 uur. Volgens de arbeidsdeskundige b&b had uiterlijk 6 weken na 25 januari 2018, uiterlijk 8 februari 2018, spoor 2 gestart moeten worden naast spoor 1. Nu eiseres dat heeft nagelaten zijn de re-integratie-inspanningen onvoldoende. De arbeidsdeskundige b&b stelt dat er bovendien blijkens het re-integratieverslag in juli 2018 stagnatie is opgetreden in de opbouw van de hervatting van de werkneemster in eigen werk met aanpassingen. Ook deze in juli 2018 opgetreden stagnatie had volgens de arbeidsdeskundige b&b voor eiseres aanleiding moeten zijn om haar re-integratieactiviteiten op spoor 1 en daarnaast naar spoor 2 uit te breiden. Daarmee zijn onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht en re-integratiekansen gemist. Hiervoor heeft eiseres geen deugdelijke grond.

De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. Alhoewel de werkneemster werkzaam is in arbeid met een loonwaarde van tenminste 65% van het loon vóór ziekte, heeft die arbeid geen structureel karakter. Eiseres heeft namelijk aangegeven dat zij de werkneemster, vanwege verschillende organisatorische bedrijfsredenen, niet structureel pas vanaf 10.00 uur kan laten beginnen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de combinatie van de eerstejaarsevaluatie van 25 januari 2018 met de terugkoppelingsverslagen van de bedrijfsarts, en dan vooral die van 27 september 2018, voldoende grondslag vormen voor het standpunt van het UWV dat eiseres eerder spoor 2 had moeten opstarten. Op grond van deze stukken is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat de werkneemster mogelijkerwijs aangewezen zou blijven op een aanvangstijd na 10.00 uur – in welk geval het aangepaste eigen werk niet structureel kon worden aangeboden – en dat de opbouw in haar werkhervatting stagneerde, waardoor volledig herstel in de eigen functie twijfelachtig werd. Bovendien was er ten tijde van de eerstejaars evaluatie nog geen concreet perspectief op (structurele) hervatting van het eigen werk. Dit had naar het oordeel van de rechtbank voor eiseres aanleiding moeten vormen om eerder met spoor 2 te starten. Tot aan de WIA-aanvraag had eiseres daarvoor voldoende tijd.

Eiseres heeft ter zitting gesteld dat er in januari 2018 nog geen organisatorisch beletsel was dat de werkneemster pas na 10.00 uur haar werkzaamheden startte, omdat een uitzendkracht die werkzaamheden voor 10.00 uur kon opvangen. Deze uitzendkracht is in juli 2018 weggegaan waarna wel een probleem ontstond. Daarnaast blijkt uit het terugkoppelings-verslag van de bedrijfsarts van 20 februari 2018 alleen dat ‘zeker de eerstkomende

3 maanden’ niet voor 10.00 uur gestart kon worden met werken. Toen was er volgens eiseres dus nog geen duurzaam beletsel voor hervatting in eigen werk. Dat bleek pas uit het terugkoppelingsverslag van de bedrijfsarts van 20 november 2018.

Deze stelling van eiseres volgt de rechtbank niet. Op basis van het terugkoppelingsverslag van 20 februari 2018 en de daarop volgende verslagen had eiseres er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee kunnen en moeten houden dat de werkneemster aangewezen zou blijven op een aanvangstijd na 10.00 uur. Dat een uitzendkracht de werkneemster tot juli 2018 voor 10.00 uur verving maakt dit niet anders. Dit bevestigt juist dat een structurele aanvangstijd van de werkneemster na 10.00 uur organisatorisch niet mogelijk was en dat had voor eiseres aanleiding moeten zijn daarop tijdig te acteren door spoor 2 te starten.

Door dat na te laten heeft eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht waarvoor zij geen deugdelijke grond heeft. Het besluit van het UWV tot oplegging van een loonsanctie aan eiseres houdt naar het oordeel van de rechtbank dan ook stand.

5. Conclusie

Het beroep is daarom ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 18 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: wettelijk kader

ALGEMENE TERMIJNENWET

Artikel 1

  1. Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

  2. Het vorige lid geldt niet voor termijnen, bepaald door terugrekening vanaf een tijdstip of een gebeurtenis.

WET WERK EN INKOMEN NAAR ARBEIDSVERMOGEN (WIA)

Artikel 25

1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de reïntegratie van de verzekerde.

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. Indien op het moment van verlenging van het tijdvak, bedoeld in de eerste zin, recht bestaat op verlof op grond van artikel 3:1, van de Wet arbeid en zorg, vangt het verlengde tijdvak aan met ingang van de dag waarop dat verlof eindigt. Indien tijdens het verlengde tijdvak, bedoeld in de eerste zin, recht ontstaat op verlof als bedoeld in de derde zin, wordt het tijdvak onderbroken voor de duur van dat verlof.

10. Het UWV geeft de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid uiterlijk zes weken voor de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23, of indien toepassing is gegeven aan artikel 24 voor de afloop van het verlengde tijdvak, indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, tijdig is gedaan. Indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, niet tijdig is gedaan, wordt de in de vorige zin bedoelde beschikking uiterlijk zes weken voor de afloop van het tijdvak, bedoeld in artikel 629 lid 11, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gegeven dan wel van het tijdvak, bedoeld in artikel 76a, zesde lid, onderdeel a, van de Ziektewet.

11. Verlenging van het tijdvak als bedoeld in het negende lid vindt niet plaats indien het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid niet geeft voor de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23, of indien toepassing is gegeven aan artikel 24 van deze wet dan wel aan het artikel 629 lid 11, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of artikel 76a, zesde lid, onderdeel a, van de Ziektewet, voor afloop van het verlengde tijdvak.

Artikel 64

1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van artikel 47 of artikel 54 ontstaat.

2. Het UWV stelt de verzekerde van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis uiterlijk op de dag waarop de wachttijd 89 weken heeft geduurd. Indien artikel 24, derde lid, van toepassing is doet het UWV deze kennisgeving bij de bekendmaking van de in dat artikellid bedoelde beschikking. Het UWV verstrekt aan de werkgever een afschrift van de kennisgeving bedoeld in de eerste en tweede zin.

3. De verzekerde doet zijn aanvraag uiterlijk elf weken voor afloop van de wachttijd of indien toepassing is gegeven aan artikel 24, derde lid, elf weken voor afloop van het in dat lid bedoelde verlengde tijdvak.

7. Indien het UWV toepassing geeft aan artikel 25, negende lid, of artikel 26, tweede lid, tweede zin, wordt de behandeling van de aanvraag opgeschort.

Artikel 65

De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voorzover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.

BURGERLIJK WETBOEK BOEK 7

Artikel 629

1. Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.

11. Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in lid 1, wordt verlengd:

a. met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven;

Artikel 658a

1. De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever, tenzij de werknemer de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.

BELEIDSREGELS BEOORDELINGSKADER POORTWACHTER

Artikel 1

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de beoordeling van de door werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, het beoordelingskader zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.

Bijlage

Hierin is onder meer bepaald dat bij de UWV-beoordeling van de geleverde re-integratie-inspanningen sprake is van een bevredigend resultaat wanneer gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. De betreffende hervatting moet een structureel karakter hebben, dat wil zeggen: het moet aannemelijk zijn dat de werknemer ook na afloop van de verplichte loondoorbetalingsperiode in deze arbeid kan blijven werken. Uiteraard dienen werkgever en werknemer al het mogelijke te doen om te komen tot een werkhervatting die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden. Het is mogelijk dat ondanks daartoe ondernomen inspanningen een dergelijk resultaat niet haalbaar is. Bij de UWV-beoordeling is in die situatie dan ook sprake van een bevredigend resultaat wanneer betrokkene tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingsperiode is ingeschakeld in arbeid met een loonwaarde van tenminste 65% van het loon vóór de ziekte. Vanzelfsprekend geldt ook hier dat de hervatting een structureel karakter moet hebben.

Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van dit beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft.

Aan het eind van het eerste ziektejaar is een speciaal evaluatiemoment ingebouwd, de eerstejaarsevaluatie (opschudmoment). Doel daarvan is dat werkgever en werknemer terug blikken op de re-integratie-activiteiten in het eerste ziektejaar en expliciet de vraag onder ogen zien of de re-integratie nog op de goede koers zit. Met name tijdens deze eerstejaarsevaluatie kunnen basale keuzes worden gemaakt, bijvoorbeeld wat betreft re-integratie-inspanningen in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. Mocht bijvoorbeeld blijken dat de re-integratie in het eigen bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd, dan mag worden verwacht dat werkgever en werknemer dan – naast de wellicht nog lopende activiteiten voor re-integratie in het eigen bedrijf – tevens voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere werkgever. Re-integratie-activiteiten met het oog op werk bij een andere werkgever kunnen slechts achterwege blijven als er nog concreet perspectief bestaat op hervatting in het eigen bedrijf.

1 zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 5 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:780) en van 5 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2235)