Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:307

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
15-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7222
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7222 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser

gemachtigde: mr. I.P.M.J. Nelemans,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 maart 2020 (primair besluit) heeft het college aan eiser een boete opgelegd van € 934,87 in verband met schending van de op hem rustende inlichtingenplicht uit de Participatiewet.

In het besluit van 12 mei 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 17 december 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn (waarnemend) gemachtigde mr. P.J. van der Meulen, en [aanwezige college] namens het college.

Overwegingen

1. Intrekking uitkering en intrekking en terugvordering bijzondere bijstand.

In een besluit van 21 oktober 2019 heeft het college de aan eiser toegekende bijzondere bijstand voor woninginrichting op grond van de Participatiewet ingetrokken, en een bedrag van € 1.246,50 teruggevorderd. In een besluit van 22 oktober 2019 heeft het college het recht van eiser op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ingetrokken met ingang van 10 oktober 2019 omdat eiser niet zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. In een besluit van 30 januari 2020 zijn de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 21 en 22 oktober 2019 ongegrond verklaard. Het beroep (zaaknummer BRE 20/5258) tegen het besluit van 30 januari 2020 is tijdens dezelfde zitting behandeld als dit beroep over de opgelegde boete. In de uitspraak van heden is dat beroep ongegrond verklaard.

2. Het boetebesluit

Bij brief van 10 februari 2020 heeft het college eiser medegedeeld voornemens te zijn aan hem boetes van € 150,- (woon- en leefsituatie) en € 1.869,75 (bijzondere bijstand) op te leggen in verband met schending van de inlichtingenplicht. Eiser heeft in een gesprek op 6 maart 2020 zijn zienswijze daarover naar voren gebracht.

In het primaire besluit van 16 maart 2020 heeft het college eiser een boete opgelegd van € 934,87 wegens schending van de inlichtingenplicht. Het college heeft de maximale hoogte van de boete vastgesteld op 150% van het benadelingsbedrag inzake de bijzondere bijstand (€ 1.246,50), omdat aan eiser eerder ook al een boete is opgelegd (recidive). Vervolgens is uitgegaan van een normale verwijtbaarheid van eiser, en daarom is de boete bepaald op 50% van het maximale boetebedrag van € 1.869,75. Voor de schending van de inlichtingenplicht ten aanzien van de woon- en leefsituatie wordt een boete opgelegd van € 40,-, maar deze wordt niet geëffectueerd.

3. Geschil

In geschil is of het college op goede gronden aan eiser een boete heeft opgelegd van € 934,87 vanwege schending van de inlichtingenplicht met betrekking tot bijzondere bijstand.

4. Standpunt eiser

Eiser voert aan dat de bijzondere bijstand ten onrechte is teruggevorderd en verwijst naar het daartegen ingediende bezwaar en beroep. De daarop gevolgde boete is eveneens ten onrechte opgelegd. Ook is de boete te hoog en niet afgestemd op eisers persoonlijke omstandigheden.

5. Standpunt het college

Het college stelt zich op het standpunt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat daardoor een benadelingsbedrag is ontstaan. De boete is terecht opgelegd en de hoogte is juist berekend. Er is geen aanleiding om de boete te matigen, omdat eiser zijn persoonlijke (medische) omstandigheden niet met verifieerbare stukken heeft onderbouwd.

6. Wettelijk kader

Het college legt een bestuurlijke boete op als een belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden.1 De daarvoor geldende regels zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Kort gezegd, komen deze regels op het volgende neer.

Bewijslast

In het geval van eiser heeft de schending van de inlichtingenplicht geleid tot intrekking van de uitkering en intrekking en terugvordering van de bijzondere bijstand, en het opleggen van een boete. De bewijslast voor het college bij het opleggen van de boete is echter zwaarder dan die bij de intrekking van de uitkering en de bijzondere bijstand. Dit komt omdat het bij de boete gaat om een punitieve sanctie (bestraffend) en bij de intrekking van de uitkering om een reparatoire sanctie (herstellend).

Hoogte boete

Het uitgangspunt is dat de hoogte van de boete gelijk is aan het bedrag dat de belanghebbende ten onrechte aan bijstand ontving. Dit wordt het benadelingsbedrag genoemd. Als eerder een boete is opgelegd vanwege schending van de inlichtingenplicht dan leidt dit tot verhoging van het maximale bedrag aan boete ter hoogte van 150% van het benadelingsbedrag.2 Het college moet echter ook rekening houden met de verwijtbaarheid en de financiële omstandigheden van de belanghebbende.

Verwijtbaarheid

Het college moet bepalen of er sprake is van opzet, grove schuld, normale verwijtbaarheid of verminderde verwijtbaarheid. Het college mag in principe uitgaan van normale verwijtbaarheid. Bij de vraag of er sprake is van opzet of grove schuld ligt de bewijslast bij het college. Bij de vraag of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid ligt de bewijslast bij de belanghebbende. De verwijtbaarheid is van invloed op de hoogte van de boete.3

Financiële omstandigheden

De belanghebbende moet de boete binnen een redelijke termijn kunnen terugbetalen. De mate van verwijtbaarheid is van invloed op die terugbetalingstermijn.4 Het college moet daarbij ook rekening houden met de draagkracht van de belanghebbende.

7. Oordeel van de rechtbank

7.1.

In het beroep met zaaknummer BRE 20/5258 is geoordeeld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden ten aanzien van zijn woon- en verblijfplaats en de besteding van de bijzondere bijstand.

7.2.

In het gesprek van 6 maart 2020 over het voornemen tot oplegging van de boete heeft eiser over zijn woon- en leefsituatie benoemd dat het goed is dat hij een eigen woning heeft, zodat hij zich kan terugtrekken op het moment dat de verzorging van de kinderen hem te veel wordt. Over de bijzondere bijstand heeft eiser verklaard dat hij niet wil dat zijn kinderen iets te kort komen en dat hij de aan hem toegekende bijzondere bijstand heeft besteed om de woning van [naam moeder] (de moeder van zijn kinderen) in te richten. Het college mocht uitgaan van deze (aanvullende) verklaring van eiser, waarin hij heeft bevestigd dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden.

7.3.

Ook bij de bespreking van dit beroep ter zitting heeft eiser toegegeven dat hij het ontvangen bedrag aan bijzondere bijstand aan [naam moeder] heeft gegeven en niet heeft gebruikt voor inrichting van zijn woning. Van de schending van de inlichtingenplicht kan eiser dan ook een verwijt worden gemaakt.

7.4.

Gelet hierop is het college in beginsel gehouden om een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag. Eiser heeft niet betwist dat in dit geval sprake is van recidive. Dit leidt tot een verhoging van het maximale boetebedrag ter hoogte van 150% van het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag betreffende de woon- en leefsituatie is in dit geval nihil. Het benadelingsbedrag betreffende de bijzondere bijstand betreft € 1.246,50. De maximale boete is dan (150% van € 1.246,50 =) € 1.869,75.

7.5.

Het college heeft een normale verwijtbaarheid aangenomen, waarbij een boete van 50% van het benadelingsbedrag passend is. In dit geval is dat (50% van € 1.869,75 =) € 934,87.

7.6.

Eisers stelling dat de boete te hoog is vastgesteld en dat geen rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, is niet toegelicht noch (met objectieve stukken) onderbouwd. De enkele stelling dat hiervan sprake is, is onvoldoende en geeft geen aanleiding tot matiging van de boete.

7.7.

Het college heeft op goede gronden een boete opgelegd van € 934,87.

7.8.

Nu de boete door het college op een juist bedrag is vastgesteld en de rechtbank dus niet zelf de boete hoeft vast te stellen, komt de rechtbank niet toe aan de door eiser genoemde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525.

8. Conclusie

De rechtbank concludeert dat de door het college vastgestelde boete van € 934,87 passend en geboden is. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 28 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht:

1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet:

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. […]

Artikel 6:1:1 van het Verzamelbesluit Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz (spontane inlichtingenplicht):

De spontane inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, [….] moet onverwijld worden nagekomen. Onder ‘onverwijld’ wordt verstaan het melden op het eerstvolgende rechtmatigheidsonderzoeksformulier dan wel het melden binnen vijf werkdagen op het mutatieformulier nadat het feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan, dan wel het feit kenbaar werd of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn voor belanghebbende.

Artikel 18a van de Participatiewet (voor zover hier van belang):

1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, […]. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, […] niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld […] en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht [€ 8.300,- per 1 januari 2018].

2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, […] ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, [..], niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

5. Het college legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, […], als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.

7. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

De in artikel 18a, tiende lid, van de Participatiewet bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

Artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (voor zover hier van belang):

1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.

4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.

5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.

8. De percentages, genoemd in het tweede tot en met zesde lid, en de factoren, genoemd in het zevende lid, onderdelen a en b, worden zo nodig verlaagd voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete

10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.

Artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten:

1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:

a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;

d. de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of

e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

1 Artikel 18a van de Participatiewet.

2 Artikel 18a, vijfde lid, van de Participatiewet

3 Daarbij wordt gebruik gemaakt van verschillende percentages voor opzet (100% van het benadelingsbedrag), grove schuld (75%), normale verwijtbaarheid (50%) en verminderde verwijtbaarheid (25%).

4 Daarbij wordt gebruik gemaakt van verschillende terugbetalingstermijnen voor opzet (24 maanden), grove schuld (18 maanden), normale verwijtbaarheid (12 maanden) en verminderde verwijtbaarheid (6 maanden)