Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3068

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
02-088695-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken voor het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs en softdrugs. Verdachte wordt veroordeeld wegens telen hennep en diefstal stroom tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uur. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van vijftien maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/088695-20

vonnis van de meervoudige kamer van 21 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats]

wonende te [adres] ,

bijgestaan door raadsman mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juni 2021, waarbij de officier van justitie, mr. G. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 maart 2018 in Bergen op Zoom zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan

feit 1: het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs,

feit 2: het hebben van een hennepkwekerij en een hoeveelheid softdrugs,

feit 3: diefstal met braak van elektriciteit van [naam] .

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte die verdachte bij de politie en op zitting heeft afgelegd. Volgens de officier van justitie is de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat er harddrugs in zijn woning aanwezig waren geloofwaardig. Gelet daarop heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak voor feit 1.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte van feit 1 vrij te spreken en zich ten aanzien van feit 2 en feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht, net als de officier van justitie en de verdediging, feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank kan op basis van dit dossier, mede gelet op de stellige ontkenning van verdachte, niet uitsluiten dat mogelijk andere betrokkenen verantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van de harddrugs in de woning van verdachte. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

4.3.2

De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 en feit 3

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.
op 9 maart 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 298 hennepplanten, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3
3.
op 9 maart 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid elektriciteit dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan [naam] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de eis van de officier van justitie te volgen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen in zijn woning opzettelijk aanwezig hebben van een hennepkwekerij en diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij. Verdachte is met de hennepkwekerij begonnen met de bedoeling om geld te verdienen. Het is algemeen bekend dat de handel in drugs allerlei andere criminaliteit in de hand werkt, hetgeen ook in deze zaak is gebleken. Immers, in de woning van verdachte is een zeer grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen. Drugscriminaliteit heeft een ontwrichtende werking op de maatschappij. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van verdovende middelen verslavend werkt en schadelijk kan zijn voor de gezondheid van gebruikers. Verdachte heeft zich om deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit eigen gewin, omdat hij in financieel zwaar weer verkeerde. Dat verdachte ervoor heeft gekozen om dat op een strafbare wijze proberen op te lossen, rekent de rechtbank hem aan.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het gegeven dat de hennepkwekerij aan het licht is gekomen, doordat verdachte dit zelf, eerst via een anonieme tip en daarna op het politiebureau, heeft gemeld bij de politie. Verdachte heeft zowel bij de politie als op zitting verklaard over de hennepkwekerij en de betrokkenen daarbij.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de over verdachte opgestelde rapportage door Reclassering Nederland d.d. 2 juni 2021. Uit het rapport komt naar voren dat het leven van verdachte een volledig andere wending heeft genomen. Volgens de reclassering is de kans op recidive gedaald naar laag-gemiddeld door positieve ontwikkelingen die de afgelopen drie jaren op elk leefgebied plaatsvonden. Gelet op deze positieve ontwikkelingen acht de reclassering een reclasseringstoezicht of interventie niet geïndiceerd, mede omdat verdachte gebruik kan maken van de ambulante begeleiding van Samen Sterk, indien nodig.

Verdachte heeft nu een vaste baan en daarmee een stabiele inkomstenbron, een woning en een relatie met wie hij binnen korte tijd een baby verwacht. De rechtbank hoopt dat deze beschermende factoren een bestendigende werking op deze positieve wending in het leven van verdachte zullen hebben. De rechtbank stelt ook vast dat uit zijn strafblad volgt dat verdachte sinds het aantreffen van de hennepkwekerij op 9 maart 2018 geen nieuwe contacten met politie en justitie heeft gehad.

De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd te begrijpen en een passende straf. De rechtbank heeft echter bij de bepaling van de duur van de straf, meer dan de officier van justitie, in grote mate rekening gehouden met het enorme tijdsverloop. In deze zaak is sprake van een overschrijving van de redelijke termijn van vijftien maanden. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdediging. De rechtbank zal dit tot uitdrukking brengen in de op te leggen straf door deze geheel voorwaardelijk aan verdachte op te leggen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur passend en geboden is.

7 Het beslag

7.1

De teruggave aan verdachte

De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan verdachte kan worden teruggegeven, omdat verdachte geen geld heeft verdiend met de hennepkwekerij. Ook de raadsman heeft verzocht het geld aan verdachte terug te geven.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen geld aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart de tenlastegelegde feiten 2 en 3 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: Medeplegen van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging ten aanzien van feit 2 en feit 3

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal € 940,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. M.A.E. Dekker en mr. M. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 juni 2021.

Bijlage I

De tenlastelegging

1.
hij op of omstreeks 9 maart 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 2956,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of
- ongeveer 1646,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- ongeveer 95 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of amfetamine en/of cocaïne,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(Artikel art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 10 lid 4 Opiumwet)
2.
hij op of omstreeks 9 maart 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 298 hennepplanten en/of 628,9 gram hennep en/of hasjiesh, (telkens) zijnde hennep en/of hasjiesh, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(Artikel art 11 lid 5 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

3
hij op of omstreeks 9 maart 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht).

Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en door de verdediging is geen vrijspraak bepleit. Daarom kan op grond van de wet worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal van de politie Zeeland-West-Brabant, district De Markiezaten, basisteam Bergen op Zoom, met registratienummer PL2000-2019136352, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 327.

Gebezigde bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 7 juni 2021, in onderling verband en samenhang bezien met de bij de politie afgelegde verklaring op 10 maart 2018 en 11 maart 2018;

- het proces-verbaal van bevindingen, pagina 103 en 104;

- het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij op pagina 108 t/m 114.