Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:305

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
15-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5258
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5258 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. I.P.M.J. Nelemans,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 21 oktober 2019 (primair besluit I) heeft het college de aan eiser toegekende bijzondere bijstand voor woninginrichting op grond van de Participatiewet ingetrokken, en een bedrag van € 1.246,50 teruggevorderd.

In het besluit van 22 oktober 2019 (primair besluit II) heeft het college het recht van eiser op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ingetrokken met ingang van 10 oktober 2019.

In het besluit van 30 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 17 december 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn (waarnemend) gemachtigde mr. P.J. van der Meulen, en [aanwezige college] namens het college.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 24 juni 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande en hij huurt een woning aan de [adres] te [plaatsnaam] . Hij is sinds 5 april 2016 gehuwd met mevrouw [echtgenote] en zij hebben samen vier kinderen. Eiser en [echtgenote] wonen gescheiden van elkaar en de kinderen wonen bij [echtgenote] (die net als eiser een bijstandsuitkering ontvangt). Naar aanleiding van een melding vanuit Werk en Inkomen dat eiser inkomsten heeft uit arbeid, is het college eind september 2019 een onderzoek gestart naar eisers financiële situatie. In dat kader heeft een administratief onderzoek plaatsgevonden. Daarnaast is het college opgevallen dat eiser en [echtgenote] afzonderlijk bijzondere bijstand toegekend hebben gekregen voor woninginrichting en dat zij hetzelfde bewijsstuk hebben ingeleverd, namelijk een op dezelfde manier bekraste bon. Vervolgens hebben waarnemingen plaatsgevonden, gericht op het aantal uren dat eiser werkzaamheden verricht en waar hij zijn verblijf heeft. Daaruit is het vermoeden gerezen dat eiser zijn hoofdverblijf heeft bij [echtgenote] en niet op het door hem opgegeven adres. Op 10 oktober 2019 zijn onaangekondigde huisbezoeken afgelegd bij [echtgenote] en bij eiser. De resultaten van het onderzoek zijn in een rapport weergegeven.

2. In geschil is of het college op goede gronden eisers recht op bijstand heeft ingetrokken per 10 oktober 2019, en de aan eiser toegekende bijzondere bijstand heeft ingetrokken en het uitbetaalde bedrag heeft teruggevorderd, beide vanwege schending van de inlichtingenplicht.

Wettelijk kader

3. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage achter deze uitspraak.

Intrekken recht op bijstand

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 10 oktober 2019 (datum intrekking) tot 22 oktober 2019 (datum intrekkingsbesluit).

4.2.

Eiser voert aan dat hij zijn hoofdverblijf heeft aan de [adres] , geen relatie meer heeft met [echtgenote] en gescheiden van haar leeft. Het huisbezoek in de woning van [echtgenote] is onrechtmatig, omdat de aanleiding voor het onderzoek (een aanvraag bijzondere bijstand) onvoldoende is om aan te nemen dat een gegrond vermoeden voor uitkeringsfraude bestaat. Het huisbezoek is onrechtmatig verlopen. De resultaten van dit huisbezoek moeten daarom buiten beschouwing blijven. Dat zijn auto gezien is in de straat van [echtgenote] is verklaarbaar omdat hij dan een vriend bezoekt die naast [echtgenote] woont of omdat hij zijn kinderen bij [echtgenote] ziet.

4.3.

Het college stelt zich op het standpunt dat eiser niet woonachtig is aan de [adres] , maar bij [echtgenote] . Er waren gegronde redenen voor de waarnemingen en huisbezoeken, omdat het college redelijkerwijs mocht twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens over eisers woon- en leefsituatie. De bij de huisbezoeken verkregen verklaringen en bevindingen zijn niet onrechtmatig verkregen en kunnen niet buiten beschouwing blijven.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat de melding dat eiser inkomsten heeft en dat hij en [echtgenote] dezelfde aankoopbon hebben overgelegd (ten bewijze van besteding van de bijzondere bijstand) aanleiding hebben gegeven voor het rechtmatigheidsonderzoek. Daarop hebben waarnemingen plaatsgevonden. Bij deze waarnemingen is onder andere gebleken dat eiser op 9 oktober 2019 om 0.26 uur in zijn auto vertrokken is van het adres [werkadres] te [plaatsnaam] (werkadres eiser) en rechtstreeks naar de [adres echtgenote] te [plaatsnaam echtgenote] (woning van [echtgenote] ) is gereden. Daar heeft hij met een sleutel de deur geopend en is naar binnen gegaan. Op diezelfde ochtend om 7.09 uur stond de auto van eiser nog steeds geparkeerd in de omgeving van de woning van [echtgenote] . Namens het college is ter zitting verklaard dat in dit geval gekozen is voor een huisbezoek en niet voor een gesprek, om te voorkomen dat na aankondiging van een gesprek aanpassingen in de woningen worden gedaan. Daarnaast kiest het college liever niet voor een buurtonderzoek, omdat daarbij de omgeving bekend wordt met de aanwezigheid van sociale recherche. Deze gegevens, in samenhang bezien, geven naar het oordeel van de rechtbank een redelijke grond voor de huisbezoeken bij [echtgenote] en eiser.1 Daarnaast is bij beide huisbezoeken sprake van informed consent en dus een rechtmatig huisbezoek. Het college mag daarom de bevindingen van dit onderzoek betrekken bij de beoordeling van de woon- en leefsituatie van eiser en zijn recht op een bijstandsuitkering.

4.5.

Bij het huisbezoek op het door eiser opgegeven woonadres is gebleken dat eiser de op de mat liggende post moest wegvegen voordat hij de voordeur kon openen. De inrichting van de woning is zeer beperkt, omdat een kooktoestel, koelkast en wasmachine ontbreken. Voor de aanwezige post en medicijnen op naam van anderen heeft eiser geen verklaring. Daarnaast heeft eiser tijdens het huisbezoek bij [echtgenote] verklaard dat hij daar woont en af en toe op zijn opgegeven woonadres gaat slapen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser niet woont op het door hem opgegeven adres.

4.6.

Het voorgaande betekent dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn feitelijke woonsituatie in overeenstemming is met het door hem opgegeven woonadres. Hij heeft de inlichtingenplicht geschonden. Het college heeft daarom op goede gronden het recht van eiser op een bijstandsuitkering ingetrokken per 10 oktober 2019 (de datum van het huisbezoek).

Bijzondere bijstand

5.1.

Niet in geschil is dat aan eiser bijzondere bijstand is toegekend voor woninginrichting en dat aan hem een eerste bedrag is uitgekeerd van € 1.246,50. Het restant van de toekenning wordt uitgekeerd als eiser met aankoopbewijzen aantoont dat hij het eerste deel aan woninginrichting heeft besteed. Uit de ingediende bewijsstukken blijkt dat vinyl, nachtkastjes, stapelbedden, matrassen en linnengoed zijn gekocht. Bij bestreden besluit I is de bijzondere bijstand ingetrokken en is het uitbetaalde bedrag teruggevorderd, omdat het bedrag aan bijzondere bijstand is gebruikt voor inrichting van de woning van [echtgenote] of voor andere zaken. Volgens het college heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden door de besteding van het bedrag niet met bewijsstukken aan te tonen.

5.2.

Eiser voert aan dat hij alle juiste bonnen heeft ingeleverd en daarmee heeft aangetoond dat hij de verkregen bijzondere bijstand aan woninginrichting heeft besteed. Ten onrechte is hij niet uitgenodigd voor een gesprek om uitleg te geven over de bewijsstukken. Hij heeft op verzoek van de begeleider van [echtgenote] getolkt toen zij inboedel moest kopen. Op dat moment heeft hij ook zelf inboedelgoederen gekocht. Daardoor vertonen de bonnen mogelijk gelijkenis.

5.3.

Het college stelt zich op het standpunt dat de aankoopnota op naam van [echtgenote] staat en de woninginrichting zich bevindt in de woning van [echtgenote] . Bij het huisbezoek in het appartement van eiser is gebleken dat op dit adres weinig tot geen inboedel aanwezig is. Ondanks herhaalde verzoeken zijn steeds nota’s van [echtgenote] ingeleverd. Over de bewijsstukken is telefonisch contact geweest met eisers begeleider. Eiser heeft niet aangetoond dat hij de bijzondere bijstand heeft besteed aan woninginrichting op het adres [adres] .

5.4.

De rechtbank stelt vast dat eiser weliswaar bonnen heeft ingeleverd, maar dat uit de verslagen van de huisbezoeken blijkt dat de op deze bonnen vermelde artikelen (stapelbedden, nachtkastjes en dergelijke) niet in zijn woning aanwezig zijn. Ter zitting heeft eiser toegegeven dat hij het ontvangen bedrag aan bijzondere bijstand aan [echtgenote] heeft gegeven voor woninginrichting voor zijn kinderen op haar adres. Daarmee heeft hij het geld dus niet besteed aan woninginrichting voor zijn eigen woning, zoals in de aanvraag vermeld, en heeft hij de inlichtingenplicht geschonden. Het college heeft op goede gronden de bijzondere bijstand ingetrokken en terecht het uitbetaalde bedrag teruggevorderd.

Conclusie

6. Uit het voorgaande volgt dat het college op goede gronden het recht van eiser op bijstand heeft ingetrokken per 10 oktober 2019, en de toegekende bijzondere bijstand voor woninginrichting heeft ingetrokken en terecht het uitbetaalde bedrag heeft teruggevorderd. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 28 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 3 van de Participatiewet:

3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet:

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Artikel 53a van de Participatiewet:

1. Onverminderd 30c[lees: artikel 30c], tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan en de arbeidsinschakeling door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.

2, aanhef en onder b. In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind.

Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan het college bij die verzoeken de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn woning binnen te treden.

6. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.

In artikel 54, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

In artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

In het achtste lid van dit artikel is bepaald dat het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1376.