Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3042

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6788
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-6-2021
FutD 2021-2125
NTFR 2021/2571 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/6788

uitspraak van 16 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 2 juni 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van haar verzoek om toepassing van het bijzonder tarief van artikel 25b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting (hierna: Wet MRB), beschikkingsnummer [beschikkingsnummer] .GN.20.2.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar echtgenote, tevens gemachtigde, [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om een dwangsom af;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is vanaf 6 mei 2019 houder van een Citroen Jumper met kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). De datum van eerste toelating is [datum 1] 2006. Op [datum 2] 2019 is het kentekenbewijs deel 1 ingeschreven. Het motorrijtuig wordt gebruikt voor de verkoop van elektrische sigaretten met toebehoren, CBD- en natuurproducten en bijouterieën op de wekelijkse markt in [plaats] .

2.2.

Op 5 februari 2020 heeft belanghebbende ten aanzien van het motorrijtuig een verzoek ingediend om toepassing van het bijzondere tarief van artikel 25b van de Wet MRB geldend voor een rijdende winkel (hierna: het tarief rijdende winkel). Bij beschikking van 16 maart 2020 heeft de inspecteur dit verzoek afgewezen (hierna: de afwijzingsbeschikking).

2.3.

Bij brief van 1 februari 2020, ontvangen door de inspecteur op 6 maart 2020, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de afwijzingsbeschikking. Vervolgens heeft belanghebbende de inspecteur bij brief van 20 maart 2020 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de afwijzingsbeschikking. Als bijlage bij deze ingebrekestelling is een ‘formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’ gevoegd.

2.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2020 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

2.5.

Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen en heeft daarbij verzocht om een dwangsom.

2.6.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

- Is er sprake van een schending van de hoorplicht?

- Heeft belanghebbende ten aanzien van het motorrijtuig recht op de toepassing van het tarief rijdende winkel?

- Heeft belanghebbende recht op een dwangsom wegens het niet-tijdig beslissen op bezwaar?

Schending hoorplicht

2.7.

De inspecteur stelt voordat hij op het bezwaar beslist, een belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord, behoudens de gevallen waarin van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien.1 Het initiatief voor het horen van een belanghebbende ligt bij de inspecteur.2

2.8.

Vast staat dat de inspecteur belanghebbende in het onderhavige geval niet heeft gevraagd of zij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van schending van de hoorplicht. Aan de schending van de hoorplicht kan op grond van artikel 6:22 Awb worden voorbijgegaan indien aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet wordt benadeeld.3 Dat is hier niet het geval. Uit de gedingstukken volgt immers dat partijen van mening verschillen over de van belang zijnde feiten, zodat niet kan worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. De uitspraak op bezwaar kan gelet op het voorgaande niet in stand blijven. Het beroep is in zoverre gegrond.4

2.9.

Partijen hebben de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien, zodat terugwijzing naar de inspecteur achterwege blijft. De rechtbank heeft het beroep daarom inhoudelijk beoordeeld.

Tarief rijdende winkel

2.10.

Op grond van artikel 25b van de Wet MRB geldt het tarief rijdende winkel voor een motorrijtuig dat wordt gebruikt in de uitoefening van de detailhandel en dat is voorzien van een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte die blijvend is ingericht als winkel en uitsluitend als zodanig wordt gebruikt. In artikel 5b, eerste lid, van het UB MRB is de nadere voorwaarde gesteld dat met het motorrijtuig niet wordt gereden op autowegen en autosnelwegen.

2.11.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het klanten niet is toegestaan om binnen in het motorrijtuig te komen. De klanten staan buiten onder een ‘tent’ die aan het motorrijtuig vast is gemaakt en de verkoper staat met maximaal twee personen binnen in het motorrijtuig achter de vitrine. Gelet op deze verklaring en de tot het dossier behorende foto’s is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte die blijvend is ingericht als winkel. Het motorrijtuig zelf is immers niet toegankelijk voor het publiek. Belanghebbendes stelling dat op grond van de Tabaks- en rookwarenwet deze waren afgesloten moeten worden bewaard, doet aan dat oordeel niet af.

2.12.

Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een website van een bedrijf waarop SRV- en verkoopwagens worden aangeboden en waarvoor uit navraag door de gemachtigde is gebleken dat het tarief rijdende winkel van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat voor zover belanghebbende daarmee stelt dat ook voor het onderhavige motorrijtuig het tarief rijdende winkel zou moeten gelden, deze stelling niet slaagt. Zoals belanghebbende ter zitting ook heeft aangegeven zijn deze motorrijtuigen immers niet vergelijkbaar met zijn motorijtuig. Op de foto’s die zijn weergegeven op de website is te zien dat die motorrijtuigen – anders dan het motorrijtuig van belanghebbende – wel zijn voorzien van een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte die blijvend is ingericht als winkel.

2.13.

Belanghebbende heeft gelet op het voorgaande geen recht op de toepassing van het tarief rijdende winkel. Het verzoek is terecht afgewezen.

Dwangsom

2.14.

Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb bestaat pas recht op een dwangsom indien twee weken zijn verstreken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken en de inspecteur een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

2.15.

De inspecteur beslist in de regel binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.5 In het onderhavige geval is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift verstreken op 27 april 2020, hetgeen meebrengt dat de beslistermijn eindigde op 8 juni 2020. De ingebrekestelling van 20 maart 2020, die de inspecteur overigens eerst op 25 mei 2020 heeft ontvangen, is te vroeg ingediend nu de beslistermijn nog niet was verstreken. De inspecteur heeft tijdig uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom.

Conclusie

2.16.

Gelet op de schending van de hoorplicht is het beroep gegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar is om die reden vernietigd. Gelet op hetgeen in 2.13 is overwogen, ziet de rechtbank echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand te laten.

2.17.

Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding. De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, nu namens belanghebbende ter zitting is verklaard dat haar echtgenoot de zaak ‘pro forma’ doet. De rechtbank begrijpt deze verklaring zo dat er geen kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn. De overige gestelde kosten van in totaal € 200 komen niet voor vergoeding in aanmerking reeds omdat deze niet zijn onderbouwd. De rechtbank ziet aldus geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De inspecteur dient wel het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, op 16 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 7:2, eerste lid, en artikel 7:3 van de Awb.

2 Op grond van paragraaf 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, conform artikel 7:2 van de Awb en in afwijking van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3 Vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495.

4 Vgl. HR van 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1011.

5 Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.