Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3039

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6332
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2022:1116, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-6-2021
FutD 2021-2096
NLF 2021/1360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/6332

uitspraak van 16 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 30 april 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2018 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.905, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 247 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.86.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde mr. T.P. Boer, verbonden aan Boer & Van Wees Advocaten te Arnhem, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

[het pensioenfonds] (hierna: het pensioenfonds) heeft in 2018 deels met terugwerkende kracht vastgesteld dat belanghebbende vanaf het jaar 2001 tot en met het jaar 2018 recht heeft op een invaliditeitspensioen. De uitkering bedroeg in totaal € 76.367 en is volledig uitbetaald in 2018.

2.2.

Belanghebbende (geboren op [datum] 1977) heeft voor het jaar 2018 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.905, bestaande uit het invaliditeitspensioen van € 76.367 (ingehouden loonheffing € 27.900) en een WAO-uitkering van in totaal € 20.538 (ingehouden loonheffing € 5.367).

2.3.

De inspecteur heeft de definitieve aanslag overeenkomstig de aangifte opgelegd, resulterend in een te betalen bedrag van € 8.849.

2.4.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen.

2.5.

In geschil is of de aanslag naar de juiste hoogte is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het deel van het invaliditeitspensioen dat betrekking heeft op de jaren 2001 tot en met 2017 terecht in de heffing voor het jaar 2018 is betrokken.

2.6.

Belanghebbende stelt dat op grond van artikel 13a, tweede lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) het genietingstijdstip van het invaliditeitspensioen moet worden toebedeeld aan de jaren 2001 tot en met 2018. Hij voert daartoe aan dat met het pensioenfonds is overeengekomen dat het invaliditeitspensioen op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten.

2.7.

De rechtbank stelt voorop dat onder loon wordt verstaan al hetgeen uit dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten.1 Als uitgangspunt geldt dat loon wordt (onder meer) geacht te zijn genoten op het moment waarop het is ontvangen.2 Artikel 13a, tweede lid, van de Wet LB 1964 bepaalt vervolgens dat van dit uitgangspunt niet wordt afgeweken indien is overeengekomen dat het loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten.3

2.8.

Het is niet in geschil dat de door belanghebbende ontvangen gelden kwalificeren onder het fiscale loonbegrip. De rechtbank overweegt dat hoewel het invaliditeitspensioen deels ziet op eerdere jaren, het volledig is ontvangen in 2018, zodat het genietingsmoment in dat jaar gelegen is. De rechtbank overweegt verder dat ook al zou belanghebbende in zijn stelling worden gevolgd dat met het pensioenfonds is overeengekomen dat het invaliditeitspensioen op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten, dit niet tot een ander oordeel kan leiden. Immers, ook in dat geval dient voor de bepaling van het genietingstijdstip te worden aangesloten bij het moment van ontvangst (zie de wetgeving genoemd in 2.7).

2.9.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat het volledige bedrag van het invaliditeitspensioen terecht in 2018 in de belastingheffing is betrokken.

2.10.

Het standpunt van belanghebbende dat het volledig in 2018 in de belastingheffing betrekken van de ontvangen uitkering onredelijk en onbillijk uitwerkt, kan belanghebbende in deze procedure niet baten. De belasting vloeit namelijk rechtstreeks voort uit de wet. De rechter is, gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, niet bevoegd de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen.

2.11.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard. Dat geldt dan ook voor zover het beroep betrekking heeft op de belastingrente, aangezien daartegen geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd.

2.12.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, op 16 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 3.81 van de van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in samenhang met artikel 10 van de Wet LB 1964.

2 Artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001.

3 Artikel 3.146, tweede lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat artikel 13a, tweede lid, van de Wet LB 1964 van overeenkomstige toepassing is op de inkomstenbelasting.