Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3037

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 7329
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/7329

uitspraak van 16 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] (België),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden beslissingen

- De uitspraak van de inspecteur van 28 mei 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomstenbelasting (IB), de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 89, alsmede de aan belanghebbende bij gelijktijdige beschikking opgelegde verzuimboete van € 369 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.76.01);

- De beslissing van de inspecteur als bedoeld in artikel 9.6, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) om de verzuimboete niet ambtshalve te verminderen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, drs. mr. F.A.M. Pouls, verbonden aan Account & Fiscal Management Roermond B.V. te Roermond, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende woonde het gehele jaar 2017 in België. Verder dreef belanghebbende tot 6 december 2017 een onderneming in Nederland.

2.2.

Belanghebbende is met dagtekening 28 februari 2018 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB over het jaar 2017. Aan belanghebbende is op grond van de uitstelregeling voor belastingconsulenten (beconregeling) uitstel verleend tot het doen van aangifte tot 1 mei 2019. Met dagtekening 31 mei 2019 heeft de inspecteur belanghebbende een herinnering verstuurd. Vervolgens is belanghebbende met dagtekening 31 juli 2019 aangemaand tot het doen van aangifte vóór 21 augustus 2019. Belanghebbende heeft binnen de aanmaningstermijn geen aangifte ingediend.

2.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 december 2019 de aanslag IB 2017 ambtshalve opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur belanghebbende € 89 aan belastingrente in rekening gebracht en hem een verzuimboete van € 369 opgelegd wegens het niet (tijdig) indienen van de aangifte IB 2017 (hierna: de aanslag).

2.4.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De inspecteur heeft in hetzelfde geschrift het bezwaar

aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en het belastbare inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op nihil en de aanslag conform verminderd. Dientengevolge is ook de in rekening gebrachte belastingrente verminderd tot nihil. De verzuimboete is in stand gebleven.

2.5.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  • -

    Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?

  • -

    Heeft de inspecteur terecht het verzoek om ambtshalve vermindering ten aanzien van de boete afgewezen?

Tijdigheid bezwaar

2.6.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken.1 Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.2 Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.3 Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.4

2.7.

Het aanslagbiljet met de verzuimboete is gedagtekend 4 december 2019. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de aanslag pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 15 januari 2020. Belanghebbende stelt dat hij op 14 januari 2020 bezwaar heeft gemaakt door middel van het alsnog indienen van de aangifte IB 2017. Daargelaten of dat kan gelden als het maken van bezwaar heeft belanghebbende zijn stelling niet aannemelijk gemaakt nu hij daar geen enkel bewijs voor heeft geleverd.

2.8.

De rechtbank concludeert daarom dat het stuk met dagtekening 19 februari 2020 – ontvangen door de inspecteur op 20 februari 2020 – het bezwaarschrift is. Dit bezwaarschrift is niet tijdig ingediend.

2.9.

Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond verklaard.

Verzoek om ambtshalve vermindering

2.10.

Het beroepschrift is, gelet op de motivering ervan, mede aan te merken als een rechtstreeks beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6, derde lid, van de Wet IB 2001. Partijen hebben ingestemd met prorogatie zodat de rechtbank hierover zal oordelen.

2.11.

Op grond van artikel 9.6, eerste lid, van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 vermindert de inspecteur een boete ambtshalve zodra hem is gebleken dat deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Gezien deze bepalingen rust op belanghebbende de last om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit volgt dat de boete te hoog is.5

2.12.

Belanghebbende heeft in dit kader bepleit dat hij in de veronderstelling was dat hij geen aangifte hoefde te doen, omdat hij het gehele jaar 2016 in België woonde en werkte. Nu belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte, volgt de rechtbank belanghebbende niet in zijn stelling dat daaruit volgt dat de verzuimboete onterecht is vastgesteld. Een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is verplicht die aangifte te doen.

2.13.

Ook stelt belanghebbende dat uit het aangifteprogramma naar voren kwam dat hij geen aangifte hoefde te doen. Hij vertrouwde er daarom op dat hij geen aangifte hoefde te doen. Tot de stukken van het geding behoort een schermafdruk van deze melding. De rechtbank overweegt dat uit de schermafdruk van een gedeelte van het aangifteprogramma waarin de melding te zien is, niet valt op te maken of de melding is gebaseerd op – door of namens belanghebbende ingevulde - juiste informatie in de onderdelen van het aangifteprogramma welke daaraan voorafgaand zijn ingevuld. Ook op dit punt maakt belanghebbende niet aannemelijk dat de boete onterecht en daarmee te hoog is vastgesteld.

2.14.

Belanghebbende heeft voorts bepleit dat omdat aan zijn partner ook een verzuimboete is opgelegd, de boete te hoog is. De rechtbank ziet hierin geen grond om te oordelen dat de verzuimboete ambtshalve had moeten worden verminderd, nu het om twee verschillende belastingplichtigen gaat en om twee verschillende verzuimen gaat. Het gelijk is ook op dit punt aan de inspecteur. Het beroep is ook in zoverre ongegrond verklaard.

2.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, op 16 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 6:7 van de Awb.

2 Artikel 22j, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3 Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

4 Artikel 6:11 van de Awb.

5 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1080.