Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3030

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
02-039789-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Brandstichting. 20-jarige verdachte. Toepassing jeugdstrafrecht. Artikel 77c WvSr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-039789-20

vonnis van de meervoudige kamer van 17 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juni 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 7 februari 2020 te Breda brand heeft gesticht bij een pand waarin een kinderdagverblijf is gevestigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was en baseert zich daarbij op de aangifte, de camerabeelden, het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing en de eigen verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat in de tenlastelegging staat vermeld dat het gaat om een bedrijfspand/kinderdagverblijf. De verdediging verzoekt de vermelding van het kinderdagverblijf in de bewezenverklaring weg te strepen nu het een bedrijfspand betreft en slechts de bestemming van het pand een kinderdagverblijf is. Verder kan volgens de verdediging alleen bewezen worden dat het pand gedeeltelijk is verbrand. Voor het overige refereert de verdediging zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het feit aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft dit feit bekend, daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 3 juni 2021;

- de aangifte van [naam] namens [Kinderdagverblijf] .;

- het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing.

De rechtbank gaat niet mee met het standpunt van de verdediging dat in de bewezenverklaring de vermelding van het kinderdagverblijf weggestreept moet worden. In het bedrijfspand zit immers een kinderdagverblijf gevestigd en als gevolg van de brand is schade ontstaan, zowel aan het bedrijfspand als aan de inboedel van het bedrijfspand en het kinderdagverblijf. Dit verweer zal dan ook worden verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 7 februari 2020 te Breda opzettelijk brand heeft gesticht aan een bedrijfspand/kinderdagverblijf, immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk goederen die zich onder die overkapping bevonden in brand gestoken, ten gevolge waarvan die overkapping van dat bedrijfspand/kinderdagverblijf in brand is gevlogen en dat bedrijfspand/kinderdagverblijf gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand/kinderdagverblijf en de inboedel van dat bedrijfspand/kinderdagverblijf te duchten was;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uur waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. Verder dienen naast de algemene voorwaarden als bijzondere voorwaarden te gelden dat verdachte wordt begeleid door de jeugdreclassering en zal meewerken aan middelencontrole indien geïndiceerd. Daarbij verzoekt de officier van justitie toepassing van het jeugdstrafrecht gelet op de persoon van verdachte.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de strafoplegging het jeugdstrafrecht toe te passen gelet op de persoon van verdachte. Verdachte staat open voor verdere begeleiding door de jeugdreclassering en ook voor eventuele herstelbemiddeling. De verdediging vraagt verder voor de hoogte van de strafmaat aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten die voor het jeugdstrafrecht gelden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte liep in de nacht van 7 februari 2020 vanuit het centrum van Breda naar huis. Zijn relatie was net geëindigd en hij had flink alcohol gedronken. Verdachte zegt zich niets meer van deze nacht te herinneren vanaf het moment dat hij het centrum heeft verlaten. Onderweg naar huis heeft hij zich echter schuldig gemaakt aan brandstichting. Verdachte heeft brand gesticht door onder een overkapping van een gebouw waarin een kinderdagverblijf gevestigd is goederen in brand te steken. Als gevolg van deze brand zijn de overkapping en de daaronder gestalde goederen, maar ook een deel van het pand en goederen in het pand verloren gegaan. Verdachte herkende zich later op de camerabeelden die tijdens de brand rondom het kinderdagverblijf zijn gemaakt.

Brandstichting is een zeer ernstig feit. Naast de forse materiële schade heeft een brand grote impact op de direct betrokkenen en de omwonenden. De brand die door verdachte is gesticht, heeft ’s nachts plaatsgevonden. Het pand is gelegen middenin een woonwijk. Het behoeft geen betoog dat dit feit dan ook grote gevoelens van onveiligheid met zich brengt voor zowel de direct betrokkenen als de omwonenden. Brandstichtingen zorgen bovendien ook voor onrust in de maatschappij. De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook ernstig aan.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten alsmede met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, concludeert in het rapport van het psychologisch onderzoek dat bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Wel zijn er aanwijzingen voor een zwakke intelligentie en is verdachte in zijn verleden meerdere malen geconfronteerd geweest met geforceerde separaties van vaderfiguren. Het is volgens de psycholoog aannemelijk om te veronderstellen dat verdachte, mede op basis van zijn ervaringen met gedwongen scheidingen van primaire verzorgers, een hernieuwde geforceerde separatie niet adequaat heeft kunnen hanteren omdat deze mogelijk ook de (onverwerkte) problematiek over eerdere scheidingen kan hebben geactualiseerd. De frustratie hierover heeft zich mogelijk geuit in de brandstichting. Overmatig drankgebruik zal daarbij de drempel voor grensoverschrijdend gedrag hebben verlaagd. Omdat er geen evidente stoornis is en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (althans volgens huidig onderzoek) is er ook geen aanleiding om te spreken van een mogelijke doorwerking daarvan in het ten laste gelegde en is te adviseren om verdachte het ten laste gelegde in een volledige mate toe te rekenen.

Verdachte claimt een geheugenverlies voor het ten laste gelegde. De psycholoog concludeert in het rapport dat voor deze amnesie geen aanwijzingen zijn gevonden.

Het risico op recidive wordt voorts op laag ingeschat.

De rechtbank heeft kennis genomen van deze conclusies van de psycholoog en zij neemt deze over.

De psycholoog heeft verder – na toepassing van de “wegingslijst adolescenten strafrecht” – geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen.

In het rapport van de reclassering van 27 mei 2021 wordt de kans op recidive als laag op korte termijn en laaggemiddeld op de langere termijn ingeschat. De reclassering adviseert voorts om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte is zwakbegaafd en de indruk is dat hij zich makkelijk laat beïnvloeden door anderen. Met name op basis van de pedagogische beïnvloeding door volwassenen acht de reclassering toepassing van het jeugdstrafrecht noodzakelijk. Ten aanzien van de strafoplegging wordt geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering en het meewerken aan middelencontrole indien geïndiceerd.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte volgens het jeugdstrafrecht of het gewone strafrecht bestraft moet worden. De verdachte was tijdens het plegen van de brandstichting 20 jaar oud. Hieruit volgt dat het gewone strafrecht, het strafrecht voor volwassenen aan de orde is. Maar de rechtbank heeft bij jongvolwassen van 18 tot 23 jaar de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dat kan de rechtbank doen wanneer de persoon van verdachte zelf of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daarvoor aanleiding geven.

Net als de officier van justitie, de verdediging en de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat verdachte bestraft dient te worden met toepassing van het jeugdstrafrecht.

De rechtbank weegt daarbij mee dat bij verdachte sprake is van een zwakke intelligentie. Verdachte scoort blijkens het rapport van de psycholoog bij toepassing van de wegingslijst adolescentenstrafrecht laag op het cluster “handelingsvaardigheden” en hoog op het cluster “pedagogische beïnvloeding”. Verdachte woont bij zijn moeder en hij is ontvankelijk voor sociale, emotionele en praktische ondersteuning van volwassenen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verdachte te bestraffen met toepassing van het jeugdstrafrecht.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

Dat betekent dat de rechtbank verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf zal opleggen voor de duur van 180 uur waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Naast de algemene voorwaarden zullen als bijzondere voorwaarden gelden de meldplicht en de controle van middelen indien geïndiceerd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63, 77a, 77c, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan middelencontrole wanneer dit geïndiceerd is door de jeugdreclassering;

- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hamburger, voorzitter, mr. Diepenhorst en mr. De Boer, rechters, in tegenwoordigheid van Boink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 juni 2021.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan bovengenoemde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 7 februari 2020 te Breda opzettelijk

brand heeft gesticht aan een bedrijfspand/kinderdagverblijf, immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk een overkapping van dat bedrijfspand/kinderdagverblijf en/of goederen die zich onder

die overkapping bevonden in brand gestoken, in elk geval door open vuur in aanraking te brengen

met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die overkapping van dat

bedrijfspand/kinderdagverblijf in brand is gevlogen en/of dat bedrijfspand/kinderdagverblijf

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand/kinderdagverblijf en/of de inboedel van dat

bedrijfspand/kinderdagverblijf, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, te duchten was;

(Artikel art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)