Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3022

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
12-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6612
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-7-2021
FutD 2021-2272
V-N Vandaag 2021/1774
NLF 2021/1470
NTFR 2021/2551 met annotatie van mr. M. Wolff
VFP 2021/92
Belastingadvies 2021/23.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/6612

uitspraak van 18 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ( [land] ),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden beslissingen

De aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde verminderingsbeschikking inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 134.657 (hierna: de verminderingsbeschikking)

en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboete van € 369 en in rekening gebrachte belastingrente ten bedrage van € 365 (dagtekening 24 maart 2020, aanslagnummer [aanslagnummer] H.76.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, via Skype-verbinding, [inspecteur] .

1. Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de verminderingsbeschikking;

  • -

    vermindert de verminderingsbeschikking tot een beschikking berekend naar een premie-inkomen van nihil;

  • -

    vermindert de verminderingsbeschikking tot een beschikking berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 129.551;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoedt.

2. Gronden

Vooraf

2.1.

Belanghebbendes reactie op de verminderingsbeschikking is door de inspecteur ten onrechte naar de rechtbank doorgezonden als beroepschrift. Partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep bij de rechtbank1 zodat het beroep ten aanzien van de verminderingsbeschikking ontvankelijk is. De rechtbank komt derhalve toe aan een inhoudelijke beoordeling.

Inhoudelijk

2.2.

Belanghebbende woont in [land] . In 2017 ontving hij de volgende inkomsten uit Nederland:

Inhoudingsplichtige

Soort

Bruto

Ingehouden loonheffing

Nationale Nederlanden

Ouderdomspensioen

€ 167.140

€ 43.479

Sociale Verzekeringsbank

AOW-uitkering

€ 17.126

€ 1.521

ING Bank Personeel

Overlijdenspensioen/lijfrente

€ 2.949

€ 543

Totaal

€ 187.215

€ 45.543

2.3.

Het pensioen van Nationale Nederlanden wordt door Nationale Nederlanden aan belanghebbende uitgekeerd onder inhouding van loonheffing. Een deel van het netto bedrag (na inhouding van loonheffing) wordt niet aan belanghebbende, maar aan zijn ex-partner betaald.

2.4.

Niet in geschil is dat belanghebbende geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige is in de zin van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.5.

Belanghebbende is uitgenodigd (28 februari 2018), herinnerd (27 juli 2018) en aangemaand (6 november 2018) tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2017, maar hij heeft geen aangifte ingediend. Aan belanghebbende is ambtshalve een aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 en een verzuimboete opgelegd, waartegen belanghebbende in bezwaar is gekomen. Na de uitspraak op het bezwaar tegen deze aanslag heeft de inspecteur nadere informatie van belanghebbende ontvangen op grond waarvan de verminderingsbeschikking is vastgesteld.

2.6.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat bij de verminderingsbeschikking ten onrechte premies volksverzekeringen zijn geheven.

2.7.

Tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

1. Is terecht geen aftrek verleend voor het gedeelte van het pensioen van Nationale Nederlanden dat toekomt aan de ex-partner van belanghebbende?

2. Is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel?

3. Is de verzuimboete terecht en niet te hoog vastgesteld?

4. Is de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening gebracht?

Bewijslastverdeling

2.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende voor het jaar 2017 geen aangifte heeft gedaan. De inspecteur heeft gesteld dat aldus de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan.2 De inspecteur heeft daartoe gewezen op de uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering en de aanmaning welke alle zijn geadresseerd aan het adres van belanghebbende.

2.9.

De rechtbank merkt op dat voor omkering en verzwaring van de bewijslast geen plaats indien belanghebbende niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte, omdat in dat geval niet kan worden gesteld dat de vereiste aangifte niet is gedaan3. De vraag is dus of de inspecteur belanghebbende op juiste wijze heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte. Eerst ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat hij zich niet kan herinneren dat hij de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte ontvangen heeft. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een nieuw ingebracht geschilpunt dat uitbreiding geeft aan de rechtsstrijd zoals deze zich heeft ontwikkeld tot aan het moment waarop de stelling ter zitting bij de rechtbank werd opgeworpen. Uit hetgeen belanghebbende ter zitting en in de stukken heeft aangevoerd volgt niet dat belanghebbende dit standpunt niet eerder had kunnen innemen. Dat belanghebbende er om zijn moverende redenen voor heeft gekozen om dit standpunt eerst ter zitting in te nemen, dient voor zijn rekening te blijven. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat behandeling van deze nieuwe stelling een nader feitelijk onderzoek zou vergen naar de verzending van de desbetreffende brieven. Een redelijke afweging van de belangen en het proceseconomische belang van een spoedige voortgang van de zaak, brengt in dit geval naar het oordeel van de rechtbank mee dat voornoemde ter zitting betrokken stelling als zijnde tardief ter zijde moet worden gesteld en dat voor aanhouding van de zaak geen aanleiding bestaat.

2.10.

Gelet op het onder 2.9 overwogene gaat de rechtbank er vanuit dat de inspecteur belanghebbende op juiste wijze heeft uitgenodigd zodat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit betekent dat op belanghebbende een verzwaarde bewijslast rust.

Aftrek voor pensioen dat toekomt aan ex-partner?

2.11.

Niet in geschil is dat Nationale Nederlanden betalingen aan de ex-partner van belanghebbende heeft verricht, welke in mindering zijn gebracht op de netto pensioenuitkeringen van belanghebbende. In geschil is echter hoe deze betalingen fiscaal rechtelijk dienen te worden gekwalificeerd.

2.12.

Belanghebbende voert aan dat niet het volledige bedrag aan pensioenuitkering van Nationale Nederlanden (hierna: de pensioenuitkering) bij hem in de belastingheffing dient te worden betrokken, omdat een bedrag van € 5.106,42 rechtstreeks toekomt aan zijn ex-partner. Volgens belanghebbende heeft zijn ex-partner naar aanleiding van de echtscheiding – gelet op het Boon/Van Loon arrest4 – een zelfstandig vermogensrecht ten aanzien van het destijds opgebouwde pensioen van belanghebbende. Volgens belanghebbende dient dit bedrag aldus in mindering te worden gebracht op zijn pensioenuitkeringen en daarmee op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning.

De inspecteur stelt dat de betaling aan de ex-partner niet in aftrek gebracht kan worden van het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende, omdat de betaling kwalificeert als alimentatie. Aangezien belanghebbende geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige is, is er volgens de inspecteur geen mogelijkheid om de betaalde alimentatie in aftrek te brengen.

2.13.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door belanghebbende overgelegde ‘Boon/Van Loon-brief’ van Nationale Nederlanden niet volgt dat het door Nationale Nederlanden aan de ex-partner uitbetaalde deel van het pensioen niet tot het belastbaar loon als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 van belanghebbende behoorde. Uit deze brief volgt namelijk niet dat op dat moment de ex-partner een zelfstandig vermogensrecht jegens Nationale Nederlanden heeft verkregen ten koste van de door belanghebbende opgebouwde pensioenrechten. In de betreffende brief is enkel de waarde van het aan de ex-partner toekomende deel van de opgebouwde pensioenrechten en het daarbij behorende uitgestelde ouderdomspensioen berekend. Dit is evenwel niets meer of minder dan hetgeen belanghebbende vanaf de datum van pensionering aan zijn ex-partner is verschuldigd, uit hoofde van pensioenverrekening op grond van het Boon/Van Loon arrest. Dat Nationale Nederlanden het betreffende bedrag rechtstreeks aan de ex-partner uitbetaalt maakt dit oordeel niet anders. In de door belanghebbende – bij zijn brief van 29 september 2020 – overgelegde e-mail van Nationale Nederlanden van 17 september 2020 wordt immers bevestigd dat Nationale Nederlanden conform afspraak met belanghebbende maandelijks een bedrag van belanghebbendes netto-uitkering aan de ex-partner overmaakt.5 Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende het gehele bedrag heeft genoten als pensioen, inclusief de aan de ex-partner betaalde bedragen. Aldus heeft de inspecteur het bedrag van € 5.106,42 terecht tot het belastbaar inkomen van belanghebbende gerekend.

2.14.

Het bedrag van € 5.106,42 kan evenmin op grond van artikel 7.8, eerste lid, onderdeel b Wet IB 2001 – uitgaven van onderhoudsverplichtingen6 – als persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen nu belanghebbende niet kan worden aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige.7 Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur.

Vertrouwensbeginsel

2.15.

Onder overlegging van een uitspraak op bezwaar met betrekking tot zijn aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 stelt belanghebbende dat de aftrek voor het pensioen dat toekomt aan zijn ex-partner eerder expliciet is besproken en dat de inspecteur het in dat jaar aan de ex-partner betaalde bedrag in aftrek heeft toegelaten. Gelet hierop stelt hij dat de aftrek ook moet worden toegestaan voor latere jaren.

2.16.

De rechtbank vat deze stelling op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient, bij de beoordeling van de vraag of sprake is van in rechte te beschermen vertrouwen, te worden onderzocht en vastgesteld of de door een belanghebbende aangevoerde omstandigheden bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling dan wel een toezegging van de inspecteur.

2.17.

In de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag IB/PVV voor jaar 2014 staat vermeld: ‘Ik zal rekening houden met het bedrag ad € 7.831 dat volgens u aan mevr. [X] toekomt.’ De rechtbank is van oordeel dat deze uitspraak op bezwaar bij belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling. Dit brengt mee dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van in rechte te beschermen vertrouwen dat het bedrag van de pensioenuitkering dat toekomt aan de ex-partner van belanghebbende, in mindering gebracht kan worden op het inkomen uit werk en woning van belanghebbende. De inspecteur is aan deze standpuntbepaling gebonden, totdat deze wordt opgezegd.

2.18.

De inspecteur heeft gesteld dat, indien sprake zou zijn van opgewekt vertrouwen als gevolg van de uitspraak op bezwaar ten aanzien van het jaar 2014, dit vertrouwen niet meer aanwezig was in de jaren erna, omdat voor de jaren 2015 en 2016 de aanslag op geheel andere wijze is vastgesteld. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Door het enkel opleggen van nihilaanslagen voor de jaren 2015 en 2016 zonder enige toelichting, hoefde het voor belanghebbende niet zonder meer duidelijk te zijn dat het door de inspecteur ingenomen standpunt ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2014 niet meer zou gelden voor latere jaren.

2.19.

De inspecteur heeft in het verweerschrift tevens geschreven dat indien er sprake zou zijn van opgewekt vertrouwen, hij dat gewekt vertrouwen per heden (dagtekening 26 augustus 2020) opzegt. Aangezien in rechte te beschermen vertrouwen niet met terugwerkende kracht opgezegd kan worden8, dient het bedrag van € 5.106,42 in het onderhavige jaar in aftrek te worden toegelaten.

2.20.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De verminderingsbeschikking dient derhalve vastgesteld te worden tot een beschikking berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.551 (€ 134.657 verminderd met € 5.106,42).

Verzuimboete

2.21.

Op grond van artikel 67a van de AWR kan de inspecteur een verzuimboete opleggen als niet binnen een in de aanmaning gestelde termijn aangifte wordt gedaan. Op grond van paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) wordt in dat geval een boete opgelegd van 7% van het wettelijk maximum, wat resulteert in een bedrag van € 369.

2.22.

Gelet op het onder 2.9 en 2.10 overwogene moet er vanuit worden gegaan dat de inspecteur belanghebbende op juiste wijze heeft uitgenodigd en aangemaand om aangifte te doen. De verzuimboete is naar het oordeel van de rechtbank dan ook opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 67a van de AWR in samenhang met paragraaf 21, tweede lid, van het BBBB nu belanghebbende niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn de aangifte heeft ingediend.

2.23.

Bij het opleggen van een verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid van belanghebbende. Wel moet bij afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) aan de zijde van belanghebbende het opleggen van de verzuimboete achterwege blijven. Van avas is sprake indien belanghebbende alle zorg heeft betracht die in de gegeven omstandigheden van haar verwacht mag worden om het verzuim te voorkomen. Het is aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van avas.

2.24.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van avas, omdat hij erop mocht vertrouwen dat de aanslagregeling voor 2017 hetzelfde zou worden behandeld als de voorgaande jaren. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. Dat voor de jaren 2015 en 2016 een ambtshalve aanslag IB van nihil is opgelegd, is onvoldoende aanleiding voor belanghebbende om ervan uit te gaan dat hij voor 2017 geen aangifte hoefde in te dienen. Daar komt bij dat uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende voor het jaar 2016 wel een aangifte heeft ingediend en dat er bij de ambtshalve aanslag voor het jaar 2015 tevens een verzuimboete is opgelegd ten bedrage van € 369.

2.25.

De rechtbank acht de opgelegde boete passend en geboden. Bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor het matigen van de boete zijn niet gesteld of gebleken.

Belastingrente

2.26.

Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur te lang heeft gedaan over het opleggen van de aanslag IB/PVV 2017 en dat daarom onterecht belastingrente in rekening is gebracht.

2.27.

Naar het oordeel van de rechtbank is de belastingrente conform de wettelijke regeling van artikel 30fc van de AWR en derhalve terecht in rekening gebracht. Voor zover belanghebbende zich beroept op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, is daar naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van. De inspecteur heeft tot drie jaar na afloop van het betreffende kalenderjaar de tijd om een aanslag vast te stellen.9 De inspecteur heeft de aanslag ruim binnen deze termijn aan belanghebbende opgelegd en andere omstandigheden waaruit zou volgen dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld zijn niet gebleken. De rechtbank acht een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel daarom niet aanwezig.

Slotsom

2.28.

Gelet op de onterecht geheven premies volksverzekeringen en de schending van het vertrouwensbeginsel wat betreft de aftrek van de aan ex-partner gedane betalingen, is het beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de verminderingsbeschikking en voor het overige is het beroep ongegrond verklaard.

2.29.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast ziet de rechtbank geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding, aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden. De enkele blote stelling van belanghebbende eerst ter zitting dat hij schade zou hebben geleden is hiertoe onvoldoende. Wel dient de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 18 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 7:1a van de Awb.

2 Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3 Zie Hoge Raad 28 maart 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AX2688.

4 Hoge Raad 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271 (Boon/Van Loon).

5 Vergelijk Gerechtshof Amsterdam 19 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3474.

6 In de zin van artikel 6.3, eerste lid, onderdeel d van de Wet IB 2001.

7 Zie daartoe artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001.

8 Vergelijk Hoge Raad 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3086.

9 Artikel 11, derde lid, AWR.