Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3020

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6399 t/m 20 _ 6403
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-6-2021
FutD 2021-2105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/6399 tot en met 20/6403

uitspraak van 17 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende 1] , gevestigd te [plaats] (hierna: [belanghebbende 1] ),

[belanghebbende 2] , gevestigd te [plaats] (hierna: [belanghebbende 2] ),

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden beslissingen

De beslissingen van de inspecteur:

- op het verzoek van [belanghebbende 1] om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen de aan haar opgelegde navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2015 en aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2016 (BRE 20/6399 tot en met 20/63402);

- op het verzoek van [belanghebbende 2] om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen de aan haar opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2015 (BRE 20/6403).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbenden, bestuurder [Bestuurder] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

Vooraf: ontvankelijkheid beroep [belanghebbende 1] 2013

2.1.

Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen (artikel 6:9 Awb).

2.2.

De termijn voor het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over het jaar 2013 verliep op 9 mei 2020. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 11 mei 2020. Uit de poststempel op de envelop waarin het beroepschrift is verstuurd, blijkt dat het beroepschrift op 8 mei 2020 ter post is bezorgd. Het beroep is derhalve tijdig.

Inhoudelijk

2.3.

[belanghebbende 1] heeft voor de jaren 2013 tot en met 2016 aangiften vennootschapsbelasting ingediend. De inspecteur heeft vragen gesteld over deze aangiften, meer specifiek over de doorbelasting die plaatsvond tussen [belanghebbende 1] en de gelieerde vennootschap [belanghebbende 2] .

2.4.

Over deze doorbelasting heeft een discussie plaatsgevonden tussen belanghebbenden en de inspecteur. De inspecteur heeft vervolgens aan [belanghebbende 1] voor de jaren 2013, 2014 en 2015 navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd en voor het jaar 2016 de definitieve aanslag vennootschapsbelasting.

2.5.

[belanghebbende 1] is in bezwaar gekomen tegen deze (navorderings)aanslagen. Bij uitspraken op bezwaar is deels tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende naar aanleiding van overeenstemming tussen [belanghebbende 1] en de inspecteur. De (navorderings)aanslagen zijn verlaagd. Daarbij is een forfaitaire kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase ten bedrage van € 762.

2.6.

[belanghebbende 2] heeft voor het jaar 2015 een aangifte vennootschapsbelasting ingediend. De inspecteur heeft vragen gesteld over deze aangifte, meer specifiek over de zakelijkheid van notariskosten die ten laste van het resultaat van belanghebbende zijn gebracht.

2.7.

De inspecteur heeft aan [belanghebbende 2] een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2015 opgelegd. [belanghebbende 2] is in bezwaar gekomen tegen deze navorderingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar is gedeeltelijk aan het bezwaar van [belanghebbende 2] tegemoetgekomen, in de zin dat [belanghebbende 2] en de inspecteur overeenstemming hebben bereikt over het aanmerken van 50% van de notariskosten als zakelijke kosten. Daarbij is een forfaitaire kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase ten bedrage van € 522.

2.8.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbenden recht hebben op een bovenforfaitaire kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De berekening van de toegekende forfaitaire kostenvergoeding is niet in geschil.

2.9.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een bovenforfaitaire kostenvergoeding worden verleend indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Van een bijzondere omstandigheid is sprake als de inspecteur een besluit neemt of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.1 Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid.2

2.10.

Belanghebbenden stellen dat aan de vereisten voor het verkrijgen van een bovenforfaitaire vergoeding voldaan is. Zij hebben hun standpunt daartoe uitgebreid gemotiveerd. De inspecteur heeft zich tegen het standpunt van belanghebbenden verweerd.

2.11.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die een bovenforfaitaire vergoeding rechtvaardigt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.12.

De rechtbank is op grond van de inhoud van het dossier van oordeel dat de standpunten van de inspecteur niet willekeurig, bevooroordeeld of onzorgvuldig zijn ingenomen. In het verloop van de procedure is er diverse malen, zowel schriftelijk als mondeling, overleg gevoerd tussen belanghebbenden en de inspecteur. De standpunten van beide partijen zijn daarbij uitgebreid gewisseld. De inspecteur heeft tevens (derden)onderzoek verricht. Uit het uitgebreide dossier volgt volgens de rechtbank dus niet dat de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Verder overweegt de rechtbank dat de inspecteur de beoordelingsvrijheid heeft om wegens doelmatigheidsredenen de aanslagfase te beëindigen. Om die reden kon de inspecteur ook, zoals in het geval van belanghebbenden, deze fase beëindigen aangezien hij concludeerde dat de standpunten van belanghebbenden en de inspecteur (te) ver uit elkaar lagen. Dat later in de bezwaarfasen overeenstemmingen zijn bereikt die dichtbij eerder tijdens de aanslagregelende fase gedane voorstellen van belanghebbenden komen, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Immers vindt er in bezwaar een integrale heroverweging plaats. De inspecteur heeft de beoordelingsvrijheid om in de aanslagregeling een ander standpunt in te nemen dan in de bezwaarfase. Gelet op de aard van de materie die in geschil was (verrekenprijsproblematiek en de zakelijkheid van kosten), is het niet ondenkbaar dat er een ander standpunt ingenomen wordt door de inspecteur in de bezwaarfase ten opzichte van de aanslagfase. De rechtbank is dus van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een bovenforfaitaire vergoeding kunnen leiden. Het gelijk is dan ook aan de inspecteur.

2.13.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 17 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.

2 Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.