Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3018

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6357 t/m 20 _ 6359
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-6-2021
FutD 2021-2094
NTFR 2021/2390 met annotatie van mr. J. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/6357 tot en met 20/6359

uitspraak van 17 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 25 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende:

- voor het jaar 2014 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen naar een bedrag van € 1.633 en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboete van € 163 en in rekening gebrachte belastingrente ten bedrage van € 318 (aanslagnummer [aanslagnummer] .A.02.450.1) (BRE 20/6357);

- voor het jaar 2016 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen naar een bedrag van € 807 en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboete van € 80 en in rekening gebrachte belastingrente ten bedrage van € 92 (aanslagnummer [aanslagnummer] .A.02.650.1) (BRE 20/6358);

- voor het jaar 2017 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen naar een bedrag van € 5.503 en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboete van € 550 en in rekening gebrachte belastingrente ten bedrage van € 412 (aanslagnummer [aanslagnummer] .A.02.750.1) (BRE 20/6359).

Hierna tezamen te noemen: de naheffingsaanslagen en boeten.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021 te Roermond. Via een Skype-verbinding zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

Vooraf: ontvankelijkheid beroep

2.1.

Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen (artikel 6:9 Awb).

2.2.

De termijn verliep op 6 mei 2020. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 7 mei 2020. Uit de poststempel op de envelop waarin het beroepschrift is verstuurd, blijkt dat het beroepschrift op 5 mei 2020 ter post is bezorgd. Het beroep is derhalve tijdig.

Inhoudelijk

2.3.

Belanghebbende heeft in de jaren 2014, 2016 en 2017 meerdere werknemers in dienst. Werknemer [A] (hierna: de werknemer) is op 3 juni 2013 in dienst getreden bij belanghebbende (hierna: eerste dienstbetrekking). Na een onderbreking van deze dienstbetrekking van 1 januari 2014 tot en met 24 maart 2014, werd deze dienstbetrekking beëindigd op 28 maart 2014. Op 20 juni 2016 treedt dezelfde werknemer opnieuw in dienst bij belanghebbende (hierna: tweede dienstbetrekking). Tussen de eerste en de tweede indiensttreding is de dienstbetrekking onderbroken geweest voor een periode van 2 jaar, 2 maanden en 22 dagen.

2.4.

Ter zake van de werknemer is eerst in 2013 en 2014 premiekorting indienstneming oudere werknemers (hierna: premiekorting) geclaimd op grond van artikel 47, eerste lid, Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv).

2.5.

Middels correctieberichten loonheffingen, ingediend op 14 november 2018 en 23 november 2018, wordt de in 2013 en 2014 geclaimde premiekorting voor de werknemer teruggedraaid en wordt opnieuw premiekorting geclaimd voor deze werknemer voor de jaren 2016 en 2017.

2.6.

Naar aanleiding van een onderzoek door de inspecteur naar de juistheid van de geclaimde premiekorting, heeft de inspecteur met dagtekening 1 november 2019 de naheffingsaanslagen en boeten opgelegd. De inspecteur is het standpunt toegedaan dat enkel bij aanvang van de eerste dienstbetrekking van de werknemer de premiekorting geclaimd kan worden en dat de premiekorting niet opnieuw toegepast kan worden. Op grond van artikel 3.21 van de Regeling Wfsv loopt de premiekortingsperiode volgens de inspecteur tot 25 augustus 2016.

2.7.

Tussen partijen is in geschil voor welke periode recht is op premiekorting voor de werknemer. Daarnaast is in geschil of de verzuimboeten terecht zijn opgelegd.

2.8.

Belanghebbende stelt dat er voor de jaren 2013 en 2014 geen recht was op de premiekorting, omdat belanghebbende niet beschikte over een zogeheten doelgroepverklaring. Gelet daarop heeft belanghebbende de premiekorting over deze jaren gecorrigeerd en geclaimd over de jaren 2016 en 2017. Volgens belanghebbende vangt de periode waarover recht is op premiekorting aan bij aanvang van de tweede dienstbetrekking van de werknemer in 2016, omdat zij toen wel beschikte over de doelgroepverklaring.

De inspecteur neemt het standpunt in dat er voor het jaar 2013 en 2014 wel recht bestond op de premiekorting, dat op grond van de voor die jaren geldende wetgeving geen doelgroepverklaring benodigd was en dat de periode waarover recht is op premiekorting dus aangevangen is bij aanvang van de eerste dienstbetrekking in 2013. Volgens de inspecteur eindigt de periode waarover recht is op de premiekorting, rekening houdend met de onderbreking van de dienstbetrekking in 2014, op 25 augustus 2016.

2014

2.9.

De naheffingsaanslag voor het jaar 2014 is vastgesteld tot een bedrag van € 1.633, inhoudende de correctie van te weinig geclaimde premiekorting voor de werknemer van € 161 en te veel geclaimde premiekorting voor een andere werknemer ( [B] ) van € 1.794.

2.10.

Ten aanzien van het standpunt van belanghebbende dat voor het jaar 2014 voor de werknemer geen recht op premiekorting bestond, merkt de rechtbank op dat belanghebbende met dit standpunt door een beslissing van de rechter niet in een voordeliger positie kan komen te verkeren. Deze stelling zou enkel kunnen zorgen voor een verhoging van de naheffingsaanslag. Dat resultaat kan niet via deze procedure worden bereikt. Het rechtsmiddel beroep kan belanghebbende immers niet in een slechtere positie brengen. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, staat het de rechter niet vrij om de naheffingsaanslag te verhogen. Nu belanghebbende geen andere gronden heeft aangevoerd tegen de naheffingsaanslag, is het beroep ongegrond verklaard.

2016 en 2017

2.11.

Artikel 47, eerste en derde lid, Wfsv luidde in 2013 en 2014 – voor zover relevant – als volgt:

“1. De werkgever past een korting toe op het totaal van de door hem op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer:

a. die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, (…); en

b. die op het moment van in dienst treden bij die werkgever 50 jaar of ouder is.

De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking.

(…)

3. De werkgever bewaart bij de loonadministratie een verklaring van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank, het college van burgemeester en wethouders of een andere uitkeringsinstantie, dat de werknemer, bedoeld in het eerste of tweede lid, voorafgaande aan de datum van aanvang van dienstbetrekking recht had op een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of voldoet aan het tweede lid.”

2.12.

Hetzelfde artikel luidde voor de jaren 2016 en 2017 – voor zover relevant – als volgt:

“1. De werkgever past een korting toe op het totaal van de door hem op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer:

a. die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, (…); en

b. die op het moment van in dienst treden bij die werkgever 56 jaar of ouder is.

De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking.

(…)

3. Alvorens de korting, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast beschikt de werkgever over een verklaring van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank, het college van burgemeester en wethouders of een andere uitkeringsinstantie, dat de werknemer, bedoeld in het eerste of tweede lid, voorafgaande aan de datum van aanvang van de dienstbetrekking recht had op een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of voldoet aan het tweede lid.

4. De werkgever bewaart de verklaring, bedoeld in het derde lid, bij de loonadministratie.”

2.13.

De rechtbank is van oordeel dat vanaf het jaar 2013 ten aanzien van de werknemer recht bestond op de premiekorting. Zoals de inspecteur heeft gesteld, was de doelgroepverklaring niet benodigd voor de jaren 2013 en 2014. Enig ander bewijs dat de werknemer voorafgaand aan de dienstbetrekking recht had op een uitkering zoals genoemd in artikel 47, eerste lid, onderdeel a van de Wfsv was ten aanzien van die jaren voldoende. Niet in geschil is dat aan de voorwaarden van artikel 47, eerste lid, van de Wfsv was voldaan met betrekking tot de werknemer.

2.14.

Gelet op het voorgaande is de periode waarvoor recht bestond op de premiekorting gaan lopen bij aanvang van de eerste dienstbetrekking in 2013. Hieruit volgt dat de rechtbank het standpunt van de inspecteur volgt voor wat betreft de aanvang en tevens de einddatum van de periode waarop recht bestond op de premiekorting.

2.15.

Voor zover belanghebbende betoogt dat er bij opvolgende dienstverbanden een keuzemogelijkheid bestaat voor de periode van toepassing van de premiekorting, verwerpt de rechtbank dit standpunt. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 47 van de Wfsv (in samenhang gelezen met artikel 3.21 van de Regeling Wfsv) volgt dat de werkgever de premiekorting toepast zodra aan de voorwaarden wordt voldaan. Dit is het geval bij de eerste dienstbetrekking. De rechtbank overweegt in dat verband dat het een werkgever bij het aangaan van de eerste dienstbetrekking nog niet bekend is of er eventueel een tweede dienstbetrekking zal volgen.

2.16.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat in het Handboek Loonheffingen 2013 wordt geschreven dat als een werkgever de premiekorting wil toepassen, hij door middel van een verklaring moet kunnen bewijzen dat de werknemer voordat hij in dienst kwam, een van de in artikel 47, eerste lid, onderdeel a van de Wfsv genoemde uitkeringen kreeg. Voor zover belanghebbende hiermee een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, kan dit belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet baten. Zoals in het Handboek Loonheffingen 2013 staat geschreven, dient de werkgever inderdaad te bewijzen dat er recht is op de premiekorting. Dit kan door middel van een verklaring van de uitkeringsinstantie. Dit is gelijk aan het bepaalde in artikel 47 van de Wfsv. In zowel het Handboek Loonheffingen 2013 en in artikel 47 van de Wfsv (zoals deze gold in 2013 en 2014) staat echter niet dat de zogeheten doelgroepverklaring nodig is, enkel dat er een bewijs nodig is en dat dit een verklaring van de uitkeringsinstantie kan zijn.

2.17.

Gelet op het voorgaande is het gelijk aan de inspecteur met betrekking tot de periode waarvoor recht is op premiekorting voor de werknemer. De naheffingsaanslagen zijn derhalve terecht opgelegd.

Verzuimboeten

2.18.

De verzuimboeten zijn opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en met inachtneming van paragraaf 24, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Bij het opleggen van een verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid van belanghebbende. Wel moet bij afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) aan de zijde van belanghebbende het opleggen van de verzuimboete achterwege blijven. In dat verband is echter niets gesteld of gebleken waaruit avas kan volgen.

2.19.

De vervolgvraag is of de boeten passend en geboden zijn, gelet op de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vastgestelde boeten passend en geboden. Feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor matiging van de boete zijn niet gesteld of gebleken. De boetebeschikkingen zijn terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.

2.20.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.21.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 17 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.