Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3017

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4964
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-6-2021
FutD 2021-2111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/4964

uitspraak van 17 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 19 juli 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag € 76.219 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente ten bedrage van € 1.101 (aanslagnummer [aanslagnummer]V.26.0112).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021 te Roermond. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [inspecteur]. Namens belanghebbende heeft haar bestuurder, [naam] telefonisch deelgenomen aan het onderzoek ter zitting.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt de inspecteur op een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak van de rechtbank;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2012, is er door de inspecteur om nadere informatie verzocht. De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft op dit verzoek gereageerd. Met dagtekening 27 september 2014 is de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2012 opgelegd, waarbij is afgeweken van de aangifte.

2.2.

Belanghebbendes toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 15 december 2014 verzocht om een betalingsregeling voor de aanslag. In de betreffende brief staat, voor zover relevant:

Reeds eerder hebben wij met u over de aanslag gecorrespondeerd. De aanslag zelf was ons én onze cliënt tot het moment van de aanmaning niet bekend, waardoor wij niet eerder in de gelegenheid waren te reageren.’

2.3.

Met dagtekening 8 april 2015 (ontvangen door de inspecteur op 27 mei 2015) heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2018 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2.4.

Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 24 augustus 2018 verzocht om de beslissing op het bezwaar in heroverweging te nemen, omdat in de uitspraak op bezwaar vermeld staat dat bezwaar gemaakt had moeten worden vóór 8 december 2015 en dat dit ook het geval is.

2.5.

Vervolgens heeft de inspecteur een (tweede) uitspraak op bezwaar gedaan, met dagtekening 8 oktober 2019, waarin het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk werd verklaard. Belanghebbendes reactie op deze uitspraak op bezwaar, door de inspecteur ontvangen op 19 november 2019, is door de inspecteur doorgezonden naar de rechtbank als beroepschrift.

Vooraf: ontvankelijkheid beroep

2.6.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.1 Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.2 Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.3

2.7.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 december 20064 geoordeeld dat het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, meebrengt dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent dat een nadere beslissing die de inspecteur - zonder tussenkomst van de rechter - neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld.5

2.8.

De inspecteur heeft twee maal uitspraak op het bezwaar van belanghebbende gedaan. De reactie van belanghebbende op de tweede uitspraak op bezwaar is doorgezonden als beroepschrift. De beroepstermijn van zes weken is echter aangevangen op de dag na die van dagtekening van de eerste uitspraak op bezwaar, omdat tegen een tweede uitspraak op bezwaar geen beroep open staat. Naar het oordeel van de rechtbank had belanghebbendes reactie op de eerste uitspraak op bezwaar naar de rechtbank aangemerkt en doorgezonden moeten worden als beroepschrift. Niet in geschil is dat deze reactie binnen de beroepstermijn is ingediend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroep is ontvankelijk.

Inhoudelijk

2.9.

Tussen partijen is in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

2.10.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraag zes weken.6 Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.7 In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

2.11.

Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de aanslag destijds aan zijn adviseur toegezonden zou moeten zijn en dat de adviseur tijdig bezwaar heeft gemaakt. De inspecteur heeft gesteld – in weerwil van wat in de stelling van belanghebbende besloten ligt – dat de aanslag aan belanghebbende zelf is toegezonden en niet aan zijn toenmalige adviseur. Naar aanleiding van deze stelling van de inspecteur heeft belanghebbende desgevraagd verklaard zich niet te kunnen herinneren de aanslag ontvangen te hebben en deze ook niet in zijn papieren te hebben. De rechtbank vat deze verklaring in samenhang met de eerdere stelling dat de aanslag naar de adviseur moet zijn gezonden op als een betwisting van de ontvangst van de aanslag op het adres van belanghebbende. Daarin ligt een betwisting van de verzending van de aanslag begrepen en derhalve een betwisting van de bekendmaking hiervan.8 Het is aan de inspecteur om de verzending van de aanslag aannemelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de verzending van de aanslag niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat hij de verzending niet onderbouwd heeft aan de hand van een verzendadministratie. Daarmee is niet aannemelijk dat de aanslag bekend is gemaakt op de datum van dagtekening.

2.12.

Belanghebbende is op een later moment bekend geworden met de aanslag. Dat brengt echter niet met zich dat daarmee de aanslag ook op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De bezwaartermijn vangt in dit geval pas aan op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of van een afschrift daarvan. Niet is vast komen te staan dat het aanslagbiljet of een afschrift daarvan belanghebbende of zijn toenmalige gemachtigde bereikt heeft. In de brief van de toenmalige gemachtigde (zie 2.2) staat immers dat de aanslag tot het moment van aanmaning niet bekend was. Uit het dossier valt verder niet af te leiden dat de aanslag of een afschrift daarvan belanghebbende bereikt heeft voordat hij bezwaar heeft gemaakt. Er moet dan van worden uitgegaan dat sprake is van een voor het begin van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift. Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is prematuur.9 Aangezien de aanslag wel reeds tot stand was gekomen, heeft de inspecteur het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.10 Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is dus gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar is vernietigd.

2.13.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad11 dient de rechtbank de zaak bij een onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in beginsel terug te wijzen naar de inspecteur. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen en heeft de inspecteur opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de beroepsfase, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor de beroepsfase die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Uit de door belanghebbende overgelegde nota’s valt dit niet op te maken. De rechtbank ziet tevens geen aanleiding voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat belanghebbende niet tijdig om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft verzocht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 17 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 6:7 van de Awb.

2 Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3 Artikel 6:11 van de Awb.

4 ECLI:NL:HR:2006:AZ3875.

5 Vergelijk Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.

6 Artikel 6:7 van de Awb.

7 Artikel 22j van de AWR.

8 Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, r.o. 2.4.2.

9 Vergelijk Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0194.

10 Artikel 6:10, eerste lid, onderdeel a van de Awb.

11 Vergelijk Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330.