Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3005

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7568 t/m 17_7580
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat in de fiscale procedures ingebrachte stukken van bewijs moeten worden uitgesloten. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende over de jaren 2013 en 2014 niet de vereiste aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting heeft gedaan. De schattingen van de inspecteur zijn niet onredelijk. Dat rechtbank acht de gegevens uit het I&R-systeem bruikbaar voor het bewijs. De voor de jaren 2011 en 2012 opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw en de naheffingsaanslagen OB worden vernietigd omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende inkomen/omzet niet in haar aangiften heeft verantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-6-2021
V-N Vandaag 2021/1569
FutD 2021-2086
NLF 2021/1362
V-N 2021/33.24.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/7568 tot en met 17/7580

uitspraak van 25 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2013 navorderingsaanslagen en voor het jaar 2014 definitieve aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Voor de jaren 2011 tot en met 2015 heeft de inspecteur naheffingsaanslagen omzetbelasting (hierna: OB) opgelegd (hierna gezamenlijk: de aanslagen). Bij alle aanslagen heeft de inspecteur bij gelijktijdige beschikkingen heffings-/belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2017 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2011 tot en met 2013 en de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw over 2014 gehandhaafd. Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 20 oktober 2017 heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen OB over de jaren 2011 tot en met 2015 gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brieven van 23 november 2017, ontvangen bij de rechtbank op 24 november 2017, beroepen ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46 per ingediend beroep voor de IB/PVV en de Zvw en € 168 per ingediend beroep voor de OB.

1.4.

De inspecteur heeft voor alle zaken één verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 4 maart 2020, 13 maart 2020 en 7 januari 2021 nadere stukken ingediend. De inspecteur heeft op 4 januari 2021, op verzoek van de rechtbank, nadere stukken ingediend. Op 13 januari 2021 heeft de inspecteur een pleitnota ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021 te Breda.

Voor een overzicht van de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van die zitting waarvan een afschrift gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak aan partijen is verstuurd.

1.7.

De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd binnen zes weken.

1.8.

Bij brieven met dagtekening 1 maart 2021 en 12 april 2021 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn steeds met zes weken verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met de heer [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot). Samen hebben zij twee dochters. Op naam van belanghebbende staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel een onderneming met de handelsnaam ‘ [onderneming] ’ ingeschreven (hierna: de onderneming). De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de verkoop van hondenpups.

2.2.

Tot 14 februari 2013 was de onderneming gevestigd op het adres [adres 1] te [woonplaats] , zijnde het woonadres van belanghebbende. Vanaf 14 februari 2013 is de onderneming gevestigd op het adres [adres 2] te [woonplaats] .

2.3.

Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, aangiften IB/PVV ingediend voor de jaren 2011 tot en met 2014 naar de volgende belastbare inkomens en bijdrage-inkomens.

2011

2012

2013

2014*

Belastbaar inkomen box 1:

€ 676

€ 0

€ 2.752

€ 366.693

Belastbaar inkomen box 3:

€ 6.581

€ 7.159

€ 6.488

€ 0

Bijdrage-inkomen:

€ 676

€ 0

€ 2.752

€ 366.693

*aangifte ingediend conform bevindingen boekenonderzoek (zie 2.9).

De inspecteur heeft over de jaren 2011 tot en met 2014 de definitieve aanslagen conform de ingediende aangiften opgelegd.

2.4.

Op 6 januari 2016 is onder leiding van de Officier van Justitie een strafrechtelijk onderzoek gestart genaamd [onderzoek] . Op 11 april 2016 heeft, onder leiding van de Officier van Justitie, in de woning van belanghebbende een doorzoeking plaatsgevonden. Onder andere zijn toen administratieve bescheiden en € 187.641,54 aan contant geld in beslag genomen.

2.5.

Op 11 februari 2016 heeft de inspecteur een artikel 55 AWR-verzoek gedaan aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) in verband met de belastingaanslagen ten name van belanghebbende en de echtgenoot over de jaren 2011 tot en met 2015, waarbij specifiek wordt gevraagd om gegevens die zijn geregistreerd met betrekking tot import, export, geboorte, sterfte, aanvoer en afvoer van honden door (onder meer) genoemde personen. De inspecteur heeft van de NVWA een proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 95 801 en dagtekening 4 oktober 2016 ontvangen.

2.6.

Bij brief van 18 mei 2016 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd naar de middelen IB/PVV van belanghebbende en de echtgenoot en OB van de [onderneming] voor de jaren 2011 tot en met 2015.

2.7.

Op 27 mei 2016 heeft de inspecteur een artikel 55 AWR-verzoek gedaan aan de Officier van Justitie om informatie uit het strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende en de echtgenoot te verkrijgen met het oog op de beoordeling van de aangiften 2011 tot en met 2016 van belanghebbende en de echtgenoot.

2.8.

Op 1 juni 2016 heeft de Officier van Justitie (de advocaat van) belanghebbende geïnformeerd over het instellen van een fiscaal strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 69, tweede lid, van de AWR en artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Op 10, 11 en 12 oktober 2016 zijn belanghebbende en de echtgenoot door de politie gehoord in verband met het onjuist doen van aangifte en witwassen. Belanghebbende en de echtgenoot hebben zich beroepen op hun zwijgrecht.

2.9.

De inspecteur heeft het concept controlerapport van het onder 2.6 genoemde boekenonderzoek op 1 november 2016 aan de echtgenoot van belanghebbende overhandigd. In dit rapport heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de onderneming niet wordt gedreven in de vorm van een eenmanszaak, zoals belanghebbende heeft aangegeven, maar dat sprake is van een vennootschap onder firma tussen belanghebbende en de echtgenoot, dat belanghebbende niet alle opbrengsten in haar administratie heeft verantwoord en dat zij meer inkomen moet hebben gehad dan in de ingediende aangiften is verantwoord. In het rapport heeft de inspecteur geconcludeerd dat de administratie niet kan dienen als basis voor de fiscale aangiften, omdat de kasadministratie en de verantwoorde omzet niet juist en/of onvolledig is. In het rapport worden onder meer bevindingen benoemd ter zake van de financiële administratie, alsmede hondenpaspoortregistraties, accounts bij [naam 1] en registraties in het registratiesysteem van de NVWA (hierna: het I&R-systeem). Ook is bij het rapport een vermogensvergelijking gevoegd, waaruit volgt dat in de jaren 2011 en 2015 sprake was van een positief netto privé en in de jaren 2012 tot en met 2014 een negatief netto privé. De inspecteur heeft een theoretische omzetberekening opgesteld,

waarbij hij voor de jaren 2014 en 2015 gebruik heeft gemaakt van een gemiddelde verkoopprijs zoals deze volgt uit de aangetroffen verkoopovereenkomsten. Uit de theoretische omzetberekening volgt dat belanghebbende de volgende bedragen aan omzet niet zou hebben aangegeven.

I&R-registraties

Gemiddelde prijs inclusief OB

Theoretische omzet exclusief OB

Aangegeven omzet

Correctie

2011

Nvt

€ 400.000

€ 62.971

€ 337.029

2012

Nvt

€ 400.000

€ 73.104

€ 326.896

2013*

644

€ 500

€ 366.115

€ 90.322

€ 275.793

2014

1.276

€ 464,73

€ 490.079

€ 77.343

€ 412.736

2015

1.261

€ 494,32

€ 515.155

€ 41.302

€ 473.853

*de registratieplicht is ingevoerd per 1 april 2013. Om die reden zijn registraties vanaf 1 april 2013 bekend (berekende omzet € 266.115). Voor de periode van 1 januari tot en met 31 maart 2013 heeft de inspecteur een schatting van de omzet, gelijk aan de jaren 2011 en 2012, toegepast (€ 100.000).

2.10.

Bij brief van 29 november 2016 heeft belanghebbende op het conceptcontrolerapport gereageerd. Naar aanleiding van die reactie heeft de inspecteur geen aanleiding gezien een vaststellingsovereenkomst te sluiten met belanghebbende of het conceptcontrolerapport te herzien. Op 21 december 2016 heeft de inspecteur het definitieve controlerapport uitgereikt. Op diezelfde datum heeft de inspecteur de naheffings- en navorderingsaanslagen IB/PVV, Zvw en OB over 2011 aan belanghebbende opgelegd. De navorderings-, naheffings- en definitieve aanslagen IB/PVV, Zvw en OB over de overige jaren heeft de inspecteur later opgelegd.

2.11.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen tijdig bezwaar gemaakt. Op 6 april 2017 heeft een eerste hoorgesprek plaatsgevonden. Daarna heeft belanghebbende diverse stukken aan de inspecteur gestuurd. Op 19 september 2017 heeft wederom een hoorgesprek plaatsgehad. In hetgeen is gewisseld in de bezwaarfase heeft de inspecteur geen aanleiding gezien om de aanslagen te verminderen. Hij heeft de bezwaren ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

  1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  2. Is sprake van bevooroordeeld en/of onzorgvuldig handelen dan wel schending van de onschuldpresumptie dan wel moeten bewijsmiddelen buiten beschouwing worden gelaten?

  3. Heeft belanghebbende de vereiste aangiften gedaan?

  4. Zijn de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen opgelegd? Meer specifiek: heeft belanghebbende over de jaren 2011 tot en met 2015 meer inkomsten genoten/omzet behaald dan zij heeft verantwoord? Indien dat zo is, hoeveel meer inkomen/omzet heeft zij behaald?

  5. Is de heffings- en belastingrente terecht en tot de juiste bedragen in rekening gebracht?

Ook heeft belanghebbende verzocht om een (integrale) proceskostenvergoeding en om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen OB over de jaren 2011 tot en met 2015, vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2011 tot en met 2013 en vermindering van de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw over 2014.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.1.

Op grond van artikel 8:42 van de Awb is de inspecteur gehouden om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter toe te sturen. Dit zijn stukken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de (nog) bestaande geschilpunten en die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan, waaronder stukken die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming.

4.2.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur de stukken van het [centrum] (hierna: [centrum] ), meer specifiek het projectplan en diverse verslagen, ten onrechte niet heeft ingebracht als op de zaak betrekking hebbende stukken. Omdat de Belastingdienst convenantpartner is van het [centrum] en aanwezig is geweest bij overleggen over de aanpak behoren die stukken te worden ingebracht, ook voor de waardering en betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen waarop de aanslagen zijn gebaseerd, aldus belanghebbende.

Ook zijn tijdens de doorzoeking op 11 april 2016 gegevensdragers inbeslaggenomen, zoals een computer en mobiele telefoons. De gegevens die daaruit zijn gehaald moeten volgens belanghebbende ook worden ingebracht, omdat zij de inspecteur ter beschikking hebben gestaan.

4.3.

De inspecteur heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat hij de stukken van het [centrum] , meer in het bijzonder het projectplan en verslagen, niet heeft gehad en dat hij deze dus ook niet kan inbrengen. De in het kader van het strafrechtelijk onderzoek inbeslaggenomen gegevensdragers zijn zonder dat er een image van is gemaakt teruggegeven aan belanghebbende. Ook ter zake van die gegevens is ter zitting geloofwaardig verklaard dat die de inspecteur in het fiscale onderzoek niet ter beschikking hebben gestaan. Voor dat geval is de rechtbank van oordeel dat het geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en hoeven die stukken dus niet te worden ingebracht.

Bevooroordeeld/onzorgvuldig handelen, onschuldpresumptie en uitsluiting bewijs

4.4.

Belanghebbende stelt dat de ambtenaren die het fiscale onderzoek hebben uitgevoerd niet onbevooroordeeld zijn geweest vanwege de inclusie en behandeling van belanghebbende in [centrum] -verband en omdat de opsporingsambtenaren en de controleambtenaren dezelfde personen zijn. Ook is met dagtekening 8 maart 2016 door de heer [persoon 1] een proces-verbaal opgemaakt waarin een theoretische omzetberekening is opgenomen terwijl op dat moment nog geen sprake was van een boekenonderzoek of zelfs een doorzoeking bij belanghebbende, omdat dat proces-verbaal is gebruikt voor het verkrijgen van het bevel tot binnentreden. Omdat in het proces-verbaal van 8 maart 2016 onjuiste informatie is opgenomen, die bewust niet is gecontroleerd, is sprake van verwijtbare onzorgvuldigheid. Nu uitermate onzorgvuldig en niet onbevangen naar de diverse onderzoeken is gekeken is sprake van schending van de onschuldpresumptie en daarmee schending van de in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde rechten, ook omdat sprake is van samenhangende procedures wat betreft de strafrechtelijke vervolging en de fiscale zaken. De manier waarop het bewijsmateriaal tot stand is gekomen druist zozeer in tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan ontoelaatbaar moet worden geacht. De stukken die afkomstig zijn uit het strafrechtelijk onderzoek (zoals de processen-verbaal) moeten volgens belanghebbende worden uitgesloten als bewijs in de fiscale zaken. De stukken die in het fiscale onderzoek zijn opgemaakt moeten extra kritisch worden bekeken, aldus belanghebbende.

4.5.

De stelling dat de ambtenaren die betrokken waren bij zowel het strafrechtelijke als het fiscale onderzoek niet onbevooroordeeld zijn geweest acht de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt. Dat voorafgaand aan het fiscale onderzoek op 8 maart 2016 een proces-verbaal is opgesteld door de heer [persoon 1] in het kader van het op dat moment reeds aangevangen strafrechtelijke onderzoek jegens belanghebbende, maakt op zichzelf genomen niet dat sprake is van bevooroordeeld handelen. Dat in dat proces-verbaal bewust onjuiste informatie is opgenomen acht de rechtbank niet aannemelijk. Ook niet wanneer dit in verband wordt gezien met de behandeling van de casus in [centrum] -verband.

Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat in de fiscale procedures ingebrachte stukken van bewijs moeten worden uitgesloten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Met betrekking tot bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, kan in het algemeen niet worden gesproken van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zo de inspecteur van deze bewijsmiddelen gebruikmaakt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat ingevolge de artikelen 47 en volgende van de AWR belastingplichtigen verplicht zijn om desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verschaffen dan wel boeken en andere bescheiden ter inzage te verstrekken. Gebruik van vorenbedoelde bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Vereiste aangifte en hoogte van de aanslagen

4.6.

Op grond van artikel 27e van de AWR dient, kort gezegd, de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de AWR. Vaststaat dat de inspecteur ten aanzien van belanghebbende geen informatiebeschikking heeft genomen. Dat betekent dat omkering en verzwaring van de bewijslast met toepassing van artikel 27e, eerste lid, van de AWR alleen aan de orde kan zijn, als belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.1.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting, verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen, indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn, dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Voorts geldt dat per aangifte (voor ieder tijdvak) moet worden beoordeeld of de vereiste aangifte is gedaan. De bewijslast van dit alles rust op de inspecteur. Hieronder zal de rechtbank per jaar een beoordeling geven.

Met betrekking tot het jaar 2011

4.7.

Voor het jaar 2011 stelt de inspecteur dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan omdat een contante storting van € 7.540 niet in de kasadministratie van de onderneming is verantwoord en omdat uit de, na bezwaar aangepaste, vermogensvergelijking een negatief netto privé volgt van € 37.937.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende over 2011 omzet en inkomen heeft gehad dat zij niet in haar aangiften IB/PVV en OB heeft verantwoord. Uit de vermogensvergelijking zoals deze is opgesteld in het (definitieve) rapport van het boekenonderzoek volgt een positief netto privé van € 27.129, zodat in zoverre hieraan geen bewijs te ontlenen valt dat sprake is van niet aangegeven omzet/inkomen. In de omstandigheid dat in de bezwaarfase, anders dan in het rapport van het boekenonderzoek, wel wordt geconcludeerd tot een negatief netto privé ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.

De enkele contante storting acht de rechtbank niet voldoende voor de stelling dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en ook is niet aannemelijk dat in zoverre sprake is van omzet/inkomen. Ook overigens heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft ingebracht, niet bewezen dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan en dat de vereiste bewustheid bij belanghebbende bestond. Voor zover de inspecteur zou hebben bedoeld te betogen dat de I&R-registraties in latere jaren als bewijs kunnen worden gebruikt dat belanghebbende over het jaar 2011 niet de vereiste aangiften heeft gedaan, verwerpt de rechtbank die stelling.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, alsook de opgelegde naheffingsaanslag OB en de bijbehorende heffingsrentebeschikkingen voor het jaar 2011 vernietigen.

Met betrekking tot 2012

4.9.

De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte over 2012 heeft gedaan, omdat het op grond van de theoretische omzetberekening aannemelijk is dat aanzienlijke bedragen aan omzet niet zijn verantwoord. Ook volgt uit de, na bezwaar aangepaste, vermogensvergelijking een negatief netto privé van € 38.665.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur hiermee, mede gelet op de betwisting hiervan door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende over 2012 omzet en inkomen heeft gehad dat zij niet in haar aangiften IB/PVV en OB heeft verantwoord. Uit de vermogensvergelijking zoals deze is opgesteld in de bezwaarfase volgt een negatief netto privé van € 38.665. Uit de vermogensvergelijking zoals deze is opgenomen in het definitieve rapport van het boekenonderzoek, volgt een negatief netto privé van € 14.125. In de bezwaarfase heeft de inspecteur, anders dan in het definitieve rapport van het boekenonderzoek, de vordering van belanghebbende op beide dochters (€ 20.000) ook aan 2012 toegerekend en de inspecteur heeft het aangetroffen contante geld verdeeld over de onderzochte jaren. De verschuiving van € 14.125 negatief naar € 38.665 negatief wordt voor een groot deel hierdoor veroorzaakt. Als hiermee geen rekening wordt gehouden is sprake van slechts een beperkt negatief netto privé. Verder zorgen de grote verschillen tussen de vermogensvergelijking zoals opgenomen in het definitieve rapport van het boekenonderzoek en de naar aanleiding van de bezwaarfase aangepaste vermogensvergelijking, alsmede de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, voor twijfel bij de rechtbank over de juistheid van de vermogensvergelijking.

Voor zover de inspecteur zou hebben bedoeld te betogen dat de I&R-registraties in latere jaren als bewijs kunnen worden gebruikt voor het jaar 2012, is de rechtbank van oordeel dat het extrapoleren van resultaten over latere jaren niet voldoende is voor het aannemelijk maken dat niet de vereiste aangiften zijn gedaan of dat sprake is van niet aangegeven omzet/inkomen in 2012. De inspecteur heeft geen verder bewijs aangevoerd voor de onderbouwing van zijn stelling dat belanghebbende omzet en inkomen heeft gehad dat niet in haar aangiften IB/PVV en OB is verantwoord. De rechtbank zal de opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw en de naheffingsaanslag OB alsmede de bijbehorende belastingrentebeschikkingen voor het jaar 2012 vernietigen.

Met betrekking tot 2013

4.11.

Voor het jaar 2013 heeft belanghebbende volgens de inspecteur niet de vereiste aangiften gedaan, omdat het op grond van de theoretische omzetberekening aannemelijk is dat aanzienlijke bedragen aan omzet niet zijn verantwoord. Ook volgt uit de, na bezwaar aangepaste, vermogensvergelijking een negatief netto privé van € 52.216.

4.12.

Voor het jaar 2013 heeft de inspecteur voor de theoretische omzetberekening alsmede voor het bewijs dat de vereiste aangifte niet is gedaan, aangesloten bij de registraties zoals deze volgen uit het met ingang van 1 april 2013 ingevoerde I&R-systeem. In het rapport van het boekenonderzoek heeft de inspecteur uiteengezet dat door middel van diverse [naam 1] accounts mutaties in het I&R-systeem zijn geboekt. Van deze [naam 1] accounts is in de administratieve bescheiden, die bij de doorzoeking op 11 april 2016 in beslag zijn genomen, een overzicht aangetroffen. Hierop staan de gebruikersnamen, wachtwoorden en e-mailadressen die bij het betreffende [naam 1] account horen. Een tiental van de opgegeven gebruikers zijn door het onderzoeksteam benaderd en hebben verklaard dat zij geen wetenschap hebben van de inloggegevens bij [naam 1] , dat zij geen hond van het gemelde ras hebben of nooit een nestje hebben gehad en dat hun identiteit zonder toestemming is gebruikt voor deze accounts. Geconstateerd is verder dat alle meldingen via die [naam 1] accounts zijn gedaan vanaf een IP-adres dat toebehoort aan belanghebbende en dat de abonnementskosten voor deze accounts zijn voldaan van de privérekening van belanghebbende. Ook is in de administratie van belanghebbende een reactie op een klachtenbrief aangetroffen die door belanghebbende is ondertekend. In deze reactie wordt aangegeven dat communicatie via e-mail kan geschieden, waarbij het opgegeven e-mailadres het adres is dat volgens het overzicht hoort bij een andere gebruiker.

4.13.

Belanghebbende stelt met betrekking tot het I&R-systeem dat zij voor anderen de registraties heeft gedaan, omdat die anderen niet beschikten over een computer of beperkte computervaardigheden hadden. Ter onderbouwing heeft zij een drietal verklaringen overgelegd.

4.14.

Gelet op het aantal [naam 1] accounts ten name van derden en de verklaringen van die derden zoals gegeven tijdens het boekenonderzoek is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft ingediend. De stelling van belanghebbende dat registraties namens anderen zijn gedaan, strookt niet met de verklaringen van de door het onderzoeksteam bevraagde (tiental) personen. In totaal zijn in de periode 1 april tot en met 31 december 2013 319 pups via de verschillende [naam 1] accounts als afgevoerd gemeld. Rekening houdend met een gemiddelde verkoopprijs per pup van € 500 inclusief OB is de rechtbank van oordeel, dat de volgens de aangifte IB/PVV verschuldigde belasting (€ 0) verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, nu op basis van alleen de [naam 1] accounts al een aanzienlijk bedrag aan omzet (€ 159.500) niet is aangegeven.

Gelet op het aantal betrokken dieren en de hoogte van het niet aangegeven bedrag, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust had moeten zijn, dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

Voor de OB heeft belanghebbende over 2013 kwartaalaangiften ingediend naar de in hoofdstuk 5 van het controlerapport vermelde bedragen. Rekening houdend met hetgeen hierboven is opgenomen is sprake van een bedrag van € 159.500 aan niet aangegeven omzet op jaarbasis. Het bedrag aan niet aangegeven verschuldigde OB per kwartaal is absoluut en relatief beschouwd aanzienlijk. Gelet op de hoogte van de niet aangegeven bedragen en het aantal betrokken dieren is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ook wat betreft de OB ten tijde van het doen van de aangiften wist of zich ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

Dan is de conclusie dat belanghebbende voor het jaar 2013 niet de vereiste aangiften IB/PVV en OB heeft gedaan.

4.15.

Nu vaststaat dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing. Wel dient de inspecteur de aanslagen op een redelijke schatting te laten berusten.

4.16.

De inspecteur heeft het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met een bedrag van € 275.793. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld conform de ingediende aangifte op € 6.488. De inspecteur heeft zijn schatting van het belastbare inkomen uit werk en woning gebaseerd op de registraties die volgen uit het I&R-systeem. Naar aanleiding van de door de NVWA beschikbaar gestelde registraties is 25 kopers gevraagd of zij een pup hebben gekocht bij belanghebbende. De inspecteur heeft van 17 kopers een reactie ontvangen. Uit de ontvangen reacties blijkt dat zij allemaal een pup bij belanghebbende hebben gekocht. Bij 13 reacties was ook een kopie van de verkoopovereenkomst toegevoegd. Omdat de koopovereenkomsten over 2013 ontbreken is voor de inspecteur niet exact vast te stellen of een bepaalde verkoop is verantwoord in de financiële administratie. Gelet op de verkoopdatum van tien van de ontvangen verkoopovereenkomsten heeft de inspecteur wel geconstateerd dat in die gevallen het verkoopbedrag niet is verantwoord. Van de overige drie gevallen heeft de inspecteur niet kunnen vaststellen of de opbrengst in de administratie van belanghebbende is verantwoord. Voor de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 heeft belanghebbende zelf in het I&R-systeem gemeld 325 pups te hebben afgevoerd. Via de [naam 1] accounts die op naam staan van derden, maar die zijn te herleiden naar belanghebbende zijn nog eens 319 pups als afgevoerd gemeld (zie ook 4.14). Voor die periode is de inspecteur er vanuit gegaan dat belanghebbende in totaal 644 pups heeft verkocht tegen een gemiddelde verkoopprijs van € 500 inclusief OB. Omdat met betrekking tot het jaar 2013 geen verkoopovereenkomsten zijn aangetroffen heeft de inspecteur een schatting gemaakt van de gemiddelde verkoopprijs in 2013 met de gemiddelde verkoopprijzen van de jaren 2014 (€ 464,73 inclusief OB) en 2015 (€ 494,32 inclusief OB) als basis. Voor 2014 en 2015 zijn verkoopovereenkomsten aangetroffen met prijzen inclusief omzetbelasting. Voor het eerste kwartaal van 2013 is de inspecteur uitgegaan van een gelijkwaardige omzet aan de jaren 2014 en 2015, derhalve

€ 100.000 per kwartaal (€ 400.000 per jaar). In totaal heeft de inspecteur een omzet van € 366.115 geschat over 2013. Deze uitgangspunten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk of willekeurig. Ook is geen sprake van schending van het zorgvuldigheids- en/of het motiveringsbeginsel.

4.17.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de gegevens uit het I&R-systeem niet kunnen worden gebruikt, omdat uit het I&R-systeem niet kan worden afgeleid wie de eigenaar is van de pup omdat het I&R-systeem slechts houderschap registreert. De in het I&R-systeem geregistreerde aanvoer en afvoer staan niet gelijk aan inkoop en verkoop. Een afmelding (afvoer) betekent niet altijd dat de pup is verkocht, maar slechts dat de pup niet meer bij belanghebbende is. Het I&R-systeem is bedoeld om misstanden tegen te gaan door het bevorderen van een effectieve handhaving van de toepasselijke regelgeving over het welzijn van honden. De in het I&R-systeem opgenomen gegevens zijn niet bedoeld om fiscale controles uit te voeren. Dat heeft ook minister Schouten op 3 oktober 2018 tijdens het algemeen overleg in de Tweede Kamer aangegeven. Ook schrijft voormalige Staatssecretaris van Economische Zaken Van Dam in een brief aan de Tweede Kamer op 17 mei 2017 dat het I&R-systeem onvoldoende betrouwbaar is. Verder is er bij een groot aantal registraties sprake van bemiddeling en dus niet van een aan belanghebbende toekomende verkoopopbrengst, maar slechts van een, veel lagere, bemiddelingsopbrengst. Ook houdt de inspecteur volgens belanghebbende geen rekening met gewijzigde bedrijfsomstandigheden. Voorts voert belanghebbende aan dat het onduidelijk is hoe de gemiddelde verkoopprijs van € 500 inclusief OB tot stand is gekomen, zeker nu de gemiddelden voor de jaren 2014 en 2015 lager zijn.

4.18.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen door haar is aangevoerd niet heeft doen blijken dat de schatting van de inspecteur onredelijk is. Belanghebbende heeft niet aangetoond hoeveel pups daadwerkelijk door haar zijn verkocht in 2013. Ook heeft zij niet aangetoond hoeveel en welke pups als gevolg van bemiddeling via haar zijn verkocht. De overgelegde verklaringen [persoon 2] en [persoon 2] zijn daartoe onvoldoende. Nu belanghebbende geen nadere onderbouwing heeft ingebracht met betrekking tot de door haar gestelde gewijzigde bedrijfsomstandigheden heeft zij ook die stelling niet aangetoond. De navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw en de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2013 blijven dan ook in stand.

Met betrekking tot IB/PVV en Zvw 2014

4.19.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het jaar 2014 geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat belanghebbende haar aangifte IB/PVV heeft ingediend rekening houdend met de conclusies zoals opgenomen in het definitieve rapport van het boekenonderzoek. De definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor 2014 zijn conform de ingediende aangifte, derhalve conform de conclusies in het definitieve rapport van het boekenonderzoek, opgelegd. Belanghebbende stelt echter dat de aangegeven omzet te hoog is, omdat deze is gebaseerd op de theoretische omzetberekening die de inspecteur heeft opgesteld. Nu deze theoretische omzetberekening is gebaseerd op gegevens uit het I&R-systeem en dat systeem daarvoor niet kan worden gebruikt (zie ook de argumenten in 4.17), is belanghebbende van mening dat de aangegeven omzet te hoog is.

4.20.

Uit het I&R-systeem volgt dat in 2014 door belanghebbende 1.239 pups zijn gemeld als ‘afgevoerd’. Via [naam 1] accounts van derden heeft belanghebbende 37 pups in 2014 gemeld als ‘afgevoerd’. In totaal heeft belanghebbende volgens de inspecteur dan ook 1.276 pups verkocht.

De rechtbank acht aannemelijk dat het I&R-systeem een houderschapsregistratie is. Echter, gelet op de vrije bewijsleer mag de inspecteur de registraties in dat systeem gebruiken als bewijs nu uit de administratie van belanghebbende onvoldoende blijkt hoeveel pups zijn verkocht. In het kader van de vraag of de inspecteur er terecht van uit is gegaan dat als een pup in het I&R-systeem is gemeld als ‘afgevoerd’ dan ook sprake is geweest van een verkooptransactie, overweegt de rechtbank het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2016 van de heer [persoon 1] volgt dat uit de door de NVWA beschikbaar gestelde 1.239 I&R-registraties, willekeurig 35 meldingen zijn genomen, waarin een vragenbrief is verstuurd. Door 20 personen is hierop gereageerd, waarbij in alle reacties is bevestigd dat zij een pup bij belanghebbende hebben gekocht. In 11 gevallen is een kopie-verkoopovereenkomst bijgevoegd, waarvan in 8 gevallen kon worden achterhaald dat de verkoopopbrengst niet in de financiële administratie was opgenomen en in 3 gevallen viel dat niet vast te stellen. De ontvangen kopie-verkoopovereenkomsten tonen geheel gelijkenis met de door [onderneming] gebruikte verkoopovereenkomsten. Een vergelijkbaar onderzoek heeft plaatsgevonden voor het jaar 2013 met vergelijkbare resultaten (zie 4.16). Ook in dat jaar werd in alle reacties naar aanleiding van de vragenbrief verklaard dat een pup was gekocht bij [onderneming] . Belanghebbende heeft haar standpunten wat het gebruik van het I&R-systeem en de daarin gedane registraties, met name wat betreft de stelling dat die registraties niet allemaal verkopen betreffen waarvan belanghebbende de volledige verkoopopbrengst toekomt, onvoldoende onderbouwd. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank ervan uit zal gaan dat een afvoer volgens het I&R-systeem heeft geleid tot een verkoop waarbij de opbrengst aan belanghebbende ten goede is gekomen. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat bij de in beslag genomen administratie een overzicht is aangetroffen met de koptekst “Honden gechipt door [naam 2] voor [onderneming] ”. Volgens dit overzicht zijn in de periode 9 mei 2014 tot en met 18 mei 2015 in totaal 787 pups door de heer [naam 2] gechipt voor [onderneming] , terwijl volgens de financiële administratie in de jaren 2014 en 2015 in totaal ‘slechts’ 316 pups zijn verkocht. De facturen en verklaringen die belanghebbende heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat zij ook voor verschillende mensen heeft bemiddeld, doen aan die vaststelling niet af nu niet valt te achterhalen voor wie er is bemiddeld en er geen link is te leggen tussen de registraties in het I&R-systeem en de bemiddelingsgegevens. De voor derden gechipte pups worden voorts in het I&R-systeem op naam van derden geregistreerd.

Met betrekking tot OB 2014 en 2015

4.21.

Voor de naheffingsaanslagen OB 2014 en 2015 is de inspecteur van mening dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft ingediend waardoor sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur stelt dat belanghebbende meer inkomsten heeft genoten dan zij in haar aangiften OB over 2014 en 2015 heeft verantwoord. Gelet op de bedragen aan omzet die volgens de theoretische omzetberekening niet zijn verantwoord is de volgens de aangiften verschuldigde OB verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde OB. Tevens zijn de bedragen die als gevolg van een of meer gebreken in de aangiften niet zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk, aldus de inspecteur.

4.22.

De theoretische omzetberekening waarnaar de inspecteur verwijst is voornamelijk gestoeld op de registraties in het I&R-systeem. Hiervoor (in 4.20) heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur deze registraties mag gebruiken en acht de rechtbank het bewijs ook voldoende voor haar aldaar gegeven oordeel. Gelet daarop is de rechtbank voor de naheffingsaanslagen OB 2014 en 2015 van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft ingediend nu uit de theoretische omzetberekening een omzet en daarmee een verschuldigde omzetbelasting volgt die zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk hoger is dan de door belanghebbende aangegeven omzetbelasting. Ook bewustheid acht de rechtbank aannemelijk. Dan staat vast dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing.

4.23.

Dat ontslaat de inspecteur echter niet van de verplichting om de naheffingsaanslagen OB over 2014 en 2015 op een redelijke schatting te laten berusten. De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen gebaseerd op het aantal volgens het I&R-systeem geregistreerde afvoeren (1.276 en 1.261) maal de gemiddelde verkoopprijs van de aangetroffen verkoopovereenkomsten over de jaren 2014 en 2015 (zijnde € 464,73 en € 494,32). De rechtbank acht dat redelijk en niet willekeurig. Hetgeen belanghebbende hiertegen heeft ingebracht is onvoldoende (zie ook 4.18 en 4.20).

Conclusie

4.24.

De beroepen betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw en de naheffingsaanslagen OB voor de jaren 2011 en 2012 zullen gegrond worden verklaard. De betreffende aanslagen en bijbehorende heffings-/belastingrentebeschikkingen zullen worden vernietigd.

De beroepen betreffende de overige aanslagen (navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2013, de aanslag IB/PVV en Zvw 2014 en de naheffingsaanslagen OB 2013 tot en met 2015) zullen ongegrond worden verklaard.

Overschrijding redelijke termijn

4.25.

Belanghebbende heeft een verzoek gedaan om toekenning van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tussen partijen is niet in geschil dat het oudste bezwaarschrift op 29 december 2016 door de inspecteur is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt op 25 mei 2021 gedaan en dus 53 maanden na indiening van het oudste bezwaarschrift. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Nu er geen reden is om van dit uitgangspunt af te wijken, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 29 maanden.

4.26.

De rechtbank is, gelet op het feit dat de motivering in bezwaar en de gronden in beroep steeds voor alle procedures gezamenlijk zijn ingediend, de inspecteur voor alle zaken IB/PVV gezamenlijk en voor de OB gelijktijdig uitspraken op bezwaar heeft gedaan, de gronden voor alle jaren nagenoeg gelijk zijn en de zaken tegelijk op zitting zijn behandeld, van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken waardoor eenmaal het tarief van € 500 per half jaar termijnoverschrijding wordt toegekend. Belanghebbende heeft dan recht op een vergoeding van immateriële schade van afgerond 5 x € 500 is € 2.500.

4.27.

Voor de verdeling daarvan tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraken op bezwaar op 18 oktober 2017. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 10 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 4 maanden is overschreden. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. De inspecteur dient daarom 4/29e deel van € 2.500 te betalen (€ 345) en de Minister 25/29e deel van € 2.500 (€ 2.155). De rechtbank merkt de Minister in zoverre mede aan als partij in dit geding.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen voor de jaren 2011 en 2012 redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten bestaat aanleiding als sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is sprake als de inspecteur een besluit neemt of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden1. Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden2.

Omdat de theoretische omzetberekening als basis de I&R-registraties heeft en belanghebbende stelt dat zij reeds in de motivering van het bezwaar van 1 maart 2017 heeft bewezen dat afvoer niet gelijk staat aan verkoop en dat de inspecteur desondanks is blijven volharden in zijn beslissing is er volgens belanghebbende sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen alsook van het handhaven van de aanslagen terwijl de inspecteur weet dat deze in een procedure geen stand zullen houden. Voorts blijkt het onzorgvuldig handelen uit het proces-verbaal van 8 maart 2016 dat is opgesteld door de heer [persoon 1] , omdat daarin conclusies zijn opgenomen die niet kloppen en die hij eerst zorgvuldig had moeten onderzoeken.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van een werkelijke kostenvergoeding rechtvaardigen. Over de door belanghebbende aangedragen standpunten heeft de rechtbank hiervoor een oordeel gegeven. Verder behoeft het oordeel omtrent het niet toekennen van een vergoeding voor de werkelijke proceskosten geen nadere motivering. De proceskostenveroordeling zal dan ook worden berekend op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze veroordeling is vastgesteld op € 5.192 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 0,5 punt voor de nadere hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534, een wegingsfactor 2 gelet op de zwaarte van de zaken en factor 1,5 wegens samenhangende zaken). Ook zal de rechtbank de inspecteur gelasten het griffierecht in de betreffende zaken (twee maal € 46 en twee maal € 168) aan belanghebbende te vergoeden.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw en de naheffingsaanslagen OB over de jaren 2011 en 2012 en de bijbehorende beschikkingen heffings-/belastingrente gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, de naheffingsaanslagen OB en de bijbehorende beschikkingen heffings-/belastingrente over de jaren 2011 en 2012;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw en de naheffingsaanslagen OB en de bijbehorende beschikkingen heffings-/belastingrente voor de jaren 2011 en 2012;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 345;

  • -

    veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.155;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 5.192;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende met betrekking tot de gegrond verklaarde beroepen betaalde griffierecht van € 520 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is op 25 mei 2021 gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, voorzitter,

mr. drs. J.H. Bogert en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, in aanwezigheid van

mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 vgl. Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.

2 vgl. Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.