Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:30

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-01-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
AWB- 20_9137
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WET

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/9137 WET

uitspraak van 5 januari 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 21 oktober 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar bezwaarschrift tegen de afwijzing van haar verzoek om planschade op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 21 juli 2018 heeft eiseres het college verzocht om een tegemoetkoming in (plan)schade ten gevolge van onder andere het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]”.

Bij besluit van 6 maart 2020 (primair besluit) heeft het college het verzoek om tegemoetkoming in (plan)schade van eiseres afgewezen.

Bij brief van 11 april 2020 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 15 augustus 2020 heeft eiseres het college medegedeeld dat de wettelijke termijn om te beslissen op het bezwaarschrift is verstreken. Eiseres stelt dat het college in gebreke is gebleven op het bezwaarschrift te beslissen.

Bij brief van 21 oktober 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar door het college.

Het college heeft bij brief van 13 november 2020 de op de procedure betrekking hebbende stukken ingediend. Het college heeft daarbij erkend dat de beslistermijn is overschreden en aangegeven dat indien een hoorzitting aan de orde is, eiseres op 7 december 2020 zal worden gehoord. Bij brief van 10 december 2020 heeft het college daarop aangevuld dat eiseres niet op de uitnodiging voor de hoorzitting van 7 december 2020 heeft gereageerd. Ook op de uitnodiging voor 21 december 2020 is geen reactie van eiseres ontvangen. Eiseres is nu voor de hoorzitting van 11 januari 2021 uitgenodigd.

Eiseres heeft op 27 december 2020 aangegeven dat zij niet voor een hoorzitting van 7 december is uitgenodigd en dat zij bericht heeft ontvangen dat door de verscherpte coronamaatregelen de geplande hoorzitting van 11 januari 2021 geen doorgang zal vinden.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb). Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). In dit geval heeft het college een bezwarenadviescommissie ingesteld, zodat de beslistermijn twaalf weken is na de dag waarop de bezwaartermijn verstreken is (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb).

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij brief van 11 april 2020, ontvangen bij het college op 14 april 2020, tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend. Alhoewel het college hiervan geen mededeling aan eiseres heeft gedaan, is de termijn voor het nemen van het besluit op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb opgeschort geweest van 18 april 2020 (aanvang beslistermijn) tot 11 mei 2020 (datum ontvangst gronden). Het college had dus uiterlijk 3 augustus 2020 moeten beslissen. Deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres het college bij brief van 15 augustus 2020 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken.

Het beroep is kennelijk gegrond.

4. In artikel 4:17 van de Awb is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb).

Het college heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling de dagtekening 15 augustus 2020 heeft en op 18 augustus 2020 bij het college is ontvangen. De rechtbank constateert dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken, en dat het college nog steeds niet op het bezwaarschrift heeft beslist. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.

5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende tijd heeft gehad om een (digitale of telefonische) hoorzitting te organiseren, een advies uit te brengen en een besluit te nemen. De rechtbank zal daarom bepalen dat het college nu binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit moet nemen en verzenden.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het college een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres;

  • -

    draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaar bekend te maken;

  • -

    stelt de door het college verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 5 januari 2021 en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.