Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2967

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5685 tm 20_5687
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-6-2021
FutD 2021-2088
NTFR 2021/2855 met annotatie van MR. H.J. NOORDENBOS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/5685 tot en met 20/5687

Uitspraak van 15 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (België),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

20/5685 en 20/5686

De uitspraken van de inspecteur van 5 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over de jaren 2014 en 2015 opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en de beschikkingen belastingrente.

20/5687

De uitspraak op bezwaar van 24 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2016 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en de beschikking belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, en namens de inspecteur (via skype-verbinding), […] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is in de jaren 2014 tot en met 2016 buitenlands belastingplichtige en inwoner van België.

2.2.

Belanghebbende geniet in die jaren vanuit Nederland een pensioen van de Stichting Pensioenfonds [A] en een pensioen van de Stichting [B] Pensioenfonds. Daarnaast geniet belanghebbende vanuit Nederland in die jaren in totaal € 45.863 aan (lijfrente-)uitkeringen van [C] N.V., [D] N.V., [E] N.V. en [F] N.V. Voor wat betreft de opbouw van de pensioenen en uitkeringen heeft fiscale faciliëring in Nederland plaatsgevonden.

2.3.

Verder geniet belanghebbende vanuit Nederland een pensioen van het ABP. Het betreft een overheidspensioen. De heffing hierover is toegewezen aan België.

Tot slot geniet belanghebbende vanuit Nederland een AOW-uitkering. De heffing over de AOW-uitkering is ook toegewezen aan België.

2.4.

Belanghebbende heeft op 25 juni 2017 over 2014 tot en met 2016 aangifte inkomstenbelasting gedaan als buitenlands belastingplichtige. Hierin heeft hij alleen de AOW-uitkering en het ABP-pensioen aangegeven en voor de AOW-uitkering een objectvrijstelling geclaimd. De aanslagen inkomstenbelasting zijn overeenkomstig de ingediende aangiften opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.687 (in 2014), € 15.706 (in 2015) en € 15.981 (in 2016).

2.5.

Medio 2018 heeft de inspecteur vanuit België informatie ontvangen over de fiscale behandeling in België van de inkomsten van belanghebbende.

2.6.

Vervolgens heeft de inspecteur aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.550 (in 2014), € 61.569 (in 2015) en € 61.664 (in 2016). De inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de lijfrente-uitkeringen, jaarlijks in totaal € 45.863, volledig belastbaar zijn in Nederland omdat deze uitkeringen in België niet tegen het algemene tarief zijn belast maar tegen het forfaitaire tarief voor roerende inkomsten.

2.7.

In België zijn aan belanghebbende voor de onderhavige jaren aanslagen personenbelasting opgelegd. Over de pensioenen is in België personenbelasting geheven naar het algemene tarief. De lijfrente-uitkeringen zijn als roerende inkomsten aangemerkt. Over 3% van de waarde van de verzekeringen is 30% personenbelasting geheven.

2.8.

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Is er sprake van een nieuw feit op grond waarvan de navorderingsaanslagen aan belanghebbende konden worden opgelegd?

2. Heeft Nederland op basis van artikel 18 van het Belastingverdrag met België (hierna: het pensioenartikel) het heffingsrecht over de (lijfrente-)uitkeringen in de jaren 2014 tot en met 2016?

3. Is het vertrouwensbeginsel geschonden?

4. Is tot een juist bedrag belastingrente in rekening gebracht?

2.9.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de door de Belgische fiscale autoriteiten verstrekte informatie medio 2018 op zichzelf een nieuw feit dat in beginsel navordering rechtvaardigt. Immers, de rechtbank acht gelet op de gedingstukken aannemelijk dat de inspecteur vóór het opleggen van de aanslagen niet wist dat de lijfrente-uitkeringen van belanghebbende in België niet tegen het algemene tarief werden belast.

2.10.

De vraag is vervolgens of de inspecteur behoorde te weten dat (i) de lijfrente-uitkeringen in België zo laag belast werden, en dat (ii) ook aan de overige voorwaarden die artikel 18, tweede lid, van het Belastingverdrag met België (het pensioenartikel) aan toewijzing van de heffing van inkomstenbelasting over de lijfrente-uitkeringen aan Nederland stelt, was voldaan.

2.11.

Nu volgens de hoofdregel uit het Belastingverdrag met België lijfrente in de woonstaat (in dit geval dus België) belast wordt en in aanmerking genomen dat uitsluitend onder strikte voorwaarden de heffing ook aan Nederland is toegewezen, mocht de inspecteur ervan uitgaan dat de heffing over de lijfrente aan België was toegewezen. Ook het feit dat het pensioenartikel in het Belastingverdrag met België vanaf 2001 meer mogelijkheden biedt om Nederlandse lijfrenten betaald aan inwoners van België in Nederland te belasten, staat aan navordering niet in de weg. Immers, ook onder het nieuwe verdrag bleef de hoofdregel gelden dat lijfrente-uitkeringen ter heffing aan de woonstaat toegewezen worden en was op voorhand niet aannemelijk dat belanghebbende aan de voorwaarden voldeed waaronder heffing van inkomstenbelasting in Nederland mogelijk was. De inspecteur was niet tot een nader onderzoek gehouden omdat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangiften van belanghebbende juist waren.1 Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

De tweede vraag: het heffingsrecht over de lijfrente-uitkeringen

2.12.

Artikel 18 van het Belastingverdrag met België bepaalt:

“1. a. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, paragraaf 2, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een vroegere dienstbetrekking, alsmede lijfrenten en uitkeringen – al dan niet periodiek – uit pensioensparen, pensioenfondsen en groepsverzekeringen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat, slechts in die Staat belastbaar.

2. Niettegenstaande het bepaalde in paragraaf 1, mag een daar bedoeld inkomstenbestanddeel ook worden belast in de verdragsluitende Staat waaruit dit inkomstenbestanddeel afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat, indien en voor zover:

a. wat betreft inkomstenbestanddelen als bedoeld in paragraaf 1, subparagraaf a, de aanspraak op dat inkomstenbestanddeel in de verdragsluitende Staat waaruit het afkomstig is van belasting is vrijgesteld, dan wel de bijdragen die daarvoor zijn betaald aan het pensioenfonds, pensioenspaarfonds of de vennootschap die het inkomstenbestanddeel verschuldigd is, in het verleden bij het bepalen van het in die Staat belastbare inkomen in aftrek zijn gebracht, dan wel anderszins in het verleden in die Staat in aanmerking zijn gekomen voor fiscale faciliëring; en

b. wat betreft inkomstenbestanddelen als bedoeld in paragraaf 1, subparagrafen a en b, dat inkomstenbestanddeel in de verdragsluitende Staat waarvan de genieter ervan inwoner is niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit niet zelfstandige beroepen, dan wel het brutobedrag van dit inkomstenbestanddeel voor minder dan 90 percent, in de belastingheffing wordt betrokken.

Het vorenstaande is echter uitsluitend van toepassing indien het totale brutobedrag van de inkomstenbestanddelen die op grond van het vorenstaande in de verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn, belastbaar zouden zijn, in het kalenderjaar een bedrag van 25.000 euro te boven gaat.”

2.13.

De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de uitkeringen volgens de opgave van de uitkerende instanties pensioen- en lijfrente-uitkeringen betreffen volgens de Nederlandse wetgeving. Nu de lijfrente-uitkeringen voldoen aan de onder a en b gestelde voorwaarden van het tweede lid van artikel 18 en samen meer bedragen dat € 25.000 zijn deze in Nederland belastbaar. Dat belanghebbende daarbij een onderscheid maakt tussen verschillende typen lijfrentes, maakt dit niet anders. Immers, belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kwalificatie van de uitkeringen zoals de inspecteur heeft gemaakt onjuist is. Het gelijk is aan de inspecteur.

Derde vraag: Vertrouwensbeginsel

2.14.

Belanghebbende stelt dat, ingeval Nederland een heffingsrecht zou hebben, Nederland toch niet zou mogen heffen over de lijfrente-uitkeringen omdat belanghebbende ten aanzien van de genoten uitkeringen een vrijstelling voor de inhouding van loonbelasting heeft ontvangen of een verlenging daarvan heeft gekregen. De rechtbank vat dit verweer op als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

2.15.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is onder meer vereist dat de belastingplichtige alle relevante en juiste gegevens aan de inspecteur heeft verstrekt.2 De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat bij het verzoek om vrijstelling voor de inhouding van loonbelasting niet alle relevante feiten zijn verstrekt, aangezien informatie omtrent de wijze waarop de lijfrente-uitkeringen in België in de belastingheffing zijn betrokken ontbrak. Reeds om die reden kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

Vierde vraag: Is tot een juist bedrag belastingrente in rekening gebracht?

2.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingrente is berekend volgens de toepasselijke wettelijke regels. Belanghebbende betoogt evenwel dat matiging van de in rekening gebrachte belastingrente op haar plaats is omdat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen onvoldoende voortvarend te werk is gegaan en daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.

2.17.

De rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel in het onderhavige geval geen aanleiding geeft tot matiging van de belastingrente. Aan belanghebbende moet worden toegegeven dat er een lange periode zit tussen de reactie van belanghebbende op het informatieverzoek op 14 september 2018 en de reactie van de inspecteur op 19 maart 2019 en in vervolg daarop de brief van 12 juni 2019 en het opleggen van de navorderingsaanslagen op 16 november 2019. Deze enkele omstandigheid is echter onvoldoende om op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel van de juiste wetstoepassing af te wijken. Daarbij is van belang dat de inspecteur, binnen de geldende navorderingsaanslagtermijn, een zekere vrijheid toekomt bij het stellen van prioriteiten.

2.18.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.19.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 15 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082.

2 Hoge Raad 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.