Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2963

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
BRE 20/6060, 20/6061, 20/6165 en 20/6260
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-6-2021
FutD 2021-2087
NLF 2021/1359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/6060, 20/6061, 20/6165 en 20/6260

uitspraak van 17 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [adres] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

  • -

    De uitspraak van de inspecteur van 26 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 176.357 (aanslagnummer [aanslagnummer] ) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente voor een bedrag van € 1.625;

  • -

    De uitspraak van de inspecteur van 17 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 33.007 (aanslagnummer [aanslagnummer] ) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente voor een bedrag van € 37;

  • -

    De uitspraak van de inspecteur van 10 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.537 (aanslagnummer [aanslagnummer] ) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente voor een bedrag van € 94;

  • -

    De uitspraak van de inspecteur van 10 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.893 (aanslagnummer [aanslagnummer] ) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente voor een bedrag van € 58.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde, mr. H.A.J. Kalsbeek, verbonden aan Kerckhoffs Advocaten B.V. te Maastricht, en haar zoon [zoon] , en namens de inspecteur, [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

Vooraf

2.1.

De rechtbank heeft op 25 mei 2021 van belanghebbende en op 1 juni 2021 van de inspecteur nadere stukken ontvangen. Omdat het onderzoek reeds is gesloten op 11 mei 2021 zal de rechtbank deze stukken in haar dossier opnemen maar niet in de beoordeling van het geding betrekken. Voor zover deze stukken als een verzoek om heropening van het vooronderzoek zijn op te vatten, ziet de rechtbank in de stukken daartoe geen aanleiding.

Inhoudelijk

2.2.

Belanghebbende is thans ongehuwd. Belanghebbende was gehuwd met

[ex-partner] . [ex-partner] is op 6 december 2010 overleden. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan de [adres] en staat op dit adres ingeschreven.

2.3.

Belanghebbende staat sinds 1 oktober 1978 ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder de handelsnaam [onderneming] . De activiteiten van belanghebbende betreffen het toepassen van klassieke homeopathie. De activiteiten vinden plaats in de praktijkruimte van belanghebbende, gelegen aan de [adres]

. Tot medio 2006 was de praktijkruimte gelegen aan de [adres] . Na de ingebruikname van [adres] is dit pand verhuurd geweest. Bij notariële akte van 19 april 2016 heeft belanghebbende dit pand geleverd aan haar zoon. De vanaf 2006 tot en met 2013 aangegeven ondernemingsresultaten van de activiteiten van belanghebbende zijn steeds negatief.

2.4.

In de periode 2013 en 2014 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Dit boekenonderzoek heeft geresulteerd in een rapport van 17 november 2014. In dit rapport heeft de inspecteur belanghebbende zijn standpunt meegedeeld dat de activiteiten van

belanghebbende vanaf 1 januari 2014, op basis van de structurele verliezen, niet langer als een bron van inkomen worden aangemerkt.

2.5.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2016 aangiften IB/PVV ingediend op respectievelijk 31 augustus 2015, 31 augustus 2016 en 1 september 2017. In de aangiften heeft belanghebbende, samengevat en voor zover relevant, het volgende aangegeven:

2014

2015

2016

Belastbare winst uit onderneming

-

-13.522

-25.518

Pensioen en AOW

18.407

18.537

18.893

Aftrek eigen woning

-

-

-

Belastbaar inkomen uit werk en woning

18.407

5.015

-6.625

Voordeel uit sparen en beleggen

-

-

6.242

2.6.

Bij aanslag van 16 februari 2017 is de inspecteur afgeweken van de aangifte over belastingjaar 2014. In de aanslag heeft de inspecteur een bedrag aan stakingswinst als volgt in aanmerking genomen:

Stakingswinst

187.293

Stakingsaftrek

-3.630

MKB-winstvrijstelling

-25.713

Belastbare winst uit onderneming

157.950

2.7.

De inspecteur heeft als gevolg van de geconstateerde belastbare winst uit onderneming tevens de aanslag Zvw 2014 opgelegd.

2.8.

Bij aanslagen van 15 maart 2019 en 30 april 2019 is de inspecteur afgeweken van respectievelijk de aangiften IB/PVV 2015 en IB/PVV 2016. In deze aanslagen heeft de inspecteur geen negatieve winst uit onderneming geaccepteerd en het voordeel uit sparen en beleggen over 2016 is op nihil gesteld. Voor het overige zijn deze aanslagen conform de ingediende aangiften opgelegd.

2.9.

Belanghebbende is in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag Zvw 2014 en de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 gehandhaafd en de aanslag IB/PVV 2014 verminderd door de stakingswinst vast te stellen op € 51.959 en de belastbare winst uit onderneming na stakingsaftrek en MKB-winstvrijstelling vast te stellen op € 41.562.

2.10.

In geschil is de vraag of de inspecteur de aanslagen, na uitspraken op bezwaar, naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is ten aanzien van de activiteiten van belanghebbende sprake van een bron van inkomen?

  2. Zo nee, is in de aanslag IB/PVV 2014 terecht en naar het juiste bedrag stakingswinst in aanmerking genomen?

  3. Heeft belanghebbende recht op aftrek in verband met renten van schulden die behoren tot de eigenwoninginschuld?

2.11.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de hoogte van het voordeel uit sparen en beleggen niet langer in geschil is.

Ten aanzien van de eerste en de tweede vraag

2.12.

Om te kunnen spreken van een bron van inkomen is vereist dat belanghebbende met de betreffende activiteiten (i) deelneemt aan het economisch verkeer, (ii) redelijkerwijs voordeel kan verwachten en (iii) dit voordeel beoogt te verwerven.

2.13.

Tussen partijen is alleen in geschil of voldaan wordt aan de eis of redelijkerwijs voordeel te verwachten valt.

2.14.

De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 21 december 2018 overwogen dat er sprake is van een objectieve voordeelsverwachting wanneer met de uitgevoerde activiteiten naar maatschappelijke opvatting redelijkerwijs voordeel kan worden verwacht.1 Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen daarbij licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.2

2.15.

Gelet op de feiten en omstandigheden heeft belanghebbende vanaf 2006 negatieve ondernemingsresultaten aangegeven. In een dergelijke situatie is het van belang om vast te stellen of sprake is van activiteiten in de sfeer van verwerving van inkomsten of van activiteiten die, als voorzienbaar blijvend verliesgevend, in de sfeer van inkomensbesteding moeten worden geplaatst.3 De rechtbank is, gelet op het door de inspecteur voorgestane rechtsgevolg van een staking van de onderneming, van oordeel dat op de inspecteur de bewijslast rust om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting, zoals hier het geval is, aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de activiteiten van belanghebbende niet langer sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.

2.16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de jaren 2014 tot en met 2016 niet langer redelijkerwijs een voordeel uit onderneming mocht verwachten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat vanaf 2006 structureel verliezen zijn aangegeven door belanghebbende (met uitzondering van het jaar 2014 waarin geen resultaat is aangegeven), waarbij de inspecteur onbetwist heeft aangevoerd dat deze situatie doorloopt tot en met 2018. De rechtbank weegt mee dat de omzetten van belanghebbende beperkt zijn terwijl daar hoge kosten tegenover staan. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2014 niet langer redelijkerwijs kan verwachten dat ze naar de toekomst toe een positief (zuiver) voordeel zou gaan behalen. Dat brengt mee dat vanaf 2014 geen sprake meer is van een bron van inkomen.

2.17.

Dat brengt ook mee dat op enig moment (voor de heffing van inkomstenbelasting) sprake is van de staking van de voorheen als onderneming gekwalificeerde activiteiten van belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil is dat de staking op zijn vroegst op 1 januari 2014 heeft plaatsgevonden. Daarnaast is er, naar het oordeel van de rechtbank, geen aanleiding om te oordelen dat de staking pas in de loop van 2014 heeft plaatsgevonden zodat de inspecteur de staking terecht naar de situatie van 1 januari 2014 heeft vastgesteld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het boekenonderzoek is in 2014 afgesloten. Belanghebbende heeft geen onderbouwing gegeven voor haar stelling dat door de inspecteur een toezegging is gedaan dat de activiteiten van belanghebbende tot en met 2014 als bron van inkomen zouden worden geaccepteerd. Het enkele feit dat een rapportage in 2014 is opgeleverd, is daarvoor niet voldoende. In het rapport is juist expliciet aangegeven dat het eventuele opgewekte vertrouwen per 1 januari 2014 is opgezegd.

2.18.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat, indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat geen sprake was van een bron van inkomen, de voor het vaststellen van de stakingswinst gehanteerde boekwaarde en waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken niet in geschil is zodat de inspecteur de stakingswinst terecht en naar het juiste bedrag heeft vastgesteld.

2.19.

Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur terecht op 1 januari 2014 een staking van de onderneming geconstateerd, de stakingswinst naar het juiste bedrag bepaald en voor de jaren 2015 en 2016 terecht geen (negatieve) winst uit onderneming in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de derde vraag

2.20.

Belanghebbende stelt dat in de aanslagen ten onrechte geen rekening is gehouden met haar eigenwoningschuld en de daarop betaalde hypotheekrente. Op belanghebbende rust, aangezien zij deze aftrekpost claimt, de bewijslast dat zij leningen is aangegaan die zijn aangewend voor de verwerving en/of verbouwing van een eigen woning. Belanghebbende stelt in dat kader dat de leningen bij de Rabobank met [leningnummer] en [leningnummer] zijn aan te merken als eigenwoningschuld waarvoor zij recht heeft op hypotheekrenteaftrek. Volgens haar zijn, in het kader van de aankoop van de [adres] , alle bestaande financieringen overgesloten bij de Rabobank. Deze herfinanciering betrof volgens belanghebbende ook de privéleningen van belanghebbende en wijlen haar echtgenote die destijds kwalificeerden als eigenwoningschuld. Na het overlijden van haar echtgenote is deze eigenwoningschuld abusievelijk niet in de aangiften van belanghebbende verwerkt. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze gang van zaken diverse documenten en een notitie van de [adviseur van belanghebbende] overgelegd.

2.21.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de door haar overgelegde gegevens en verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat de leningen kwalificeren als eigenwoningschulden. Niet kan worden vastgesteld of de verkregen financieringen zijn aangewend voor financiering van de verkrijging en/of verbouwing van de eigen woning. Daartoe is de overgelegde informatie te gebrekkig en niet overtuigend genoeg.

Aanslag Zvw

2.22.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag Zvw. Zij heeft hier echter geen afzonderlijke gronden tegen aangevoerd zodat, gelet op het vorenstaande, het beroep hiertegen ongegrond is verklaard.

Beschikkingen belastingrente

2.23.

De beroepen worden mede geacht betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast.

Slotsom

2.24.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van drs L. Mattijssen, griffier, op 17 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390

2 zie Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390.

3 Vgl. Hoge Raad 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8770