Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2939

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6965
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BRP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6965 BRP

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: mr. G.A.P. Avontuur,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 10 april 2019 (primair besluit) heeft het college geweigerd de geboortedatum van eiser in de Basisregistratie Personen (Brp) te wijzigen van [geboortedag] 1978 naar [geboortedag] 1966.

Op 11 juni 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het primaire besluit.

Op 30 juni 2020 heeft het college alsnog op het bezwaar van eiser beslist. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

Eiser heeft op 3 augustus 2020 aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 mei 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser met zijn gemachtigde, en namens het college mr. J. Konings en [aanwezige college].

Eiser heeft op zitting zijn beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift ingetrokken, waarbij hij de rechtbank wel heeft verzocht om het college te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 7 juni 2018 een verzoek ingediend om correctie van zijn geboortedatum in de Brp van [geboortedag] 1978 naar [geboortedag] 1966, onderbouwd met een aantal documenten uit Guinee: een rechterlijke uitspraak, een inschrijving in de burgerlijke stand, een kopie van zijn paspoort en een uittreksel uit het strafregister.

Bij brief van 24 oktober 2018 heeft het college eiser kenbaar gemaakt dat het voornemens is om het verzoek van eiser af te wijzen, omdat de door hem ingeleverde bewijsstukken niet betrouwbaar genoeg zijn om ze te kunnen gebruiken voor de Brp.

Eiser heeft naar aanleiding daarvan zijn zienswijze naar voren gebracht.

Vervolgens heeft het college bij het primaire besluit het verzoek van eiser om correctie van zijn geboortedatum in de Brp afgewezen. Het college heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de door eiser overgelegde documenten geen bewijsstukken zijn waaruit blijkt dat er naar Nederlandse maatstaven behoorlijk onderzoek is gedaan naar de feiten die zijn vastgelegd in de documenten. De documenten voldoen volgens het college daarom niet als brondocument voor de wijziging van de identiteit van eiser in de Brp.

Bij het besluit van 30 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.

2. De rechtbank dient te beoordelen of het college het verzoek van eiser om correctie van zijn geboortedatum in de Brp op goede gronden heeft afgewezen.

3. Eiser voert aan dat de geboortedatum [geboortedag] 1978 in de Brp is opgenomen op basis van een door hem afgelegde Verklaring Onder Ede (VOE), maar dat zijn geboortedatum in werkelijkheid [geboortedag] 1966 is. De VOE is zo afgelegd, omdat hij bij aankomst in Nederland dan nog net minderjarig was en dit zijn kansen op een verblijfsvergunning groter maakte. Hij heeft thans een rechterlijke uitspraak overgelegd waarbij zijn geboortedatum [geboortedag] 1966 is vastgesteld en een paspoort, verstrekt door de Guinese autoriteiten, waarin de geboortedatum [geboortedag] 1966 is opgenomen. Eiser stelt dat beide documenten door Bureau Documenten zijn onderzocht en echt zijn bevonden. Ook is volgens hem niet in geschil dat deze brondocumenten hoger in rang zijn dat de afgelegde VOE. Voorwerp van discussie is volgens hem of deze documenten voldoende zijn om tot wijziging of herstel van zijn identiteit in de Brp te komen. Eiser meent dat dat het geval is.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte ervan uitgaat dat brondocumenten gedateerd moeten zijn voor zijn komst naar Nederland. Hij stelt dat hij geen documenten kan overleggen die gedateerd zijn voor zijn komst naar Nederland, vanwege het ontbreken van een ordentelijke administratie van de burgerlijke stand in het herkomstland. Eiser stelt voorts dat het college de uitspraak van de rechtbank in Guinee ten onrechte inhoudelijk heeft getoetst. Het college heeft volgens eiser bovendien onvoldoende acht geslagen op de feiten en omstandigheden rond het verzoek en de wel voorhanden zijnde documenten.

4. Ingevolge artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) is er een basisregistratie personen. De basisregistratie bevat persoonsgegevens over de ingezetenen van Nederland. De basisregistratie bevat persoonsgegevens over niet-ingezetenen voor zover deze wet daarin voorziet.

Ingevolge artikel 2.2 van de Wet brp geschiedt de inschrijving in de basisregistratie op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.

In artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp is bepaald dat de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, worden ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

  1. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

  2. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

  3. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

  4. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

  5. en verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

In artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp is bepaald dat aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, geen gegevens worden ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

5. Voorop dient te worden gesteld, zoals ook volgt uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), bijvoorbeeld de uitspraken van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:305) en 12 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2704), dat de gegevens in de Brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn.

Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, is een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een ‘lager’ document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het moment van inschrijving in redelijkheid geen ‘hoger’ document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126). Het bewijs dat eenmaal in de Brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de Brp geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet Brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn1.

Het ligt op de weg van de verzoeker om bewijzen over te leggen op basis waarvan de inschrijving in de Brp aangepast kan worden.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat de thans in de Brp geregistreerde geboortedatum van [geboortedag] 1978 is gebaseerd op een VOE die ten overstaan van de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) is afgelegd.

Eiser stelt nu dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. Daarom heeft hij verzocht om correctie van de registratie naar [geboortedag] 1966. Hij heeft hiervoor het formulier ‘correctie Brp’ ingevuld en ingediend. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser een Guinees paspoort overgelegd, waarin de geboortedatum [geboortedag] 1966 is opgenomen, alsmede een rechterlijke uitspraak van 24 april 2018 (La Justice de paix de Koundara) waarin de geboortedatum [geboortedag] 1966 is vastgesteld.

Een paspoort en een rechterlijke uitspraak zijn brondocumenten die hoger in rang zijn als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet brp. Ook dat is tussen partijen niet in geschil.

Desalniettemin heeft het college het paspoort en de rechterlijke uitspraak niet geaccepteerd als onomstotelijk bewijs dat de van eiser in de Brp geregistreerde geboortedatum van [geboortedag] 1978 feitelijk onjuist is.

7. Aan de echtheid van de rechterlijke uitspraak wordt door het college op zich niet getwijfeld. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college heeft gevonden dat de uitspraak geen onomstotelijk bewijs van onjuistheid van de in de Brp geregistreerde geboortedatum bevat, omdat deze geen – naar objectieve maatstaven gemeten – betrouwbare gegevens bevat omtrent de juiste geboortedatum van eiser. Overwogen is dat de uitspraak een ingevuld formulier is, dus zeer summier, dat in de uitspraak slechts persoonsgegevens van de getuigen zijn vermeld zonder hun exacte getuigenissen en dat de uitspraak slechts sec de conclusie van de rechter bevat, zonder vermelding van rechterlijke overwegingen die tot deze conclusie hebben geleid.

Ook de leeftijd van de getuigen heeft in de overwegingen van het college meegespeeld. Overwogen is dat de getuigen (geboren in 1962 en 1963) op het moment van de gestelde geboorte van eiser 3 à 4 jaar oud waren en dat deze nooit uit eerste hand hebben kunnen weten wanneer eiser precies geboren is.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het college niet bevoegd is om de rechterlijke uitspraak inhoudelijk te beoordelen en dat het college enkel vanwege de hogere rang van het brondocument tot correctie van de geboortedatum had moeten overgaan. Uit de memorie van toelichting bij de Wet brp (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, p. 128) volgt dat artikel 2.10, tweede lid, van deze wet onder meer ertoe strekt te voorkomen dat gegevens betreffende de burgerlijke staat in de Brp worden opgenomen, indien bij het tot stand komen van het brondocument naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht elementaire processuele regels niet in acht zijn genomen. Een van de eisen waaraan een buitenlandse rechterlijke uitspraak in dit verband moet voldoen, is dat deze er blijk van moet geven op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens te zijn gebaseerd2.

8. De Guinese rechterlijke uitspraak is gebaseerd op twee getuigenverklaringen: [getuige1], geboren in 1963, en [getuige2], geboren op [geboortedag getuige2] 1962. De Guinese rechter heeft op basis van die getuigenverklaringen bepaald dat [eiser] is geboren op [geboortedag] 1966. De getuigenverklaringen zelf zijn in de uitspraak niet opgenomen en ook niet als bijlage aan de uitspraak gehecht. De uitspraak bevat ook niet de overwegingen die tot de uitspraak hebben geleid. Nog daargelaten of de [eiser], op wie de rechterlijke uitspraak betrekking heeft, dezelfde persoon is als de persoon van eiser, heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom het vindt dat de in de uitspraak vermelde informatie onvoldoende betrouwbaar is om de door eiser gevraagde wijziging van zijn geboortedatum in de Brp door te voeren.

9. In het bestreden besluit is vervolgens terecht overwogen dat de registratie van de geboorte in de registers van de burgerlijke stand van Guinee en de afgifte van het Guinese paspoort zijn gebaseerd op de rechterlijke uitspraak, waardoor ook aan deze documenten geen betekenis kan worden toegekend als bedoeld in de Wet brp.

10. Eisers stelling dat hij een plausibele verklaring heeft gegeven voor de eerder in de VOE opgegeven geboortedatum kan aan het voorgaande niet afdoen. Datzelfde geldt voor zijn stelling dat hij veel ouder oogt en 1978 daarom niet zijn geboortejaar kan zijn.

11. Op basis van het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten om niet over te gaan tot correctie van de van eiser in de Brp geregistreerde geboortedatum.

Het beroep is ongegrond.

12. Vanwege de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Eiser heeft wel recht op een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten in het kader van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift, nu het college aan eiser in elk geval gedeeltelijk is tegemoetgekomen door alsnog een beslissing op zijn bezwaar te nemen. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 267,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser in het kader van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift tot een bedrag van € 267,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 14 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 uitspraak AbRS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2285

2 uitspraak AbRS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2285