Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2938

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 806
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking. Informeel verschoningsrecht en fair-playbeginsel. Integrale proceskostenvergoeding.

Belanghebbende participeert via haar dochtervennootschap in een scheepvaart C.V. om gebruik te maken van de tijdelijke willekeurige afschrijvingsfaciliteit. In het kader van het onderzoek naar de vorming van de fiscale eenheid tussen belanghebbende en haar dochtervennootschap heeft de inspecteur 415 e-mails opgevraagd. Belanghebbende heeft geweigerd inzage te geven, omdat de e-mails volgens haar belastingadviezen betreffen en inzage in de e-mails in strijd is met het informeel verschoningsrecht en het fair play-beginsel. De inspecteur heeft als gevolg van de weigering een informatiebeschikking afgegeven. In het kader van een bespreking tussen partijen zijn uit de 415 opgevraagde e-mails 57 e-mails geselecteerd. Deze e-mails zijn twee maal uitgedraaid, in twee identieke enveloppen gedaan en verzegeld. De inspecteur heeft de bij hem in bezit zijnde verzegelde envelop in de beroepsprocedure ingebracht en gemeld dat het geschil zich beperkt tot de 57 e-mails die zich in de envelop bevinden. Ter zitting is namens belanghebbende alsnog inzage verleend in de 57 e-mails. De rechtbank heeft, conform de conclusie van de inspecteur, geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking. De rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding afgewezen, omdat het de rechtbank niet is gebleken dat de inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd of ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-6-2021
FutD 2021-2003
V-N Vandaag 2021/1544
FutD 2021-2004
NLF 2021/1337
NTFR 2021/2430 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
V-N 2021/33.24.30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer: BRE 19/806

uitspraak van 11 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats 1] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid),

de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 27 februari 2018 aan de gemachtigde van belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) toegezonden in verband met de behandeling van de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 2008, 2009 en 2011 ten name van belanghebbende.

1.2.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 19 maart 2018, door de inspecteur ontvangen op 20 maart 2019, bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 februari 2019 het bezwaar ongegrond verklaard en de informatiebeschikking gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar bij brief van 15 februari 2019, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 345.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Bij het verweerschrift is een verzegelde envelop gevoegd, met een begeleidende brief (zie 2.9 hierna).

1.6.

Vervolgens heeft correspondentie tussen de rechtbank en belanghebbende plaatsgevonden over de envelop. Verder heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop de inspecteur heeft gereageerd bij brief van 31 januari 2020.

1.7.

Op 25 november 2020 heeft een enkelvoudige kamer van de rechtbank een regiezitting gehouden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat op 8 december 2020 aan partijen is gezonden, met een begeleidende brief waarin procesafspraken zijn neergelegd. De behandeling van de zaak is vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

1.8.

Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft na de regiezitting nadere stukken ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (hierna: de gemachtigde), verbonden aan [bedrijf 1] te [plaats 2] en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

De inspecteur heeft voor de vennootschapsbelasting een beschikking fiscale eenheid tussen belanghebbende en haar [dochter] (hierna: de dochter) afgegeven met ingang van 16 december 2011. De dochter is op 28 december 2011 als commanditaire vennoot toegetreden tot een commanditaire vennootschap, via welke vennootschap is geïnvesteerd in een schip.

2.2.

Ter zake van voornoemde investering heeft belanghebbende in de aangifte vennootschapsbelasting 2011 een tijdelijke willekeurige afschrijving toegepast, die leidt tot een verlies in dat jaar.

2.3.

Bij belanghebbende is op 12 juli 2017 een boekenonderzoek gestart. Daarbij is onder meer onderzoek gedaan of belanghebbende de economische eigendom had van de aandelen in de dochter, wat – volgens de inspecteur – van belang is voor de vraag of sprake is van een fiscale eenheid tussen belanghebbende en de dochter. Tijdens dit boekenonderzoek heeft de inspecteur uit de e-mailbox van de controller [persoon] een overzicht opgesteld van e-mails in de periode 2011 tot 12 juli 2017. Dat betrof 21.900 e-mails. Op basis van bij de inspecteur bekende contacten van belanghebbende met betrekking tot de investering in een [CV] , zijn hieruit 415 e-mails geselecteerd die verband daarmee konden houden.

2.4.

Belanghebbende heeft tijdens het boekenonderzoek geweigerd inzage te geven in deze e-mails, daartoe stellende dat deze e-mails belastingadviezen betreffen en de inspecteur daarin geen inzagerecht heeft. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een marginaal toetsingsrecht heeft om te beoordelen of er sprake is van belastingadvies. De inspecteur heeft belanghebbende hierover bericht bij onder meer brief van 16 november 2017, verzonden aan belanghebbende zelf, met daarbij een staatje om welke e-mails het gaat.

2.5.

De inspecteur heeft ter behoud van rechten in november 2017 navorderingsaanslagen over de jaren 2008, 2009 en 2011 opgelegd, waartegen bezwaar is gemaakt. Rond diezelfde tijd zijn compromisbesprekingen gevoerd. Omdat niet tot een compromis is gekomen, heeft de inspecteur bij brief van 15 december 2017 gemeld het boekenonderzoek te hervatten. Bij brief van 21 januari 2018 is het rapport boekenonderzoek toegezonden aan belanghebbende. Bij brief van diezelfde datum, toegezonden en geadresseerd aan de heer [gemachtigde 2] (hierna: [gemachtigde 2] ), verzoekt de inspecteur onder meer alsnog inzage te verlenen in de 415 e-mails. Een rappel is verstuurd bij brief van 8 februari 2018, eveneens toegezonden en geadresseerd aan [gemachtigde 2] .

2.6.

Op 27 februari 2018 heeft de inspecteur de informatiebeschikking gegeven. Deze is toegezonden en geadresseerd aan [gemachtigde 2] . Hierin staat onder andere:

In verband met het behandeling van de bezwaarschriften tegen de aanslagen vennootschapsbelasting 2011,2009 en 2008 t.n.v. [belanghebbende] is u verzocht om inlichtingen en/of (de inhoud van) gegevensdragers die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. U hebt niet aan deze informatieverzoeken voldaan.

Het gaat om de volgende vragen en verzoeken:

- inzage te verlenen in de 415 e-mails welke mogelijk betrekking hebben op de scheepsinvestering.

De inzage in deze 415 e-mails is van belang in verband met de beoordeling van het economisch belang dat [belanghebbende] heeft bij de aandelen in [dochter] en om te beoordelen of er al dan niet sprake is van een vooraf afgesproken verkoopprijs. (…)”

2.7.

Op 30 november 2018 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden waarbij uit deze 415 e-mails, 57 e-mails zijn geselecteerd. Deze 57 e-mails zijn tweemaal uitgedraaid en zijn in twee identieke enveloppen gedaan en verzegeld. Afgesproken is dat één envelop in het bezit van de inspecteur zal blijven en dat één envelop in het bezit van belanghebbende zal blijven.

2.8.

Op 4 februari 2019 heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de informatiebeschikking gehandhaafd. In de uitspraak op bezwaar staat onder andere:

In uw brief van 31 juli 2018 heeft u aangegeven dat u aanvullende stukken ter inzage wilt ontvangen. Deze stukken staan ons niet (allemaal) ter beschikking en zijn in het kader van de beperkte kwestie van de informatiebeschikking wellicht als niet relevant te beschouwen. Daarnaast kan sprake zijn van gewichtige redenen om stukken niet ter inzage te geven op grond van artikel 7:4 lid 6 Awb. Hoewel we menen dat we met de toezending van de stukken op 4 juli 2018 aan artikel 7:4 lid 2 Awb hebben voldaan zullen we desalniettemin zoveel mogelijk de door u gevraagde stukken verstrekken.

2.9.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep in gesteld. De inspecteur heeft de bij hem in bezit zijnde verzegelde envelop toegestuurd aan de rechtbank bij het verweerschrift. In de begeleidende brief wordt daarover het volgende opgemerkt:

“Deze envelop bevat e-mailberichten die door de gemachtigde van belanghebbende zijn aangemerkt als fiscale adviezen die zouden vallen onder het informeel verschoningsrecht, hetzij als stukken die niet hoeven te worden verstrekt omdat het geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.(…) Wij hebben geen kennis genomen van deze stukken en doen nadrukkelijk GEEN beroep op 8:29 Awb voor deze stukken. De basis van het geschil is in de kern de kennisneming van de stukken in deze verzegelde envelop. Nu de inspecteur nadrukkelijk nog geen kennis heeft genomen van de inhoud, conform een eerder gemaakte afspraak met gemachtigde, is deze verzegelde envelop slechts in enkelvoud meegestuurd.

Gemachtigde beschikt reeds over een identieke verzegelde envelop met gelijkluidende inhoud. Gemachtigde beroept zich in feite op geheimhouding met betrekking tot deze stukken. Een soort omgekeerde situatie van 8:29 Awb, nu het niet het bestuursorgaan is wat een beroep doet op geheimhouding doch gemachtigde van belanghebbende.”

2.10.

Tijdens de regiezitting op 25 november 2020 heeft de inspecteur gemeld dat het geschil kan worden beperkt tot de 57 e-mails die in de verzegelde envelop zitten.

2.11.

Na afloop van de regiezitting heeft belanghebbende, voorafgaand aan het geplande onderzoek ter zitting, de inspecteur toestemming gegeven om de 57 e-mails in de verzegelde envelop te bekijken. Tevens heeft belanghebbende de e-mails (grotendeels) ingebracht in de bezwaarprocedure ten aanzien van de navorderingsaanslagen.

2.12.

Tijdens het onderzoek ter zitting is namens belanghebbende de door haar reeds gegeven toestemming aan de inspecteur herhaald. De inspecteur heeft tijdens een onderbreking van de zitting de verzegelde envelop geopend en de e-mails bekeken. De inspecteur heeft daarna gesteld dat de inhoud van de envelop overeenkomt met de hiervoor genoemde lijst van 57 e-mails. Afgesproken is dat een kopie van deze e-mails wordt nagezonden. De inspecteur heeft verklaard dat hiermee aan zijn informatieverzoek is voldaan.

3 Geschil

3.1.

Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de inspecteur om praktische redenen geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de informatiebeschikking. De rechtbank zal aldus beslissen.

3.2.

In geschil is nog de beantwoording van de vragen of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en of belanghebbende recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding.

4 Beoordeling van het geschil

Vergoeding van immateriële schade

4.1.

De door belanghebbende gevraagde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen voor € 1.500. Dit bedrag komt voor 5/16e deel (dus: € 469) voor rekening van de inspecteur, en voor het overige (dus: € 1.031) voor rekening van de Minister, die daarom in zoverre mede is aangemerkt als partij in dit geding. Een en ander is gebaseerd op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad1, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, de datum waarop het eerste bezwaarschrift is ontvangen (20 maart 2018), de datum van de uitspraak op bezwaar (4 februari 2019) en de datum van deze uitspraak.

4.2.

Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente ter zake van het de immateriële schadevergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat zal worden beslist dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de immateriële schadevergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.2

Proceskosten

4.3.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.4.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding van € 148.325,55 omdat de inspecteur tegen beter weten in procedeert en het gedrag van de inspecteur daartoe aanleiding geeft.

4.5.

Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.3 Deze regel sluit niet uit dat ook in andere gevallen – bijvoorbeeld indien het bestuursorgaan ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld – aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit.4

4.6.

Belanghebbende heeft in dit kader acht argumenten aangevoerd:

1. De informatiebeschikking bevatte een onjuiste tenaamstelling;

2. De informatiebeschikking was onvoldoende concreet;

3. De informatiebeschikking zag niet op relevante informatie;

4. De informatiebeschikking had niet genomen mogen worden omdat de bewijslast inzake het punt waarop het informatieverzoek betrekking had al op belanghebbende rust;

5. De informatiebeschikking is gegeven ter onderbouwing van het standpunt van de inspecteur over een nieuw feit en daarvoor is de informatiebeschikking niet bedoeld;

6. De informatiebeschikking is gegeven met het oog op het opleggen van een boete en daarvoor is de informatiebeschikking niet bedoeld;

7. De informatiebeschikking schond het fair play-beginsel;

8. De uitspraak op bezwaar is gedaan zonder dat belanghebbende beschikte over het volledige dossier.

4.7.

Met betrekking tot beantwoording van de vraag of deze argumenten grond zijn om van de forfaitaire regeling voor vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken, oordeelt de rechtbank als volgt. Daarbij verdient opmerking dat de rechtbank zich niet hoeft uit te laten over de juistheid van de argumenten maar deze argumenten slechts hoeft te beoordeling in het licht van de in 4.5 vermelde maatstaf.

Ten aanzien van het eerste argument:

4.8.

De informatiebeschikking is toegezonden en geadresseerd aan [gemachtigde 2] . Nu [gemachtigde 2] gemachtigde van belanghebbende is, wil deze toezending en adressering niet zonder meer betekenen dat de informatiebeschikking is afgegeven aan [gemachtigde 2] als persoon en niet aan (hem in hoedanigheid van gemachtigde van) belanghebbende, ook omdat het informatieverzoek aanvankelijk aan belanghebbende zelf is gedaan (zie 2.4). Het bezwaarschrift duidt er niet op dat de informatiebeschikking wel direct als zodanig is opgevat. De kwestie van de tenaamstelling is wel aan de orde komen tijdens het hoorgesprek. Tijdens dat gesprek hebben de gemachtigden echter vervolgens gemeld dat intrekking van de informatiebeschikking de discussie over de 415 e-mails niet oplost, omdat zij ervan uitgaan dat de inspecteur direct na de intrekking een wel op de juiste naam gestelde beschikking afgeeft en dan weer een bezwaarprocedure volgt.5 Gelet op dit procesverloop, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat de inspecteur op dit punt tegen beter weten in heeft geprocedeerd of ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld.

Ten aanzien van het tweede, derde, vijfde en zesde argument:

4.9.

Gelet op de tekst van de informatiebeschikking en de brief van 16 november 2017 (zie 2.4), acht de rechtbank dat het voor belanghebbende duidelijk was om welke informatie werd verzocht en dat het aannemelijk is dat het doel van de informatiebeschikking was om nadere informatie te verkrijgen voor de beoordeling of belanghebbende het economische eigendom van de aandelen in de dochter had. Die kwestie is van belang voor de belastingheffing van belanghebbende. Het is niet aannemelijk dat aan de informatiebeschikking primair een ander doel ten grondslag lag. De enkele omstandigheid dat de door de inspecteur verlangde informatie mogelijk ook kan dienen ter onderbouwing van de aanwezigheid van een nieuw feit, kan niet tot het oordeel voeren dat de inspecteur zijn in de artikelen 47 en volgende van de AWR gegeven bevoegdheden misbruikt.6

Op basis van de bedoelde vier argumenten kan niet gezegd worden dat de inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd.

Ten aanzien van het vierde argument:

4.10.

Belanghebbende bepleit dat de bewijslast met betrekking tot de economische eigendom-kwestie en het vormen van de fiscale eenheid reeds op belanghebbende rust en als gevolg daarvan kan nimmer tot omkering van de bewijslast worden gekomen. In dat geval mag daarover geen informatiebeschikking worden genomen. Belanghebbende verwijst naar de uitspraken van de Hoge Raad van 3 februari 20067 en van 10 februari 20178.

4.11.

De rechtbank acht dat reeds gelet op de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 27 november 20209 niet gezegd kan worden dat de inspecteur op dit punt tegen beter weten in heeft geprocedeerd.

Ten aanzien van het zevende argument:

4.12.

Belanghebbende bepleit dat de informatiebeschikking in strijd is met het informeel verschoningsrecht en met het fair play-beginsel omdat de informatiebeschikking ziet op belastingadvies. De inspecteur heeft voorts geen marginaal toetsingsrecht om het beroep daarop te toetsen. Tegen beter weten in stelde de inspecteur dat een marginaal toetsingsrecht wel bestaat, aldus belanghebbende.

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat of en zo ja, op welke wijze, een belanghebbende zonder meer mag weigeren informatie te verstrekken met een beroep op het fair play-beginsel en samenhangend of en zo ja, in hoeverre en op welke wijze getoetst mag worden of sprake is van een belastingadvies, nog niet is uitgekristalliseerd.10 Reeds daarom kan niet gezegd worden dat de inspecteur op dit punt tegen beter weten in heeft geprocedeerd of ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de inspecteur deze (rechts)vragen op een zorgvuldige wijze – zie 2.7 en 2.9 – ter beoordeling van de rechtbank heeft willen voorleggen.

Ten aanzien van het achtste argument:

4.14.

Belanghebbende stelt dat het procesdossier pas volledig is aangeleverd na afloop van de bezwaarfase en verwijst naar de paragraaf daarover opgenomen in de uitspraak op bezwaar (zie 2.8). Dat is te laat en door die handelwijze van de inspecteur is wellicht onnodig een proces gestart, aldus belanghebbende.

4.15.

De rechtbank concludeert dat ook indien het procesdossier incompleet was ten tijde van de bezwaarfase, die omstandigheid in dit geval niet meebrengt dat de inspecteur tegen beter weten in de informatiebeschikking heeft gegeven en gehandhaafd. Daarnaast is het laat aanleveren van bepaalde stukken gelet op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder 2, onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de inspecteur ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld.

Conclusie ten aanzien van de proceskosten:

4.16.

De conclusie van de rechtbank is dat uit hetgeen belanghebbende heeft bepleit, ook in onderlinge samenhang bezien, niet valt op te maken dat de inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd of dat de inspecteur ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld. Er is (ook overigens) geen grond om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit.

4.17.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de proceskosten dan ook vaststellen op grond van de forfaitaire bedragen van het Besluit. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 5.332 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor repliek, 1 punt voor het verschijnen ter regiezitting, 0,5 punt voor het indienen van het nadere stuk na de regiezitting, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en voor beide fases wegingsfactor 2 wegens de complexiteit van de zaak). Overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn niet gesteld.

5 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de informatiebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 469;

- veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.031;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 5.332;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345 aan haar vergoedt;

- beslist dat, indien de immateriële schadevergoeding niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2021 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. drs. J.H. Bogert en mr. V.A. Burgers, rechters, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

2 Zie Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.

3 Zie Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.

4 Zie Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.

5 Hoorverslag en de reactie daarop van de gemachtigde; bijlage 28 en 30 bij het verweerschrift.

6 Zie Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1785.

7 Hoge Raad 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.

8 Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130.

9 Rechtbank Noord-Holland 27 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:11279, rov. 26-27.

10 Rechtbank Noord-Holland 27 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:11279, rov. 36-42. Vgl. ook onderdeel 4.1 van de conclusie van A-G Wattel voor HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3140 en vgl. voor het strafrecht bijv. HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048 inzake de wijze van beoordeling of twijfel kan bestaan over de onjuistheid van het standpunt van een verschoningsgerechtigde dat bepaalde stukken onder zijn verschoningsrecht vallen.