Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2893

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7478 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. B. Arabaci,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 23 september 2019 (primair besluit) heeft het UWV eisers loongerelateerde uitkering ingevolge de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 21 november 2019 beëindigd en eiser vanaf die datum in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering.

In het besluit van 22 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 15 april 2021.

Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde en mr. J.W. van Schaik namens het UWV.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met twee weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser is werkzaam geweest als productiemedewerker/machine operator. Voor dat werk is hij per 15 augustus 2008 uitgevallen vanwege rugklachten en psychische klachten. Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het UWV geweigerd per 13 augustus 2011 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen.

Eiser is vervolgens werkzaam geweest als sectieoperator. Voor dat werk is hij per 23 mei 2016 uitgevallen vanwege diverse klachten als gevolg van een auto-ongeval. Bij besluit van 18 april 2018 heeft het UWV aan eiser een WIA-uitkering toegekend met ingang van 21 mei 2018 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 61,92%. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 19 december 2018 heeft het UWV de bezwaren tegen het besluit van 18 april 2018 ongegrond verklaard. Eiser is tegen dat besluit in beroep gegaan bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 1 juli 2019 onder procedurenummer BRE 19/214 WIA heeft deze rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

Bij het primaire besluit heeft het UWV eisers loongerelateerde uitkering per 21 november 2019 beëindigd en eiser vanaf die datum in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met 56,02% in de categorie van 55 en 65% valt op 21 november 2019.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 21 november 2019 heeft vastgesteld op 56,02% en daarom terecht de WIA-uitkering heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid tussen 55 en 65% per 21 november 2019.

3. Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

In het derde lid is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

4. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op een rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

4.1

Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts B&B] heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd. Voorts heeft de verzekeringsarts b&b deelgenomen aan de telefonische hoorzitting op 12 mei 2020 met de gemachtigde van eiser. Blijkens zijn rapportage van 27 mei 2020 is de verzekeringsarts b&b van mening dat de belastbaarheid die is opgesteld door de primaire UWV-arts in stand kan blijven met uitzondering van de beperkende toelichting voor aspect 5.2 ‘zitten tijdens het werk’, die zal worden gerepareerd. In bezwaar ziet Klompjan grotendeels dezelfde argumenten als die eerder zijn aangevoerd in bezwaar, beroep en hoger beroep De gemachtigde vindt dat de klachten worden onderschat, vindt het bizar dat dit niet leidt tot IVA en geeft aan dat hij cliënten kent met minder klachten, die wel een WIA-uitkering krijgen.

Het UWV moet zich echter niet op de klachtenpresentatie van een belanghebbende baseren, maar op het objectiveerbaar medisch substraat: op de aangetoonde diagnoses dus, volgens de verzekeringsarts b&b. Eiser is bekend met een whiplash waarvoor ook nog een letselschadezaak loopt, hij is ook bekend met psychische problemen die worden verwoord als chronische PTSS met een matig depressieve stoornis, een impulsstoornis NAO en een somatische symptoomstoornis.

Omdat in het bezwaar geen nieuwe medische diagnoses of feiten zijn ingebracht heeft de primaire UWV-arts terecht de FML die eerder was opgesteld gehandhaafd, met de toevoeging dat eiser vertreden nodig heeft bij een zittende functie. Dat is in lijn met wat een verzekeringsarts op 19 maart 2018 heeft vermeld bij aspect 5.9.1 afwisseling van houding is nodig. [naam verzekeringsarts B&B] wil de beperkende toelichting bij aspect 5.2.0 dan ook weer vervangen door 5.9.1: eiser heeft afwisseling tijdens het werk nodig, statisch belastende, plek gebonden functies als kassière of lopende bandwerk zijn niet geschikt. De overige beperkingen kunnen volgens [naam verzekeringsarts B&B] in stand blijven.

De beperkingen en de belastbaarheid heeft de verzekeringsarts b&b neergelegd in de FML van 27 mei 2020.

4.2

Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij zichzelf volledig arbeidsongeschikt acht. Zijn beperkingen zijn onderschat. Het bestreden besluit is onzorgvuldig. Eiser heeft een rapportage van psychiater [naam psychiater] van 2 februari 2021 overgelegd, die zijns inziens moet leiden tot volledige arbeidsongeschiktheid.

4.3

Oordeel rechtbank over beroepsgronden

De rechtbank is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op een voldoende zorgvuldig onderzoek. De verzekeringsarts b&b heeft in het kader van de heroverweging het dossier bestudeerd. Uit de rapportages van de verzekeringsarts b&b blijkt dat hij op de hoogte was van de door eiser gestelde klachten, waaronder de psychische klachten.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het UWV de belastbaarheid van eiser, zoals vastgesteld in de FML van 27 mei 2020, heeft overschat. In de door eiser in beroep overgelegde informatie, waaronder de rapportage van psychiater [naam psychiater] van 2 februari 2021, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten aangetroffen om tot een andersluidend oordeel te komen. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 27 mei 2020.

5. Geschiktheid voor de functies

5.1

Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: wikkelaar (nieuw en revisie) (Sbc-code 267053), productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en monteur printplaten (Sbc-code 267050).

5.2

De rechtbank heeft de belasting van de geduide functies vergeleken met de FML en heeft daarbij de toelichting betrokken die is gegeven bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van eiser in deze functies niet wordt overschreden. Daarom zal de rechtbank ervan uitgaan dat de hiervoor genoemde functies aan de schatting ten grondslag mochten worden gelegd.

6. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 56,02%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 21 november 2019 heeft vastgesteld op 56,02%. Eiser is met ingang van die datum terecht in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

7. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.