Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2888

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 7325
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-6-2021
V-N Vandaag 2021/1521
FutD 2021-1986
FutD 2021-1987
NLF 2021/1323
V-N 2021/33.24.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/7325

uitspraak van 9 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Duitsland),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 mei 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.813, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 72 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.66.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , beiden verbonden aan [bedrijf] VOF te [plaats] en ter bijstand vergezeld door [getuige] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende woonde het gehele jaar 2016 in Duitsland.

2.2.

Belanghebbende heeft in 2016 de volgende inkomsten uit Nederland ontvangen:

Loon/uitkering

Loonheffing

[A BV] B.V.

€ 41.608

€ 12.025

[B BV] B.V.

€ 12.000

€ 4.381

Politie

€ 205

€ 102

Totaal

€ 53.813

€ 16.406

2.3.

In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat hij voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Verder heeft hij inkomsten uit eigen woning (aftrek eigen woning) aangegeven voor een bedrag van -/- € 8.795 (huurwaarde eigen woning: € 2.625 en aftrekbare rente: € 11.420). Het verzamelinkomen volgens de aangifte bedraagt € 44.813.

2.4.

De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte. Belanghebbende is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, met als gevolg dat aan belanghebbende geen aftrek eigen woning is verleend. Verder heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met een bedrag van € 205 aan niet aangegeven inkomsten van de Politie.

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur gedeeltelijk aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet gekomen door de lijfrente-uitkering van [B BV] B.V. van € 12.000 niet te belasten, nu het heffingsrecht over dit inkomen is gealloceerd aan Duitsland op basis van het belastingverdrag met Duitsland.1

2.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001, zodat hij niet uit dien hoofde als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt.

2.7.

In geschil is of Nederland gelet op het Unierecht belastingvoordelen moet toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie. In het bijzonder gaat het daarbij om het, al dan niet gedeeltelijk, verlenen van aftrek eigen woning.

2.8.

Belanghebbende beroept zich op de Schumackerdoctrine en stelt in dit kader dat Duitsland als gevolg van zijn geringe inkomen geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Hij heeft daartoe aangevoerd dat indien Duitsland een met Nederland vergelijkbare aftrek eigen woning zou kennen, hij die aftrek in Duitsland niet volledig zou kunnen effectueren gelet op de aldaar geldende belastingvrije som. Belanghebbende stelt verder dat hij ten minste recht zou moeten hebben op aftrek eigen woning naar rato van het inkomen dat in Nederland is belast ten opzichte van het wereldinkomen.

2.9.

De inspecteur bestrijdt het betoog van belanghebbende. Hij stelt dat het Unierecht niet dwingt tot het, al dan niet pro rata, verlenen van persoonlijke tegemoetkomingen in Nederland. Het in Duitsland belastbare inkomen van € 12.000 is zodanig hoog dat in Duitsland rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. De aftrek eigen woning is dan ook terecht niet verleend. Voorts stelt de inspecteur dat in het geval Nederland op grond van het Unierecht toch verplicht is aan belanghebbende de aftrek eigen woning te verlenen, de hoogte daarvan in geschil is nu nog geen rekening is gehouden met het gegeven dat belanghebbende slechts gedeeltelijk eigenaar is van de woning.

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat uit de zogenaamde Schumacker-rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke- en gezinssituatie, in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke- en gezinssituatie.2 In zo’n geval kan het onthouden – door die andere lidstaat (werkstaat) – van de bedoelde belastingvoordelen aan een niet-ingezetene wel discriminatie opleveren. De zojuist vermelde omstandigheden waarin bedoelde uitzondering op de regel zich voordoet, zijn geen harde criteria. In het bijzonder is uit rechtspraak gebleken dat niet steeds een hard criterium is of het grootste deel van het belastbaar inkomen wordt verworven in de betrokken werkstaat.3 Ook als dat laatste niet het geval is, kan onder omstandigheden de werkstaat toch gehouden zijn (gedeeltelijk) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen aan de niet-ingezetene. De nadruk ligt er dan vooral op of de niet-ingezetene weinig inkomsten geniet in zijn woonstaat.4

2.11.

In deze zaak staat de vraag centraal of belanghebbende een zodanig gering inkomen in de woonstaat (hierna: ‘een te gering inkomen’) heeft dat Nederland belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie moet toekennen aan belanghebbende. Van een te gering inkomen is sprake indien de woonstaat belanghebbende niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al het inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken.5 De beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet gebeuren naar maatstaven van de woonstaat.6

2.12.

De bewijslast dat sprake is van een te gering inkomen als hiervoor bedoeld, rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft geen Duitse aangifte en/of aanslag overgelegd en hoewel dit op zijn weg lag, ook overigens geen inzicht verstrekt in de fiscale behandeling in de woonstaat. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met de enkele niet onderbouwde stelling dat gelet op de belastingvrije som in Duitsland er aldaar onvoldoende inkomen resteert om een met Nederland vergelijkbare aftrek eigen woning te effectueren, niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland hem niet, dan wel niet volledig, de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al het inkomen en de persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken. Bij de beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet immers worden uitgegaan van de belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie waarop belanghebbende in de woonstaat aanspraak had kunnen maken (zie 2.11). Voor zover Duitsland geen mogelijkheid kent om negatieve uitgaven in verband met de eigen woning in aftrek te brengen, is sprake van een dispariteit.

2.13.

Voor zover belanghebbende voor een pro rata verdeling een beroep doet op de zaak X oordeelt de rechtbank dat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met de situatie die centraal stond in die zaak. Vast staat immers dat de door belanghebbende ontvangen lijfrente-uitkering van € 12.000, zijnde 22% van zijn wereldinkomen, in Duitsland mag worden belast op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. Daarnaast heeft belanghebbende niet in meer dan één andere lidstaat (dan de woonstaat) belastbaar inkomen genoten. Nu uit de zaak X niet kan worden afgeleid dat een werkstaat in een dergelijk geval een pro rata aftrek moet toestaan, verwerpt de rechtbank belanghebbendes stelling dat hij recht heeft op aftrek eigen woning naar rato van het inkomen dat in Nederland is belast ten opzichte van het wereldinkomen.

2.14.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de inspecteur de aftrek eigen woning terecht niet heeft verleend. Gelet hierop behoeft de subsidiaire stelling van de inspecteur wat betreft de hoogte van de aftrek eigen woning geen behandeling.

2.15.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.16.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, op 9 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Trb. 2012, 123.

2 Vgl. de zaak Schumacker, C279/93, EU:C:1995:31, punten 34 en 36, en HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1722.

3 Vgl. de conclusie van A-G Niessen met nummer ECLI:NL:PHR:2015:2449 en de daarin aangehaalde jurisprudentie, alsmede HvJ 9 februari 2017, zaak X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102.

4 Vgl. de zaak X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 39.

5 Vgl. de zaak X, punt 39.

6 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5786.