Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2887

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 7328 en 20_8863
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-6-2021
FutD 2021-2103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/7328 en 20/8863

uitspraak van 9 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (België),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

- De uitspraak van de inspecteur van 11 juni 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2018 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.955 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.86.01);

- De uitspraak van de inspecteur van 10 september 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beslissing van de inspecteur om de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 niet ambtshalve te verminderen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021 te Roermond. Aldaar is via beeldverbinding gehoord namens de inspecteur, [inspecteur] . Namens belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

Vooraf: betalingsonmacht griffierecht

2.1.

Belanghebbende heeft aangegeven dat hij wegens betalingsonmacht niet in staat is het griffierecht te voldoen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld inzicht te geven in zijn vermogens- en inkomenspositie om te onderbouwen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het griffierecht. De griffier van de rechtbank heeft aan belanghebbende medegedeeld op grond van de verstrekte informatie vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht. De rechtbank ziet geen reden om anders te beslissen en laat het heffen van griffierecht achterwege.

Inhoudelijk

2.2.

Belanghebbende heeft op 5 maart 2019 aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 gedaan. Hij heeft daarbij, voor zover hier van belang, een bedrag van € 5.408 aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking van de Gemeente [gemeente] aangegeven.

2.3.

Belanghebbende heeft naar aanleiding van een procedure bij de rechtbank Limburg in 2018 aanspraak gemaakt op vergoeding van proceskosten door de gemeente [gemeente] van in totaal € 2.505,00. Naar aanleiding van een procedure bij de Centrale Raad van Beroep in 2019 is aan belanghebbende een vergoeding van proceskosten toegekend van € 3.072,00.

2.4.

Bij brief van 16 maart 2019, door de inspecteur ontvangen op 21 maart 2019, heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat hij de gemeente [gemeente] heeft verzocht de jaaropgave voor 2018 aan te passen nu daarbij geen rekening zou zijn gehouden met een zogenoemd negatief inkomen.

2.5.

Uit de door de gemeente [gemeente] op 2 maart 2020 verstrekte toelichting op de berekening van de jaaropgaven volgt dat het totale bedrag dat belanghebbende aan vergoeding van proceskosten heeft ontvangen in de jaren 2018 en 2019 is verrekend met een openstaande vordering van de gemeente [gemeente] op belanghebbende. Dit heeft er voor het jaar 2019 toe geleid dat sprake is van een negatief inkomen van € 2.970,53.

2.6.

Met dagtekening 4 mei 2019 heeft de inspecteur voor het jaar 2018 overeenkomstig de aangifte een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd. Met dagtekening 12 maart 2020 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2018 opgelegd zonder afwijking van de voorlopige aanslag.

2.7.

De brief van de gemachtigde van belanghebbende van 28 april 2020 welke door de inspecteur is ontvangen op 4 mei 2020, is door de inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen de aanslag IB/PVV 2018. De inspecteur heeft het bezwaar vervolgens niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De inspecteur heeft het bezwaar daarnaast in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en de inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaar eveneens afgewezen.

2.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

2.9.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 terecht niet-ontvankelijk verklaard?

  2. Heeft de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen?

Ten aanzien van de eerste vraag

2.10.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken.1 Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.2 In gevallen waarin besluiten zijn bekendgemaakt door toezending van een aanslagbiljet aan de belanghebbende, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de daarin vervatte besluiten zijn bekendgemaakt.3 Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.4 Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.5

2.11.

Belanghebbende stelt dat bepaalde brieven in de periode maart/april 2019 zouden moeten gelden als een bezwaarschrift tegen de aanslag opgelegd op 12 maart 2020. De rechtbank overweegt dat voor zover uit deze brieven al bezwaren van belanghebbende blijken, zowel belanghebbende als zijn gemachtigde in de periode maart/april 2019 niet redelijkerwijs konden menen dat de aanslag al tot stand was gekomen. Gelet hierop kan geen sprake zijn van een voortijdig ingediend bezwaar ten aanzien waarvan niet-ontvankelijkheidsverklaring achterwege had moeten blijven.6

2.12.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bekendmaking van de aanslag IB/PVV 2018 in het onderhavige geval op de voorgeschreven wijze plaatsgevonden door toezending van het aanslagbiljet aan belanghebbende. Door of namens belanghebbende is niet verzocht om correspondentie of om de aanslag of een kopie daarvan toe te zenden aan de gemachtigde. De rechtbank overweegt dat onder die omstandigheden geen wettelijke bepaling de inspecteur verplichtte de aanslag of een kopie daarvan toe te zenden aan de gemachtigde van belanghebbende.7 Voorts betwist belanghebbende de (tijdige) ontvangst van de aanslag niet. De bezwaartermijn is dan ook geëindigd op 23 april 2020. Het als bezwaarschrift aangemerkte stuk van 28 april 2020, welke niet binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen, is dus te laat ingediend.

2.13.

Echter, als de inspecteur onbehoorlijk heeft gehandeld door de gemachtigde niet mee te delen dat hij aan belanghebbende een aanslag heeft opgelegd, kan dat onder bijzondere omstandigheden de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar maken.8 Van dergelijke omstandigheden is in dit geval geen sprake. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring.

Ten aanzien van de tweede vraag

2.14.

Op grond van artikel 9.6, eerste lid, van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 vermindert de inspecteur een belastingaanslag ambtshalve zodra hem is gebleken dat deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Gezien deze bepalingen rust op belanghebbende de last om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit volgt dat de aanslag te hoog is vastgesteld.9

2.15.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt belanghebbende niet in zijn bewijslast. Het enkele gegeven dat uit de jaaropgave voor 2019 een negatief inkomen van € 2.970 volgt, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat het inkomen in de aanslag IB/PVV 2018 te hoog is vastgesteld. Nu de gegevens in de aanslag IB/PVV 2018 aansluiten bij de door de gemeente [gemeente] verstrekte overzichten en ook overigens niet is gebleken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning naar een te hoog bedrag is vastgesteld, heeft de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

2.16.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, op 9 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 6:7 van de Awb.

2 Artikel 22j, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3 Vgl. Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05063, rechtsoverweging 3.2.

4 Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

5 Artikel 6:11 van de Awb.

6 Artikel 6:10, eerste lid, van de Awb.

7 Vgl. Hoge Raad 24 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2769; HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7094 en Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063.

8 Vgl. Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7094.

9 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1080.