Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2877

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
02/147126-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een collega aangerand, die na een teamuitje bij hem bleef slapen. Voorwaardelijk opzet en dwang bewezen geacht. Veroordeling tot een taakstraf van 180 uur en een gevangenisstraf van twee dagen met aftrek van het voorarrest.

Veroordeling in de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/147126-20

vonnis van de meervoudige kamer van 9 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1958 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. R. Joosen, advocaat te Dongen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 mei 2021, waarbij de officier van justitie, mr. G. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

22 november 2019 te Tilburg [slachtoffer] heeft aangerand.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit gepleegd heeft, waarbij hij bewezen acht dat verdachte, terwijl het slachtoffer zich in niet alerte toestand bevond, haar buik, billen, borsten en vagina heeft betast, terwijl hij zichzelf aan het aftrekken was. Hij baseert zich daarbij op de aangifte en op de verklaring van verdachte. Hoewel verdachte ontkent dat hij de vagina heeft betast, acht de officier van justitie ook deze handeling wettig en overtuigend bewezen nu het slachtoffer hierover steeds eenduidig heeft verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van de vereiste dwang tot het dulden van de ontuchtige handelingen. Van zodanig dwingen kan slechts sprake zijn indien verdachte heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in artikel 246 Sr bedoelde handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan en dat het opzet van verdachte daarop was gericht. Verdachte verrichtte zijn handelingen in eerste instantie toen aangeefster nog sliep. Voor de daaropvolgende fase, toen aangeefster wakker was geworden en zich slapende hield, kan niet worden vastgesteld dat het opzet van verdachte mede omvatte dat hij aangeefster, na het wakker worden, tegen haar wil ontuchtige handelingen deed ondergaan. Aangeefster heeft niet aan verdachte duidelijk gemaakt dat zij wakker was. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich ervan bewust was dat aangeefster wakker was of dat hij de kans dat aangeefster wakker was welbewust heeft aanvaard.

Subsidiair verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken van het onderdeel van de tenlastelegging omtrent het aanraken van de vagina van aangeefster, nu hij dit ontkent.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit de aangifte en het informatief zedengesprek volgt dat verdachte op 22 november 2019 in Tilburg ontuchtige handelingen heeft verricht bij aangeefster. Aangeefster werd wakker doordat verdachte tegen haar aan op een bank was gaan liggen. Verdachte heeft zijn armen om haar lichaam gelegd, haar bh en broek losgemaakt en heeft onverhoeds haar buik, billen, borsten en vagina betast, dan wel gestreeld, dan wel erover gewreven, terwijl hij zichzelf aan het aftrekken was.

De aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van verdachte, met uitzondering van het betasten van de vagina van aangeefster. Gelet echter op het feit dat aangeefster hierover én over de overige handelingen steeds gedetailleerd en consistent heeft verklaard, heeft de rechtbank geen enkele aanleiding om aan haar verklaring te twijfelen. Zij zal dan ook uitgaan van de juistheid van de verklaring van aangeefster en acht de tenlastegelegde handelingen wettig en overtuigend bewezen.

Vervolgens is de vraag of het handelen van verdachte juridisch gekwalificeerd kan worden als ontucht in de zin van artikel 246 Sr, waarbij sprake dient te zijn van dwang tot het dulden van ontuchtige handelingen en het opzet van verdachte op de dwang.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij dacht dat aangeefster sliep tijdens de handelingen; hierdoor was er geen sprake was van dwang. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hierover als volgt.

Van een door een feitelijkheid dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft geduld.

Van dulden tegen zijn of haar wil kan geen sprake zijn als het slachtoffer zich niet van de betreffende handeling bewust is. Van een dergelijke bewustheid is geen sprake als het slachtoffer slaapt. In dit geval was aangeefster op enig moment wakker geworden en heeft zij alles bewust meegemaakt, maar vertoonde zij een ‘freeze-reactie’, waardoor zij zich niet heeft verzet.

Van opzettelijk veroorzaken dat het slachtoffer de handelingen tegen zijn of haar wil heeft geduld, kan slechts sprake zijn als de verdachte tenminste welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft geduld. Daarin ligt besloten dat verdachte in deze zaak minstens welbewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat aangeefster wakker was. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Aangeefster en verdachte hadden een soort ‘vader-dochter’ band; een vriendschappelijke, niet-amoureuze relatie. Aangeefster ging de betreffende avond met haar kleren aan op een andere bank dan die van verdachte slapen. Reeds uit die omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte moest weten dat aangeefster niet gediend was van seksuele handelingen door verdachte bij haar.

Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij terugkwam van de WC, aangeefster hoorde zeggen dat zij het koud had. Aangeefster was toen wakker, aldus ook de verdachte. Daarna is hij ongevraagd achter tegen aangeefster aan gaan liggen en heeft een arm om haar lichaam geslagen. De rechtbank leidt uit die feitelijke situatie waarin zij ingeklemd op de bank lag tussen verdachte en de rugleuning - naast de begrijpelijke‘freeze’-reactie - af dat het voor haar ook lastig was om zich aan deze situatie te onttrekken. Verdachte is meteen met de ontuchtige handelingen begonnen, waarbij hij naar eigen zeggen niet wist of aangeefster toen sliep. Het openknopen en naar beneden schuiven van de broek van aangeefster, het door verdachte tegen aangeefster aanrijden, het kreunen en de andere seksuele handelingen beoordeelt de rechtbank - in het licht van de omstandigheid dat aangeefster vlak daarvoor nog wakker was - bovendien niet als handelingen die er toe zouden kunnen leiden dat verdachte er van uit kon gaan dat zij door die handelingen meteen in slaap zou gaan vallen. Temeer niet nu deze handelingen zeker gedurende 15 minuten werden uitgevoerd, en volgens aangeefster zelfs langer. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij, terwijl hij met de handelingen bezig was, wachtte op een ‘nee’, maar dat deze niet kwam. De rechtbank leidt ook hieruit af dat verdachte er vanuit ging dat aangeefster niet in slaap was én dat hij op dat moment wist dat aangeefster deze handelingen ook niet wenste.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zich bewust was van de ontuchtige handelingen, en daardoor dus voorwaardelijk opzet heeft gehad dat zij die handelingen tegen haar wil heeft geduld.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigd bewezen, in die zin dat niet bewezen kan worden dat aangeefster zich in slapende toestand, althans niet in alerte toestand bevond, nu zij immers bewust de handelingen heeft ondergaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 november 2019 te Tilburg, door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande die feitelijkheid en die ontuchtige handelingen hierin dat verdachte:
- naast/tegen die [slachtoffer] op een bank is gaan liggen en
- zijn arm om het lichaam van die [slachtoffer] heeft gelegd en de bh en broek van die [slachtoffer] heeft los gemaakt en
- onverhoeds de buik en de billen en de borsten en vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of gestreeld en/of erover heeft gewreven, terwijl hij zichzelf aan het aftrekken was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uur.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het feit komt, verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft enorme spijt en neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij staat nog steeds open voor slachtoffer-daderbemiddeling, alhoewel daar van de zijde van het slachtoffer geen behoefte aan bestaat. Door het voorval moest verdachte van zijn werkgever vervroegd met pensioen gaan, waardoor hij zijn geplande 40-jarig dienstverband niet kon bereiken en is zijn relatie beëindigd. Verdachte heeft zich onder behandeling laten stellen van de GGZ.

Verdachte is “first offender”. De verdediging acht een voorwaardelijke (gevangenis)straf niet aangewezen en heeft een taakstraf bepleit.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van aangeefster. Na een teamuitje bleef zij ’s nachts bij verdachte overnachten. Zij hadden een goede collegiale relatie en zij vertrouwde verdachte volledig. Hij gaf haar een soort vadergevoel. Zij kon altijd bij verdachte terecht en hij had altijd een luisterend oor voor haar. Verdachte heeft dat tijdens de zitting ook bevestigd. Verdachte is die nacht op de bank achter tegen haar aan gaan liggen en heeft zijn arm om haar lichaam gelegd en heeft, nadat hij haar bh en broek had losgemaakt, volkomen onverwacht haar buik, billen, borsten en vagina betast, gestreeld, dan wel erover gewreven, terwijl hij zichzelf aan het aftrekken was. Verdachte heeft zijn eigen gevoelens van lust voorop gesteld. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk, temeer nu er zo’n vertrouwensband was tussen verdachte en aangeefster.

Door zo te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden daarvan vaak nog jarenlang last en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van aangeefster en uit haar vordering benadeelde partij blijkt hoe groot de impact van de aanranding op haar is geweest en hoezeer haar vertrouwen in de medemens is beschaamd.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld, en met het over verdachte op 4 mei 2021 uitgebrachte reclasseringsrapport. De reclassering schat het recidiverisico in als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden, nu verdachte in staat is en ervoor openstaat om in een vrijwillig kader de benodigde hulpverlening te ontvangen voor de klachten op het gebied van zijn emotioneel welzijn. Volgens de reclassering zijn er geen zwaarwegende contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf en verdachte acht zich in staat een taakstraf uit te voeren.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gevolgen die het gepleegde feit al voor hem hebben gehad. Verdachte moest van zijn werkgever vervroegd met pensioen en zijn relatie is beëindigd. Hij heeft zelf hulp gezocht bij de GGZ. De rechtbank kan deze omstandigheden slechts in geringe mate verdisconteren in de strafmaat, gezien de ernst van het feit. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte oprecht berouw heeft getoond en geprobeerd heeft een slachtoffer-daderbemiddeling tot stand te brengen.

De rechtbank zal een hogere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf om de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking te brengen, waarbij de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd. De rechtbank zal een taakstraf opleggen van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Daarnaast zal een gevangenisstraf van twee dagen met aftrek van het voorarrest worden opgelegd. Gelet op eerdergenoemde gevolgen die het gepleegde feit reeds voor verdachte hebben gehad, acht de rechtbank een langere gevangenisstraf niet passend en geboden.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert voor dit feit een schadevergoeding van

€ 9.879,30, bestaande uit € 9.000,00 immateriële schade en € 879,30 materiële schade ter zake van telefoonkosten van € 25,00, reiskosten van € 193,15 en verlies van verdienvermogen van € 661,15. Daarnaast vordert zij de wettelijke rente over het gevorderde bedrag, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vergoeding van de proceskosten volgens het liquidatietarief.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade toewijsbaar. Ten aanzien van de materiële schade acht de officier van justitie de telefoonkosten van

€ 25,00 en de reiskosten van € 193,15 toewijsbaar. De schade voor het verlies van verdienvermogen acht de officier van justitie toewijsbaar tot een bedrag van € 242,21.

De totale schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van verdachte in de proceskosten volgens het liquidatietarief.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu vrijspraak is bepleit.

Subsidiair verzoekt de verdediging, gelet op vergelijkbare uitspraken, de immateriële schade fors te matigen. Ten aanzien van de materiële schade acht de verdediging de schade voor het verlies van verdienvermogen onvoldoende onderbouwd om tot toewijzing hiervan over te gaan. Voor het overige refereert de verdediging zich ten aanzien van de materiële schade aan het oordeel van de rechtbank.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de gebeurtenissen in de nacht van 22 november 2019 een enorme impact hebben gehad op het slachtoffer. De rechtbank benadrukt dit omdat de beoordeling van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij een juridische beoordeling is, die onmogelijk ook de mate van die impact volledig tot uitdrukking kan brengen.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is haar schade te vergoeden.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Bij de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij vergelijkbare uitspraken. De rechtbank acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van

€ 4.000,00 en wijst deze voor het overige af.

Ten aanzien van de materiële schade acht de rechtbank de telefoonkosten van € 25,00 en de reiskosten van € 193,15 toewijsbaar. De schadevordering wegens verlies van verdienvermogen acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 243,39, bestaande uit de post [naam] primair’ van € 242,21 en de post ’ [naam] van € 1,18, welke posten vermeld staan op de loonstrook van maart 2021. Het overige deel van de vordering wegens verlies van verdienvermogen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toekennen en zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank veroordeelt verdachte voorts in de proceskosten van de benadeelde partij van € 498,00.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 4.461,54, waarvan € 461,54 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 november 2019 tot aan de dag der voldoening;

- wijst de vordering ten aanzien van de immateriële schade voor het overige af;

- verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade in het overige gedeelte van de vordering van het verlies aan verdienvermogen niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 498,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] € 4.461,54 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf

22 november 2019 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 54 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van de Wetering, voorzitter, mr. D.S.G. Froger en

mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van A.C.M. van der Gaag, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juni 2021.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 22 november 2019 te Tilburg, door geweld of (een) andere
feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handelingen, bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en
die ontuchtige handeling(en) hierin dat verdachte:
- naast/tegen die [slachtoffer] op een bank is gaan liggen, terwijl die [slachtoffer] zich
in slapende toestand, althans niet in alerte toestand bevond en/of
- zijn arm(en) om de buik, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gelegd
en/of de bh en/of broek van die [slachtoffer] heeft los gemaakt en/of
- ( vervolgens) (meermalen) (onverhoeds) de buik en/of de billen en/of de
borst(en)/of vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of gestreeld en/of erover
heeft gewreven, terwijl hij zichzelf aan het aftrekken was;
( art 246 Wetboek van Strafrecht )