Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2873

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6014 PW V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2021 op het verzet van

[naam opposant] , te [plaatsnaam] , opposant.

Procesverloop

Opposant heeft bij brief van 14 april 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2020 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (het college) inzake de afwijzing van zijn aanvraag van 17 mei 2019 om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.

Bij uitspraak van 30 november 2020 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat het griffierecht niet is betaald.

2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.

3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat hij geen inkomen heeft en de administratie van de rechtbank tot verwarring leidt. Hij heeft verschillende brieven in verschillende procedures van verschillende contactpersonen ontvangen.

4. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is opposant, voor het in behandeling nemen van zijn beroepschrift, griffierecht verschuldigd.

De verzetrechter stelt vast dat opposant bij brief van 26 april 2020 heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, omdat hij op dit moment geen inkomen of uitkering heeft.

Opposant heeft door invulling en ondertekening van het formulier voor het aannemen van betalingsonmacht verklaard geen inkomen te genieten en niet over vermogen te beschikken. Vervolgens heeft de rechtbank opposant verzocht om toezending van kopieën van bankafschriften van de bankrekening(en) van opposant en zijn partner over de maanden april tot en met mei 2020. Opposant heeft de rechtbank hierop bericht geen bankrekeningen of bankafschriften te hebben en nogmaals aangegeven geen uitkering te ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens het beroep op betalingsonmacht bij brief van 16 juli 2020 afgewezen, omdat opposant niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet.

Nu opposant door invulling en ondertekening van het formulier heeft verklaard geen inkomen te genieten of over vermogen te beschikken, was hij blijkens de toelichting op het formulier niet gehouden hiervoor bewijsstukken in te dienen. De rechtbank kan bij twijfel aan de juistheid van het formulier echter wel nadere gegevens bij opposant opvragen of de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) verzoeken een inkomensverklaring als bedoeld in artikel 7b van de Wet op de rechtsbijstand af te geven. De rechtbank heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door bij opposant kopieën van de bankafschriften op te vragen. De verzetrechter is echter van oordeel dat nu opposant heeft aangegeven niet te beschikken over een bankrekening, het op de weg van de rechtbank had gelegen om óf bij opposant na te vragen hoe hij in zijn levensonderhoud voorziet óf gebruik te maken van de mogelijkheid om de RvR te verzoeken een inkomensverklaring af te geven.

5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 30 november 2020 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan en opnieuw moet beoordelen of opposant voldoet aan de criteria voor het aannemen van betalingsonmacht. Indien het beroep op betalingsonmacht slaagt, zal de zaak hierna alsnog op een zitting worden behandeld. Ter voorlichting merkt de rechtbank nog op dat ook na verdere behandeling het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, verzetrechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 8 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.