Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2818

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6016 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. C.J. van der Have, advocaat te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 18 november 2020 (primair besluit) heeft college de aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet afgewezen vanwege schending van de inlichtingenplicht.

In het besluit van 20 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 8 oktober 2019.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 23 april 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder] .

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres heeft op 8 oktober 2019 een aanvraag om een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet ingediend bij het college.

Bij brief van 15 oktober 2019 heeft het college aan eiseres een hersteltermijn verleend voor het verstrekken van gegevens, waaronder financiële gegevens, legitimatie en een beschikking onderbewindstelling. Eiseres heeft hierop gegevens verstrekt.

Bij brief van 29 oktober 2019 heeft het college aan eiseres nogmaals een hersteltermijn verleend voor het aanleveren van bewijsstukken. Ook is eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 7 november 2019. Eiseres is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen op het gesprek. Wel heeft zij gegevens verstrekt.

Bij brief van 7 november 2019 heeft het college aan eiseres wederom een hersteltermijn verleend voor het verschijnen voor een gesprek op 11 november 2019 om inlichtingen te verstrekken. Daarbij is ook de beslistermijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag opgeschort.

Op 11 november 2019 heeft het college een gesprek gevoerd met eiseres.

Naar aanleiding van de rapporten van 11 november en 15 november 2019 heeft het college het primaire besluit genomen tot afwijzing van de aanvraag. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Op 23 januari 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Hierna heeft het college het bestreden besluit genomen, waarin het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond is verklaard, het primaire besluit is herroepen en aan eiseres een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande is toegekend met ingang van 8 oktober 2019.

2. Geschil

In geschil is of het college terecht 8 oktober 2019 heeft gehanteerd als ingangsdatum voor de bijstandsuitkering van eiseres.

3. Beroepsgronden

Eiseres stelt in beroep dat zij recht heeft op toekenning van een bijstandsuitkering vanaf
24 augustus 2019. Er zijn bijzondere omstandigheden waardoor bijstandsverlening met terugwerkende kracht wordt gerechtvaardigd. Eiseres heeft zich begin augustus bij het UWV gemeld omdat zij zonder inkomen was komen te zitten. Eiseres wijst erop dat op het aanvraagformulier als de ‘datum van inschrijving’ 24 augustus 2019 is te lezen. Aanvankelijk heeft het UWV bij besluit van 20 september 2019 een WW-uitkering aan eiseres toegekend over de periode van 3 juni 2019 tot en met 2 september 2019. Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft het UWV echter besloten dat eiseres geen recht op een WW-uitkering had, waarna haar aanvraag om bijstand pas is doorgezet naar het college. Dit vormt volgens eiseres een bijzondere omstandigheid.

4. Wettelijk kader

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

5. Beoordeling

5.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 8 oktober 2019 tot en met 18 november 2019.

5.2.1.

In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is vaste rechtspraak. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij/zij niet tijdig een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie (zie de uitspraak van de CRvB van 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:386).

5.2.2.

Eiseres stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht vanaf 24 augustus 2019 rechtvaardigen. Bijzondere omstandigheden bestaan volgens eiseres omdat haar aanvraag om bijstand door besluitvorming van het UWV niet eerder is doorgezet naar het college.

5.2.3.

Het college stelt zich op het standpunt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om met terugwerkende kracht over de periode van 24 augustus 2019 tot en met 7 oktober 2019 een bijstandsuitkering toe te kennen. Het had op de weg van eiseres gelegen om zo snel mogelijk na het besluit van 20 september 2019, waarin stond dat haar recht op een WW-uitkering in ieder geval per 3 september 2019 zou zijn afgelopen, een bijstandsuitkering aan te vragen. Dat eiseres dat pas na 17 dagen heeft gedaan, dient voor haar rekening en risico te blijven.

5.3.

De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de bijstand niet te verlenen met ingang van een eerdere datum dan de datum waarop eiseres zich voor de aanvraag van bijstand heeft gemeld. Op grond van vaste rechtspraak is een afzonderlijke aanvraag vereist voor elke specifieke uitkering (zie de uitspraak van de CRvB van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1984). In dit geval heeft eiseres zich op 8 oktober 2019 gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen. Eiseres was, in ieder geval na kennisname van het besluit van het UWV van 20 september 2019, op de hoogte dat zij slechts recht op een WW-uitkering zou hebben tot 3 september 2019. Eiseres heeft zich echter niet zo spoedig mogelijk na 20 september 2019 gemeld om bijstand aan te vragen. Dit heeft eiseres immers pas op 8 oktober 2019 gedaan. De gemachtigde van eiseres heeft in dit kader ter zitting toegelicht dat in die periode veel onduidelijk was omtrent het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 september 2019 en de WAZO-uitkering die eiseres had aangevraagd bij het UWV, waardoor zij in verwarring was en tijd heeft verloren. De rechtbank overweegt dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van eiseres behoort om tijdig bijstand aan te vragen. De keuze om in plaats daarvan de besluitvorming van het UWV af te wachten komt voor haar rekening en risico. Deze keuze vormt geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in 5.2.1. Mocht eiseres in onzekerheid hebben verkeerd over het juiste moment om zich te melden, dan had zij hierover contact kunnen opnemen met het college, wat zij heeft nagelaten. Tevens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij niet eerder in staat was om zich voor het aanvragen van bijstand te melden (zie de uitspraken van de CRvB van 14 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2511, en van 5 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4215).

6. De rechtbank zal daarom het beroep ongegrond verklaren. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 3 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.