Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2814

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_10116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

TOZO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/10116 TOZO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] (eiser) en [naam eiseres] (eiseres), te [plaatsnaam] , eisers

gemachtigde: mr. C.S. Nguyen,

en

Het dagelijks bestuur van gemeenschappelijke regeling Samenwerking de Bevelanden (De Bevelanden), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 3 juli 2020 (het primaire besluit) heeft de Bevelanden eisers’ recht op een uitkering op grond van Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) ingetrokken en de overgemaakte uitkering ter hoogte van € 4.783,26 van hen teruggevorderd.

In het besluit van 3 november 2020 (bestreden besluit) heeft de Bevelanden het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De Bevelanden heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 mei 2021. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van eisers en namens de Bevelanden [naam vertegenwoordiger verweerder] .

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres staat sinds 1 januari 2014 ingeschreven in de Kamer van Koophandel (KvK) met haar eenmanszaak ‘ [naam onderneming] ’. Op 20 mei 2020 hebben eisers een aanvraag ingediend voor inkomensondersteuning op grond van de Tozo. Bij besluit van 8 juni 2020 heeft de Bevelanden de aanvraag toegewezen. Er is inkomensondersteuning toegekend voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

Bij het primaire besluit heeft de Bevelanden het recht op Tozo ingetrokken. Volgens de Bevelanden is bij de aanvraag niet duidelijk doorgegeven dat er sprake was van maandelijkse inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) ter hoogte van € 3.273,84. Het totale netto-inkomen van eisers in de maanden maart tot en met mei 2020 ligt daarmee boven de inkomensgrens, waardoor er geen recht bestaat op de financiële ondersteuning. De uitbetaalde Tozo ter hoogte van € 4.783,26 wordt daarom van eisers teruggevorderd. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit heeft de Bevelanden het bezwaar ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

2. Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat zij voor de aanvraag veelvuldig contact met de Bevelanden hebben gehad over de vraag of het fiscale of het financiële inkomensbegrip werd gehanteerd voor de Tozo. Zij zijn daar verschillend over geïnformeerd. Bij de aanvraag hebben zij expliciet vermeld dat zij bij het hanteren van een financieel inkomensbegrip niet aan de voorwaarden zouden voldoen. De Tozo is vervolgens toegekend en uitgekeerd maar daarna ingetrokken en teruggevorderd, omdat eisers niet aan het financiële inkomensbegrip voldoen. Volgens eisers is sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Eisers zijn van mening dat het fiscale inkomensbegrip dient te worden gehanteerd en er gekeken moet worden naar de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Daarmee voldoen zij aan de voorwaarden voor de Tozo. Het bezwaar is bovendien ongegrond verklaard omdat eiseres geen ondernemer zou zijn en er is sprake van détournement de pouvoir, omdat dit een andere afwijzingsgrond is dan in het primair besluit. Eiseres wordt al sinds 2013 door de Belastingdienst, Svb en het Zorgkantoor als ondernemer aangemerkt, ter onderbouwing van dit standpunt overlegt zij stukken.

Wettelijk kader

3. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van de Tozo, voor zover van belang, wordt onder zelfstandige in deze regeling verstaan de rechthebbende, bedoeld in artikel 11 van de Participatiewet die achttien jaar of ouder is maar de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die ten minste 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor het bedrijf of zelfstandig beroep.

Op grond van artikel 5 van de Tozo wordt in de verklaring door de aanvrager van algemene bijstand het volgende verklaard en de volgende informatie verstrekt:

a. dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19, voorzien van een toelichting;

b. dat hij voor de kalendermaanden waarover algemene bijstand wordt aangevraagd, verwacht een in aanmerking te nemen inkomen te hebben dat lager is dan de bijstandsnorm; en

c. voor de kalendermaanden waarover algemene bijstand wordt aangevraagd een opgave van het inkomen dat hij heeft verworven of verwacht te gaan verwerven.

Uit artikel 6, eerste lid, van de Tozo volgt dat in afwijking van artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van de wet niet als inkomen in aanmerking wordt genomen:

a. het inkomen van de echtgenoot van de zelfstandige;

b. een teruggave inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting is geheven wordt gesteld op 18 procent van dat inkomen.

Uit paragraaf 2.2 van de Nota van Toelichting (NvT) bij de Tozo (Stb. 2020, 118) blijkt dat het inkomensbegrip op grond van artikel 32 van de Participatiewet als uitgangspunt wordt gehanteerd. Uitsluitend degene met een verwacht (netto) inkomen van ten hoogste 100 procent van de op de zelfstandige van toepassing zijnde bijstandsnorm, heeft recht op algemene bijstand. Overeenkomstig de systematiek van de Participatiewet wordt het recht op en de hoogte van de algemene bijstand op basis van het (verwachte) inkomen per kalendermaand vastgesteld.

Overwegingen

4. Niet gebleken is dat eisers tijdig een machtiging hebben toegezonden waaruit blijkt dat hun gemachtigde gerechtigd is om namens hen deze procedure te voeren. Op 26 april 2021 heeft de rechtbank deze alsnog ontvangen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het beroep inhoudelijk te behandelen en niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres werkzaam is als zelfstandig ondernemer voor haar eenmanszaak ‘ [naam onderneming] ’. Zoals de Bevelanden ter zitting heeft beaamd, is niet in geschil dat zij daarmee aangemerkt kan worden als ondernemer. Voor de verzorging van eiser ontvangt zij inkomsten uit een pgb ter hoogte van € 3.273,84 per maand. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij hiernaast vier klanten had voor wie zij optrad als huishoudelijke hulp, waarmee zij op jaarbasis zo’n € 1.200,- tot € 1.400,- verdiende. Deze inkomsten zijn volgens haar weggevallen door de coronacrisis: zij was te bang dat zij eiser zou besmetten. Volgens eiseres komt zij met haar inkomsten uit het pgb onder het sociaal minimum wanneer het fiscaal inkomensbegrip wordt gehanteerd.

6. Uit de NvT bij de Tozo blijkt dat het inkomensbegrip als bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet bij het vaststellen van het recht op inkomensondersteuning op grond van de Tozo als uitgangspunt wordt gehanteerd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2667) wijkt het inkomensbegrip zoals neergelegd in de Participatiewet af van het fiscale inkomensbegrip. Dat eiseres ondernemer is en de Belastingdienst bij de vaststelling van het (verzamel)inkomen rekening houdt met gemaakte kosten en aftrekposten is dus niet van belang bij de uitleg van het begrip inkomen in de zin van de artikel 32 van de Participatiewet, omdat het om een ander wettelijk inkomensbegrip gaat. De vraag of de inkomsten van eiseres dienen te worden aangemerkt als winst uit onderneming of resultaat uit overig werk in de zin van de Wet IB is daarom evenmin relevant.

7. Het pgb ter hoogte van € 3.273,84 per maand moet naar het oordeel van de rechtbank als het inkomen van eiseres als bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet aangemerkt worden. Eisers stellen zelf ook dat zij in dat geval niet in aanmerking komen voor de Tozo. De gestelde inkomensterugval door de coronacrisis is het geval van eisers ook marginaal; het gaat om ongeveer € 100,- per maand uit de werkzaamheden van eiseres als huishoudelijke hulp. Ter zitting is beaamd dat zij hierdoor niet onder het sociaal minimum komen. Als eisers zouden worden gevolgd in de stelling dat moet worden gekeken naar het fiscale inkomensbegrip voor de Tozo, dan zouden zij een inkomen krijgen boven op hen van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dat is niet de bedoeling van de Tozo, zoals ook blijkt uit de NvT.

8. Ter zitting is het beroep op détournement de pouvoir ingetrokken. Het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Er is immers geen sprake van een aan eisers gedane uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de kant van de Bevelanden, inhoudende dat de uitgekeerde Tozo niet zou worden ingetrokken en teruggevorderd. Eisers hebben bovendien zelf in een e-mail van 7 mei 2020 aan de Bevelanden aangegeven Tozo aan te willen vragen en deze terug te zullen betalen als achteraf zou blijken dat zij toch boven de norm komen met het inkomen van eiseres. Zij wisten daarom dat intrekking en terugvordering van de Tozo aan de orde zou kunnen zijn.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier op 3 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.