Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2767

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3847
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-6-2021
FutD 2021-1920
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 16/3847 en 16/3848

uitspraak van 3 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Duitsland),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 4 mei 2016 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes:

- het tijdvak 1 december 2006 tot en met 30 november 2007 tot een bedrag van € 50.089 (zaaknummer 16/3847);

- het tijdvak 1 december 2007 tot en met 30 november 2008 tot een bedrag van € 87.544 (zaaknummer 16/3848).

Zitting

Het onderzoek ter zitting is ingevolge artikel 8:57, eerste lid, van de Awb achterwege gebleven.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

In een brief met dagtekening 1 april 2021, door de rechtbank ontvangen op 6 april 2021, schrijft de gemachtigde van belanghebbende het volgende, voor zover hier van belang:

1. Feiten en omstandigheden

(…)

In deze zaak hebben we namens onze cliënt het standpunt ingenomen dat [belanghebbende] [rb: de door gemachtigde gebruikte schrijfwijze voor belanghebbende in deze brief] naar aard en organisatie vergelijkbaar is met een niet transparant fonds voor gemene rekening.

Voorts is het standpunt ingenomen dat [belanghebbende] op grond van artikel 56 EG-Verdrag (thans artikel 63 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”)) gerechtigd is tot een teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting aangezien [belanghebbende] objectief vergelijkbaar is met een Nederlands fonds dat de status heeft van een fiscale beleggingsinstelling (“FBI”) als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Op grond van artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965 is een FBI effectief gerechtigd tot een teruggave van de te haren laste ingehouden dividendbelasting en drukt deze dus niet op haar.

(…)

In het arrest d.d. 24 januari 2020 heeft de Hoge Raad overwogen dat een Duits Sondervermögen met slechts één gerechtigde niet vergelijkbaar kan worden geacht met een niet-transparant Nederlands fonds voor gemene rekening.

2 Verzoek

Mede gelet op de recente ontwikkelingen, verzoeken we u graag om een inhoudelijke uitspraak te doen in de onderhavige zaken. De inhoudelijke uitspraak is relevant voor Duitse belastingdoeleinden.”

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting heeft afgewezen, reeds gelet op het volgende. Belanghebbende stelt met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi). Daarvoor is onder meer vereist (i) dat belanghebbende opbrengstgerechtigde is en (ii) dat belanghebbende een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm die in aanmerking komt voor de status van een fbi. Aan deze eisen is niet voldaan.

Belanghebbende heeft (aanvankelijk) aangevoerd dat aan deze eisen wordt voldaan omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een niet-transparant fonds voor gemene rekening. De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 24 januari 2020 echter beslist dat fondsen voor gemene rekening in de zin van artikel 2 van de Wet Vpb 1969 uitsluitend fondsen zijn voor de gemeenschappelijke belegging of andere aanwending van vermogen.1 Niet in geschil is dat belanghebbende een Duits Spezial Sondervermögen met één gerechtigde is. De rechtbank leidt uit de brief van belanghebbende van 1 april 2021 af dat niet geschil is dat, gelet op dit laatste en de beslissing van de Hoge Raad, belanghebbende niet vergelijkbaar is met een (naar Nederlandse maatstaven) niet-transparant fonds voor gemene rekening, althans belanghebbende heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat wel sprake is van gemeenschappelijke belegging.

2.3.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.4.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 3 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

De griffier is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad, 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115.