Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2758

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_4936 en 20_5805
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

VEROR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 20/4936 WET en 20/5805 VEROR

uitspraak van 1 juni 2021 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. A.M. Smetsers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 15 januari 2020 (bestreden besluit I) van het college over de weigering van een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 (hierna: de Hw) voor de woning [adres] te [plaatsnaam] .

Eiseres heeft daarnaast een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van het college van 15 januari 2020 inzake de weigering van een omzettingsvergunning voor de woning [adres 2] te [plaatsnaam] . In het aanvullend bezwaarschrift van 25 maart 2020 heeft eiseres op de voet van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Op 31 maart 2020 heeft het college te kennen gegeven dat hij instemt met deze prorogatie en is het bezwaarschrift doorgezonden ter behandeling als beroepschrift. Daarom zal de weigering van de omzettingsvergunning voor het pand [adres 2] hierna worden aangeduid als bestreden besluit II.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 april 2021.

Eiseres en haar echtgenoot hebben de zitting door middel van beeldbellen bijgewoond, evenals haar gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. S.C.A. Nuijen.

Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.J. Kuijper.

De bespreking van de Bibob-rapportages heeft met gesloten deuren plaatsgevonden.

De uitspraaktermijn is met drie weken verlengd.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Op 5 oktober 2018 heeft eiseres verzocht om een omzettingsvergunning voor het omzetten van de woning [adres] te [plaatsnaam] naar kamerbewoning voor 5 personen.

Bij brief van 19 oktober 2018 heeft het college verzocht om ontbrekende gegevens en bescheiden, waaronder een Bibob-vragenformulier.

Op 14 november 2018 heeft eiseres aanvullende gegevens toegezonden.

Bij besluit van 12 december 2018 (primair besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld omdat niet alle gevraagde gegevens waren overgelegd en de aanvraag onvolledig was.

Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 23 mei 2019 heeft het college – voor zover hier van belang – de bezwaren van eiseres gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Vervolgens is eiseres in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende bescheiden in te dienen.

Op 4 juli 2019 heeft het college aan eiseres kenbaar gemaakt dat het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om advies gevraagd zal worden. Dit advies is op 5 november 2019 aan (de gemachtigde van) eiseres toegezonden alsmede aan de echtgenoot van eiseres, [naam partner eiseres] . Laatstgenoemde heeft enkele strafbare feiten gepleegd en omdat eiseres met hem in een zakelijk samenwerkingsverband staat, is het LBB van oordeel dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Bij besluit van 15 januari 2020 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de LBB, de omzettingsvergunning voor het pand [adres] alsnog geweigerd.

De rechtbank beschouwt de besluiten van 23 mei 2019 en 15 januari 2020 samen als één beslissing op bezwaar (bestreden besluit I).

Op 28 juni 2019 heeft eiseres verzocht om een omzettingsvergunning voor het omzetten van de woning [adres 2] te [plaatsnaam] naar kamerbewoning voor 5 personen.

Bij bestreden besluit II heeft het college, eveneens onder verwijzing naar het advies van de LBB, de omzettingsvergunning voor het pand [adres 2] geweigerd.

Beroepsgronden

2. Eiseres heeft in beroep primair betoogd dat de Huisvestingsverordening Waalwijk 2018 2021 onverbindend is. Volgens eiseres zijn in artikel 2 van deze verordening alle woonruimten binnen de gemeente Waalwijk aangewezen, terwijl niet onderbouwd is dat dit noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onevenredige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat het college onvoldoende grond had om een eigen onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) te doen en/of een advies te vragen van het Landelijk Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (LBB). Verder vindt eiseres dat het advies van het LBB geen deugdelijke basis is om de omzettingsvergunning te weigeren. Er is bovendien sprake van onzorgvuldige informatieverstrekking door het college aan het LBB, aldus eiseres.

Toetsingskader

3.1

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 kan de gemeenteraad uitsluitend bij verordening voor de duur van ten hoogste vier jaar regels geven met betrekking tot:

a. het in gebruik nemen of geven van goedkope woonruimte, en

b. wijzigingen in de bestaande woonruimtevoorraad.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 maakt de gemeenteraad van zijn bevoegdheden op grond van deze wet slechts gebruik indien dat noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte.

3.2

De gemeenteraad van de gemeente Waalwijk heeft de Huisvestingsverordening Waalwijk 2018 – 2021 vastgesteld. De Huisvestingsverordening is op 21 september 2018 in werking getreden.

In artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening is onder meer bepaald dat het verboden is om woningen, woonruimte en gebouwen die woonruimte bevatten, zonder vergunning van het college om te zetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte of te verbouwen tot twee of meer zelfstandige woonruimten.

Op grond van het tweede lid heeft de vergunningplicht betrekking op ‘woningen, woonruimten en gebouwen die woonruimten bevatten gelegen in rustige woonwijken, gemengde gebieden en gronden buiten rustige woonwijken en gemengde gebieden, gelegen in de gemeente Waalwijk’. Uit de toelichting op artikel 2 van de Huisvestingsverordening blijkt dat deze vergunningplicht in beginsel betrekking heeft op alle woonruimte in de gemeente Waalwijk.

Op 26 oktober 2019 is een eerste wijziging van de Huisvestingsverordening in werking getreden. Artikel 2 en de toelichting daarop zijn toen niet veranderd.

Op 13 februari 2021 is de tweede wijziging van de Huisvestingsverordening in werking getreden. Vanaf die datum bepaalt het tweede lid van artikel 2 van de Huisvestings-verordening dat de vergunningplicht betrekking heeft op ‘woningen, woonruimten en gebouwen die woonruimten bevatten met een WOZ-waarde tot en met € 344.500,-’.

3.3

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Huisvestingswet 2014 volgt dat met de vergunningplicht voor het samenvoegen, onttrekken en omzetten van woonruimte wordt voorkomen dat de schaarste op de woningmarkt door verandering in de woonruimte zal toenemen. Gemeenten kunnen in hun huisvestingsverordening een deel van de woonruimtevoorraad afbakenen waarvoor bovenstaande vergunningen nodig zijn. Hierbij geldt dat deze afbakening gericht moet zijn op het voorkomen van schaarste in het goedkope deel van de woningmarkt. Verdringing in de hogere segmenten van de woningmarkt is geen reden voor overheidsingrijpen. Derhalve zal deze regelgeving betrekking moeten hebben op dat deel van de woonruimtevoorraad waar een huisvestingsvergunning voor nodig is. De gemeenteraad zal in de verordening aan moeten geven welke grenzen hij hiervoor wil hanteren.1 Het is niet uitgesloten dat de gemeenteraad de woonruimtevoorraad op het hele grondgebied van de gemeente aanwijst. De noodzaak van de aanwijzing moet onderbouwd worden. De gemeenteraad mag pas van de bevoegdheid tot het instellen van een vergunningplicht gebruikmaken wanneer is voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.2

3.4

Uit het voorgaande volgt dat de gemeenteraad voorafgaand aan het stellen van regels in de Huisvestingsverordening, enerzijds moet onderbouwen dat sprake is van schaarste aan goedkope woonruimte en anderzijds dat de inzet van het instrumentarium van de Huisvestingswet in de concrete situatie geschikt en proportioneel is om de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van die schaarste te bestrijden.

Beoordeling

4.1

De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad van de gemeente Waalwijk in de toelichting op de Huisvestingsverordening niet heeft onderbouwd dat er in de gemeente Waalwijk in 2018 sprake was van schaarste aan goedkope woonruimte.

In de toelichting staat dat in de gemeente Waalwijk goedkope en middeldure woningen aan de woningmarkt werden onttrokken voor de kamerverhuur aan arbeidsmigranten. Dit maakt dat het aanbod aan woonruimte voor de autochtone bevolking afneemt, aldus de gemeenteraad.

De gemeenteraad verwijst in de toelichting naar de Beleidsnotitie arbeidsmigratie gemeente Waalwijk 2018, opgesteld voor Companen.3 Deze notitie borduurt voort op een rapport van Companen van 30 juni 2017 over de huisvesting van bijzondere doelgroepen.4 Uit de notitie blijkt dat er een tekort is van goede en betaalbare verblijfplaatsen voor arbeidsmigranten in de gemeente Waalwijk.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek van Companen niet onderbouwt dat in 2018 schaarste aan goedkope woonruimte bestond of dreigde te ontstaan in de gemeente Waalwijk, omdat teveel goedkope koopwoningen werden omgezet of dreigden te worden omgezet in kamerverhuurpanden voor arbeidsmigranten. De notitie van Companen is ook niet gericht op de woningmarkt in bredere zin, maar heeft alleen betrekking op de woonsituatie van arbeidsmigranten.

Het gaat hier dus om een aanname van de gemeenteraad dat zich op de lokale woningmarkt een bepaalde ontwikkeling voordoet. Er zijn geen objectiveerbare onderliggende gegevens genoemd door de gemeenteraad, waaruit blijkt dat in [plaatsnaam] de goedkope woonruimtes voor inwoners die geen arbeidsmigrant of kamerbewoner zijn, schaars zijn. Uit de toelichting blijkt niet dat onderzoek is gedaan naar het aantal goedkope koopwoningen in [plaatsnaam] en het aantal woningzoekenden voor deze categorie woningen in [plaatsnaam] . Ook de landelijke gegevens van de Nederlandse Coöperatieve Vereniging van Makelaars en Taxateurs in onroerende goederen (NVM) kunnen niet onderbouwen dat er schaarste is van goedkope woonruimte in de gemeente Waalwijk. Er zijn immers regionale verschillen in de vraag naar goedkope woningen in Nederland. Bovendien blijkt uit die cijfers niets over de (ver)huur van goedkope woonruimte in [plaatsnaam] via woningcoöperaties en particuliere verhuurders.

Daarnaast heeft de gemeenteraad niet benoemd en gemotiveerd wat de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten zijn van de veronderstelde schaarste in goedkope woningen. Ook heeft de gemeenteraad op geen enkele wijze gemotiveerd en onderbouwd waarom het in de Huisvestingsverordening opgenomen vergunningstelsel betrekking heeft op alle woningen in de gemeente Waalwijk. De rechtbank maakt uit de tweede wijziging van de Huisvestingsverordening op dat de gemeenteraad heeft onderkend dat deze algemene vergunningplicht niet proportioneel is en daarom de vergunningplicht bij nader inzien heeft beperkt tot woningen met een WOZ-waarde tot en met € 344.500,-.

4.2

De besluitvorming rondom de Huisvestingsverordening en meer specifiek artikel 2 van de Huisvestigingsverordening is dus onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend toegelicht en gemotiveerd. Op grond van de rechtspraak van de AbRS5 kan de rechtbank daarom artikel 2 buiten toepassing laten en de daarop berustende bestreden besluiten vernietigen. In dit geval gaat het echter om een onherstelbaar gebrek: de gemeenteraad had immers voorafgaand aan het instellen van de vergunningplicht moeten onderzoeken en vaststellen dat er sprake is van (1) schaarste aan goedkope woonruime in de gemeente Waalwijk, (2) onevenwichtige en onrechtvaardige effecten en (3) een noodzaak tot ingrijpen in de woonruimtevoorraad op deze wijze. Om die reden acht de rechtbank artikel 2 van de Huisvestingsverordening, zoals dit artikel gold van 21 september 2018 tot 13 februari 2021, onverbindend.

Conclusie

5.1

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Daarnaast zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit van 12 december 2018 ten aanzien [adres] herroepen en beide aanvragen afwijzen. Het college heeft geen ruimte om anders te beslissen op de aanvragen, omdat door deze uitspraak de omzettingsvergunningplicht ten tijde van die aanvragen is komen te vervallen.

Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan bespreking van de beroepsgronden die zijn gericht tegen de toetsing op grond van de Wet Bibob.

De rechtbank wijs er op dat eiseres ten aanzien van beide woningen opnieuw een omzettingsvergunning zal moeten aanvragen, als zij deze woningen wil gaan gebruiken voor kamerverhuur. Deze uitspraak heeft immers geen betrekking op de tweede wijziging van de Huisvestingsverordening. Overigens betwijfelt de rechtbank of deze tweede wijziging en de toelichting daarop voldoen aan de in de overwegingen 3.4 en 4.2 genoemde voorwaarden die in de rechtspraak van de AbRS aan het instellen van een vergunningplicht worden gesteld. De enige wijziging betreft namelijk het opnemen van een prijsplafond (op een bedrag van € 344.500,-; een bedrag dat rond het prijsniveau van een gemiddelde koopwoning ligt). Het college zal zich moeten afvragen of uit de onderbouwing zoals die ten grondslag ligt aan deze wijziging de noodzaak van het op deze manier ingrijpen in de woonruimtevoorraad van de gehele gemeente Waalwijk voldoende blijkt. Een gebrek in de onderbouwing kan, zoals hiervoor is overwogen, immers niet achteraf worden hersteld.

5.2

Nu de beroepen gegrond worden verklaard, dienen de griffierechten aan eiseres te worden vergoed (2 x € 178,- = € 356,-).

5.3

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.670,-

(1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de vaste tarieven uit de tabel bij het Besluit. Er is geen sprake van bovengemiddeld ingewikkelde of bewerkelijke zaken of van andere bijzondere omstandigheden, die een hogere vergoeding rechtvaardigen. Bovendien gaan beide zaken over dezelfde problematiek.

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak 20/4936

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en wijst de aanvraag af;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

in de zaak 20/5805

  • -

    verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en wijst de aanvraag af;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

in beide zaken

  • -

    draagt het college op de betaalde griffierechten van € 356,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.670,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en

mr. E.J. Govaers, leden, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op

1 juni 2021 en wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op

rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1155.

2 Uitspraak van de AbRS van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2166.

3 Deze notitie is terug te vinden als pdf-file op de website www.brabant.nl.

4 Dit rapport is terug te vinden als pdf-file op de website www.binnenlandsbestuur.nl. Bijzondere doelgroepen zijn bijvoorbeeld asielzoekers, personen die uitstromen uit allerlei beschermd wonen situaties en arbeidsmigranten.

5 Uitspraak van de AbRS van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452.