Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2704

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
BRE-20_10334
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 4-6-2021
FutD 2021-1772 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/10334

uitspraak van 1 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016 met aanslagnummer [aanslagnummer] .H.66.01.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende tijdens de bezwaarfase niet is gehoord. Het beroep van belanghebbende is dan ook kennelijk gegrond. De uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd. Beide partijen hebben verzocht om de zaak terug te wijzen. De rechtbank zal dit doen.

Griffierecht

Nu het beroep kennelijk gegrond is, dient de inspecteur op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 267. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,5 gehanteerd omdat het gaat om een kennelijk gegrond beroep omdat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding van de proceskosten. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. De rechtbank hoeft dit niet verder te motiveren1. Vanwege de samenhang met de zaak van de partner van belanghebbende met zaaknummers BRE 20/10279 en BRE 20/10280 wordt in ieder van deze zaken een vergoeding toegekend van € 133,50 (1/2 x € 267). Een beslissing over een eventuele kostenvergoeding voor de bezwaarfase blijft in deze stand van de procedure achterwege aangezien de bezwaarfase nog niet is afgerond.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt de inspecteur op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 133,50;

- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van

P. van der Hoeven, griffier, op 1 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 Zie Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4