Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:269

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
02/203259-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 WVW94 en artikel 7 WVW94. Dodelijk ongeval. Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden.

Verdachte heeft zijn aandacht niet bij het verkeer gehouden en veel harder gereden dan ter plaatse wettelijk was toegestaan. Daardoor kon hij zijn auto niet tijdig tot stilstand brengen en is hij tegen het slachtoffer aangereden, die op dat moment met haar rollator de weg aan het oversteken was. Na de aanrijding is verdachte doorgereden en heeft hij het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte heeft geen contact opgenomen met de nabestaanden van het slachtoffer, die graag antwoorden hadden gewild op hun vragen. Gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/203259-18

vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman: mr. M. van Stratum, advocaat te Nootdorp

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 januari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: een verkeersongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, dan wel dat verdachte zijn voertuig niet op tijd tot stilstand heeft gebracht;
feit 2: de plaats van ongeval heeft verlaten en daarbij [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft onvoldoende aandacht gehad voor wat zich op de weg voor hem afspeelde en harder gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Daardoor kon hij zijn auto niet tijdig tot stilstand brengen en is hij tegen het slachtoffer aangereden dat met haar rollator de weg aan het oversteken was, waardoor zij is overleden. Voor de gereden snelheid moet worden uitgegaan van de berekening van het NFI op basis van de schade aan de auto van verdachte, te weten een snelheid van minimaal 55 kilometer en maximaal 80 kilometer per uur. Ook uit het radiologisch onderzoek, waarin naar de aangetroffen letsels bij het slachtoffer is gekeken, volgt dat het zeer waarschijnlijk is dat de impactsnelheid hoger is geweest dan 50 kilometer per uur. De officier van justitie kwalificeert het rijgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

Feit 2
De officier van justitie acht bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten. De in de tenlastelegging vermelde plaats van het ongeval ‘de Beneluxlaan’ moet verbeterd worden gelezen als ‘de Baden Powelllaan’, welke straten elkaar bij de plek van het incident kruisen. Gelet op de klap van de aanrijding en de schade aan zijn auto, kan het niet anders dan dat verdachte wist dat hij aan het slachtoffer letsel had toegebracht en had hij redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij het slachtoffer in hulpeloze toestand had achtergelaten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging bepleit vrijspraak van het primair ten laste gelegde. Het enige verwijt dat verdachte kan worden gemaakt is dat hij harder heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Onduidelijk is echter wat zijn exacte snelheid is geweest. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat het slachtoffer niet goed zichtbaar was kort voordat zij de weg overstak. Ten hoogste was sprake van onvoorzichtig verkeersgedrag van verdachte.

De verdediging heeft ten aanzien van het subsidiair en het meer subsidiair ten laste gelegde geen bewijsverweren gevoerd.

Feit 2
De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 geen bewijsverweren gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 25 september 2018 omstreeks 21:44 uur op de Baden Powelllaan in Tilburg, als bestuurder van een motorrijtuig, een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Verdachte is met de rechtervoorzijde van zijn personenauto tegen de rechterzijde van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangereden, die op dat moment met haar rollator de weg aan het oversteken was. [slachtoffer] heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Twee dagen later is zij in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden.

De vraag waarvoor de rechtbank zich allereerst gesteld ziet, is of verdachte schuld had aan dit verkeersongeval en zo ja, in welke mate. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Algemeen kader

Voor een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn ‘schuld’ te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Ook dient te worden vastgesteld dat door dat ongeval een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat of is overleden. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Daarnaast dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Snelheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte harder heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. De rechtbank gaat hierbij uit van een snelheid van ten minste 50 kilometer per uur, zoals berekend in het rapport ‘Radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het [ziekenhuis] .

Uit de forse schade die door de politie is vastgesteld aan de auto van verdachte blijkt ook dat zijn snelheid veel te hoog moet zijn geweest voor de situatie ter plaatse. Het slachtoffer en haar rollator zijn na de botsing met de auto van verdachte ook meters van elkaar verwijderd aangetroffen op het wegdek. Volgens het NFI lijkt de schade aan de auto van verdachte te wijzen op een snelheid tussen de 55 en 80 kilometer per uur. De rechtbank merkt hierbij op dat het NFI bij deze snelheidsberekening het voorbehoud heeft gemaakt dat deze snelheden hooguit als indicatief zijn aan te merken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bij het vaststellen van de indicatieve snelheid van verdachte niet kan worden uitgegaan van de (tweede) berekening van het NFI, die is gebaseerd op mogelijke werpafstanden. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de indicatieve snelheid is gebaseerd op een werpafstand van 20 à 30 meter, terwijl in het dossier ook gesproken wordt over een werpafstand van 18 meter. Dat is een wezenlijk verschil om welke reden de rechtbank geen bewijswaarde toekent aan deze berekening van het NFI.

Ten slotte wordt door de verdediging ook niet betwist dat verdachte te hard heeft gereden.

Nu vast staat dat verdachte veel harder heeft gereden dan wettelijk was toegestaan, acht de rechtbank geen termen aanwezig om een nader onderzoek naar de snelheid van verdachte te gelasten, zoals door de nabestaanden van het slachtoffer is verzocht. De rechtbank zal dan ook geen heropening van het onderzoek gelasten.

Situatie ter plaatse

De rechtbank stelt ook vast dat verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en de weg vrij was. Verdachte heeft immers met zijn auto het slachtoffer aangereden dat met haar rollator de weg aan het oversteken was en - gezien de forse schade aan met name de rechterzijde van de auto - al bijna helemaal overgestoken was.

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft gezien en dat zij plotseling voor zijn voertuig stond. Er is ook niet gebleken dat hij heeft geremd. Hiervoor kan slechts als verklaring gelden dat verdachte niet (voldoende) heeft geanticipeerd op het naderen van de kruising en gedurende minimaal een aantal seconden niet heeft opgelet.

Het is niet aannemelijk dat verdachte het slachtoffer niet heeft kunnen zien door het verkeersbord in de middenberm, zoals de verdediging heeft betoogd. Het slachtoffer moet al bijna helemaal zijn overgestoken toen verdachte haar aanreed. Daarbij in aanmerking nemend dat het slachtoffer slecht ter been was en zij een witte jas droeg, moet het slachtoffer al enige tijd zichtbaar zijn geweest voor verdachte.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake was van een overzichtelijke verkeerssituatie. Het was immers een rechtdoor gaande weg en de kruising was goed verlicht. Ook acht de rechtbank in dit kader van belang dat verdachte daar bijna dagelijks reed en dus ter plaatse goed bekend was. Verdachte moet dus hebben geweten dat hij een kruising naderde en had dus ook rekening met mogelijke andere verkeersdeelnemers moeten houden.

Telefoongebruik

Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval handsfree aan het bellen was. Dit blijkt ook uit de telefoongegevens die zich in het dossier bevinden. Op zichzelf is dit toegestaan. Echter, nu in het voorgaande is vastgesteld dat verdachte veel te hard in de 30 km-zone heeft gereden, rekent de rechtbank het hem wel aan dat hij terwijl hij dat deed ook een handeling heeft verricht die mogelijk zijn aandacht kon afleiden van de situatie op de weg.

Lachgas

Hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat verdachte die avond veel lachgas heeft gebruikt, kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen op welk moment exact verdachte lachgas heeft gebruikt en of dat lachgas zijn rijgedrag op het moment van de aanrijding nog heeft beïnvloed. De rechtbank laat deze omstandigheid bij de beoordeling van de schuld van verdachte dan ook buiten beschouwing.

Conclusie

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte ernstig tekortgeschoten is in de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder van een motorrijtuig mocht worden verwacht. Hij heeft het slachtoffer naar eigen zeggen niet gezien, terwijl hij haar had kunnen en moeten zien. Indien hij zijn snelheid voldoende had aangepast aan de situatie en de plaatselijke omstandigheden, zou hij gemakkelijk in staat zijn geweest zijn voertuig tijdig voor het overstekende slachtoffer tot stilstand te brengen. Het slachtoffer was ook nog slecht ter been en liep daarom met een rollator. Het oversteken moet dus enige tijd in beslag hebben genomen. Desondanks heeft verdachte haar niet tijdig gezien.

Gelet op de verwijtbare gedragingen van verdachte in combinatie met het feit dat verdachte op een voor hem bekende en overzichtelijke weg reed met mogelijk overstekende kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte is aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, grenzend aan de bovenzijde van deze schuldgradatie.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er sprake is van een causaal verband tussen het verkeersongeval en het overlijden van het slachtoffer.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer is overleden aan haar verwondingen die zij heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding. Dit is ook niet door de verdediging betwist.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 weergegeven.

Feit 2

De rechtbank constateert dat de Beneluxlaan als plaats van het ongeval ten laste is gelegd. Uit het dossier en wat ter zitting naar voren is gekomen, blijkt echter duidelijk dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de Baden Powelllaan, die de Beneluxlaan kruist. De rechtbank zal de tenlastelegging daarom op dit punt verbeterd lezen.

De rechtbank heeft onder feit 1 reeds vastgesteld dat verdachte de bestuurder was van de auto die het slachtoffer heeft aangereden. Door de aanrijding is het slachtoffer op de motorkap en de voorruit van de auto terechtgekomen. Hierdoor is forse schade aan de auto ontstaan, onder andere aan de rechtervoorzijde van de voorruit van de auto. Het slachtoffer is daarna op de rijbaan terechtgekomen. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte wist dat hij aan het slachtoffer letsel had toegebracht. Hij had in die omstandigheden in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij het slachtoffer in hulpeloze toestand achterliet toen hij besloot om door te rijden. Verdachte had terug moeten gaan naar de plaats van het ongeval om zich ervan te vergewissen hoe het met het slachtoffer ging en hulp moeten verlenen. Hij heeft dat niet gedaan en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het verlaten van een plaats ongeval, zoals hierna onder 4.4 weergegeven.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 25 september 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Baden Powelllaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

2.

hij op 25 september 2018 te Tilburg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, de plaats van het ongeval, te weten de Baden Powelllaan, heeft verlaten, terwijl hij wist dat aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel was toegebracht en terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat een ander ( [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast vordert hij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest. De eis is gebaseerd op de geldende richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Daarbij is rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte tot niet meer te veroordelen dan een geldboete. Omdat verdachte voornemens is weer als beroepschauffeur te gaan werken en hij daarvoor zijn rijbewijs nodig heeft, verzoekt de verdediging om bij oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid een aanzienlijk korter onvoorwaardelijk deel op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Daarnaast moet rekening worden gehouden met artikel 63 Sr en de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 25 september 2018 een ernstig verkeersongeval met dodelijke afloop veroorzaakt. Hij heeft zijn aandacht niet bij het verkeer gehouden en veel harder gereden dan ter plaatse wettelijk was toegestaan. Daardoor kon hij zijn auto niet tijdig tot stilstand brengen en is hij tegen [slachtoffer] aangereden, die op dat moment met haar rollator aan het oversteken was. [slachtoffer] is hierdoor zo ernstig gewond geraakt dat zij twee dagen later in het ziekenhuis aan haar verwondingen is overleden. Verdachte heeft zich niet om [slachtoffer] bekommerd. Sterker nog, na het ongeval heeft hij de plaats van het ongeval verlaten en heeft hij [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Hij heeft zich daarmee onttrokken aan de verantwoordelijkheid die rust op een verkeersdeelnemer die een ongeluk veroorzaakt, namelijk het zich bekommeren om het slachtoffer dat hulp behoeft. Dit getuigt van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef als verkeersdeelnemer. Die verantwoordelijkheid heeft verdachte pas genomen toen hij door zijn moeder werd gebeld met het verzoek om zich bij de politie te melden.

Het leed dat verdachte door het ongeval heeft veroorzaakt is groot en onherstelbaar. Voor de nabestaanden van [slachtoffer] is sprake van een tragisch en onomkeerbaar verlies. Zij staan voor de moeilijke taak om het verlies van [slachtoffer] een plaats in hun leven te geven. De dochters van [slachtoffer] hebben ter terechtzitting een emotionele slachtofferverklaring voorgelezen, waaruit blijkt dat hun levens voorgoed zijn veranderd en dat zij dagelijks met het verlies van [slachtoffer] geconfronteerd worden. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht kan doen aan het verlies dat de familie van [slachtoffer] heeft geleden en aan het verdriet dat dit verlies nog steeds veroorzaakt en zal blijven veroorzaken.

De rechtbank moet bij de strafbepaling, naast de ernst van de feiten en het leed dat verdachte heeft veroorzaakt, ook nog andere elementen meewegen.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de straf als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten gaan in geval van het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend verkeersgedrag uit van een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar. De rechtbank is, zoals in het voorgaande vermeld, van oordeel dat het rijgedrag van verdachte is aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, grenzend aan de bovenzijde van deze schuldgradatie.

Zou van ernstige schuld sprake zijn geweest, dan vermelden de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar. Voor het verlaten van de plaats van het ongeval geeft het LOVS geen oriëntatiepunten.

De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij in de periode van ongeveer zevenentwintig maanden tussen het ongeval en de behandeling van deze strafzaak, geen contact heeft gezocht met de familie van [slachtoffer] . Uit de slachtofferverklaring van de dochters van [slachtoffer] blijkt dat zij er veel moeite mee hebben dat verdachte niets van zich heeft laten horen en dat hij niet vertelt wat er precies bij de aanrijding is gebeurd. Ook tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft verdachte geen openheid van zaken of inzicht in zijn handelen gegeven. Hij heeft daarmee opnieuw geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De nabestaanden blijven dan ook met veel vragen zitten, wat de rouwverwerking niet ten goede komt.

Daarnaast houdt de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor verkeersovertredingen en dat artikel 63 Sr van toepassing is.

De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is aangevangen. Dit kan anders zijn als sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is de redelijke termijn met vier maanden overschreden, terwijl geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat niet volstaan kan worden met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren is passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

7 De benadeelde partijen

7.1

De wettelijke grondslag/het juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat buiten twijfel staat dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] diep zijn getroffen door het overlijden van hun moeder [slachtoffer] . Dit neemt niet weg dat de ingestelde vorderingen binnen de juiste wettelijke context dienen te worden beoordeeld. De rechtbank zal eerst het toepasselijk juridisch kader schetsen, waarna de vorderingen afzonderlijk zullen worden beoordeeld.

Nabestaanden kunnen geen aanspraak op vergoeding van schade maken, behalve wanneer het gaat om schade zoals neergelegd in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 6:108 BW bepaalt dat nabestaanden recht hebben op vergoeding van kosten van levensonderhoud waarin de overledene voorzag en op vergoeding van redelijke kosten van lijkbezorging. Voor vergoeding van eventuele andere materiële schade biedt de wet geen mogelijkheden, behoudens het geval dat jegens de nabestaanden zelf onrechtmatig is gehandeld, bijvoorbeeld bij zogenoemde shockschade zoals hierna wordt besproken.

De wet geeft nabestaanden ook beperkt recht op immateriële schadevergoeding. De drempels hiervoor zijn hoog. Alleen indien vastgesteld kan worden dat verdachte het oogmerk had om nabestaanden leed en verdriet toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder a BW of als sprake is van shockschade bij nabestaanden waardoor zij in hun persoon zijn aangetast in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW, hebben nabestaanden recht op immateriële schadevergoeding. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Indien wordt vastgesteld dat op grond van voornoemde criteria sprake is van een zelfstandige onrechtmatige daad jegens de nabestaanden, dan hebben zij in beginsel zowel recht op vergoeding van immateriële schade als ook op vergoeding van materiële schade.

7.2

De beoordeling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 29.767,27. Daarvan wordt een bedrag van € 4.767,27 gevorderd ter zake van materiële schade. Dit bedrag bestaat uit uitvaartkosten en reiskosten naar het uitvaartcentrum en het natuursteenbedrijf ad € 4.079,30, reiskosten naar de huisartsenpraktijk en de fysiotherapeut ad € 28,24, kosten ten aanzien van de eigen bijdrage voor ziektekosten ad € 408,97 en reis- en parkeerkosten naar het ziekenhuis, voor de oplevering van het huis van [slachtoffer] , naar Slachtofferhulp Nederland, naar de advocaat, naar de rechtbank en naar de politie ad

€ 250,76. Het overige bedrag ad € 25.000,00 wordt gevorderd ter zake van immateriële (shock)schade. Daarnaast vordert [benadeelde partij 1] de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Kosten van lijkbezorging

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde uitvaartkosten en reiskosten naar het uitvaartcentrum en het natuursteenbedrijf ad € 4.079,30 toewijsbaar zijn, omdat deze schadeposten vallen onder redelijke kosten van lijkbezorging.

Shockschade

De vordering van de immateriële schade van [benadeelde partij 1] is gebaseerd op het bestaan van shockschade. Deze shockschade is onderbouwd door aan te voeren dat de benadeelde partij is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het verkeersongeval, doordat zij haar moeder in het ziekenhuis heeft gezien, na het overlijden van haar moeder de verzorging van haar moeder heeft gedaan, vanuit de woning van haar moeder zicht had op de plaats van het ongeval en zij zich een duidelijke en concrete voorstelling heeft kunnen maken van wat haar moeder is overkomen. Daardoor is een emotionele shock ontstaan, waardoor psychisch letsel is ontstaan.

Het is voor de rechtbank zonder meer invoelbaar dat dit schokkend voor de benadeelde partij moet zijn geweest. Echter, gelet op de thans beschikbare informatie is de rechtbank van oordeel dat – gezien de strikte criteria die hiervoor gelden - geen sprake is van een ‘directe confrontatie’, waarin een onverwacht en onverhoeds element zit, die tot toewijzing van shockschade kan leiden. Een nadere behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit materiële en immateriële deel van haar vordering.

Ten aanzien van het materiële deel betreft dit de reiskosten naar de huisartsenpraktijk en de fysiotherapeut ad € 28,24, de kosten ten aanzien van de eigen bijdrage voor ziektekosten ad € 408,97 en de reiskosten naar het ziekenhuis en voor de oplevering van het huis van [slachtoffer] ad € 158,03.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De gevorderde wettelijke rente zal de rechtbank toewijzen over het toegewezen schadebedrag vanaf 25 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. Ook zal de rechtbank voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Proceskosten

De reis- en parkeerkosten naar Slachtofferhulp Nederland, de advocaat, de rechtbank en de politie ad € 92,73 worden gekwalificeerd als proceskosten. De proceskosten zijn op grond van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering voor toewijzing vatbaar. De hoogte van het gevorderde bedrag acht de rechtbank niet bovenmatig. Zij zal de vordering daarom op dit punt toewijzen.

7.3

De beoordeling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van

€ 36.104,76. Daarvan wordt een bedrag van € 11.104,76 ter zake van materiële schade

gevorderd. Dit bedrag bestaat uit reiskosten naar het uitvaartcentrum en het

natuursteenbedrijf ad € 492,96, reiskosten naar de psycholoog ad € 101,40, kosten ten

aanzien van de eigen bijdrage voor ziektekosten ad € 816,57, verlies van arbeidsvermogen

ad € 8.070,29 en reiskosten naar het ziekenhuis, voor de oplevering van het huis van [slachtoffer]

, naar Slachtofferhulp Nederland, naar de advocaat, naar de rechtbank en naar de

politie ad € 1.623,54. Het overige bedrag ad € 25.000,00 wordt gevorderd ter zake van

immateriële (shock)schade. Daarnaast vordert [benadeelde partij 2] de wettelijke rente en oplegging

van de schadevergoedingsmaatregel.

Kosten van lijkbezorging

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde uitvaartkosten en de reiskosten naar het uitvaartcentrum en het natuursteenbedrijf tot een bedrag van € 492,96 toewijsbaar zijn, omdat deze schadeposten vallen onder redelijke kosten van lijkbezorging.

Shockschade

De vordering van de immateriële schade van [benadeelde partij 2] is gebaseerd op het bestaan van shockschade. Gelet op wat hierover is overwogen onder de beoordeling van de vordering van [benadeelde partij 1] (zie hiervoor), zal de benadeelde partij in dit materiële en immateriële deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van het materiële deel betreft dit de reiskosten naar de psycholoog ad € 101,40, de kosten ten aanzien van de eigen bijdrage voor ziektekosten ad € 816,57, het verlies van arbeidsvermogen € 8.070,29 en de reiskosten naar het ziekenhuis en voor de oplevering van het huis van [slachtoffer] ad € 1.267,03.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De gevorderde wettelijke rente zal de rechtbank toewijzen over het toegewezen schadebedrag en vanaf 25 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. Ook zal zij voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Proceskosten

De reis- en parkeerkosten naar Slachtofferhulp Nederland, de advocaat, de rechtbank en de politie ad € 356,51 worden gekwalificeerd als proceskosten. De proceskosten zijn op grond van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering voor toewijzing vatbaar. De hoogte van het gevorderde bedrag acht de rechtbank niet bovenmatig. Zij zal de vordering op dit punt dan ook toewijzen.

8 Het beslag

8.1

De teruggave aan de rechthebbenden

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen personenauto van het merk/type Toyota Yaris met kenteken [kenteken] en de rollator aan de rechthebbenden.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het
een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

Feit 2: Overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten
* de personenauto van het merk/type Toyota Yaris met kenteken [kenteken] ;
* de rollator;

Benadeelde partijen
[benadeelde partij 1] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van
€ 4.079,30 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen vanaf 25 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de vordering van de benadeelde partij ter zake van materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk;
- verklaart de benadeelde partij in de vordering ter zake van immateriële schade niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft gemaakt, te weten € 92,73;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1] € 4.079,30 ter zake van materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 25 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 50 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde partij 2] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van
€ 492,96 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 25 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de vordering van de benadeelde partij ter zake van materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk;
- verklaart de benadeelde partij in de vordering ter zake van immateriële schade niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, te weten € 356,51;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2]
€ 492,96 ter zake van materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 25 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 9 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Felix, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Ides Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 januari 2021.

11 Bijlage I

De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 25 september 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Baden Powellaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 september 2018 te Tilburg, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Baden Powellaan, heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 september 2018 te Tilburg als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Baden Powellaan, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, in botsing/aanrijding gekomen met een voor hem, verdachte, op de weg bevindende voetganger;

( art 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 )

2.

hij op of omstreeks 25 september 2018 te Tilburg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), die bij een verkeersongeval was betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, de plaats van het ongeval, te weten de Beneluxlaan, heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel en/of schade was toegebracht en/of terwijl daardoor naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander ( [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

( art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )

12 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal deel 1 met dossiernummer PL2000-2018226799 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 205. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

1.1

Het proces-verbaal Aanrijding misdrijf, pagina 6 tot en met 14 van voornoemd proces-verbaal, inhoudende:
Locatie ongeval
Datum : 25 september 2018
Omstreeks : 21:44 uur
Adres : [adres]
Op de kruising met adres : Baden Powelllaan
Plaats : Tilburg
Bijzonderheden : Op/nabij andere oversteekplaats

Betrokken 1 (voertuig)
Personenauto [kenteken] Toyota Yaris

Bestuurder
[verdachte]

Betrokken 2 (persoon)
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]

1.2

Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, pagina 15 tot en met

70 van voornoemd proces-verbaal, inhoudende:

2.2.2

Wegsituatie

Ik zag dat;
• de wettelijk toegestane maximum snelheid ter plaatse voor de betrokken personenauto, aangegeven middels bord A1 uit de Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RW1990) met zonebord, 30 kilometer per uur bedroeg.

2.2.8

Wegverlichting

Ik zag bij mijn komst ter plaatse dat:

• op de plaats van het ongeval straatverlichting aanwezig en in werking was (foto 3);

• deze straatverlichting wit licht uitstraalde (foto 3);

3.2.2

Schade

Wij zagen dat de personenauto, ten gevolge van de aanrijding met de betrokken voetganger, aan de rechtervoorzijde onder andere de volgende, recente schade had opgelopen (foto 36 tm 40):

• deuk in dakstijl rechterzijde.

• breukschade voorruit;

• deuk in de motorkap;

• breukschade rechter koplamp;

• voorbumper rechterzijde beschadigd;

4.1.1

Kleding en lichaamsbouw slachtoffer

De kleding die het slachtoffer tijdens het ongeval had gedragen is in het ziekenhuis veiliggesteld. Ik, [verbalisant 1] , zag dat de bovenkleding wit van kleur was.

4.1.2

Consult NFI

Uit een verkennend onderzoek met betrekking tot voornoemde schadevergelijking, lijkt de schade aan het ongevalsvoertuig te wijzen op een botssnelheid tussen ongeveer 55 en 80 km/u. Omdat de inschattingen zijn gebaseerd op proeven die niet specifiek op onderhavig ongeval werden gemodelleerd, zijn de voornoemde botssnelheden hooguit als indicatief aan te merken.

4.4.

Toedracht

De bestuurder van de personenauto heeft gereden over De Baden Powelllaan komende uit westelijke richting gaande in oostelijke richting.

De voetganger heeft gelopen over het westelijk gelegen voetpad van de Beneluxlaan komende uit noordelijke richting gaande in zuidelijke richting en stak de rijbaan van De Baden Powelllaan over in zuidelijke richting.

De personenauto was vervolgens op het kruisingsvlak van de Baden Powelllaan en de Beneluxlaan met de rechter voorzijde, tegen de rechter zijde van de voetganger en rollator gebotst.

4.6.

Gevolg

Als gevolg van voornoemd verkeersongeval:

• als gevolg van deze aanrijding is de voetganger met de rechterzijde van het lichaam op het voertuig en het hoofd tegen de voorruit gekomen en daarna op de rijbaan terecht gekomen.

• is de voetganger na het ongeval naar het ziekenhuis gebracht en is daar op donderdag 27 september 2018 door de opgelopen verwondingen (hoofdletsel) overleden.

1.3

Het proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw, pagina 75 tot en met

77 van voornoemd proces-verbaal, inhoudende:

Op donderdag 27 september 2018 te 08:30 uur, hebben wij verbalisanten, als

forensische onderzoekers, een forensisch onderzoek ingesteld naar aanleiding van het overlijden van:
Achternaam : [slachtoffer]
Voornamen : [slachtoffer]

Overledene is op 25 september 2018 betrokken geweest bij een ongeval. Overledene is naar aanleiding van het ongeval met zwaar lichamelijk letsel overgebracht naar het [ziekenhuis] te Tilburg. Ten gevolge hiervan is zij op donderdag 27 september 2018 te 01:30 uur op de ICI afdeling van het ziekenhuis overleden.

1.4

Het rapport ‘Radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ d.d. 31 januari 2020 van radioloog [arts] , verbonden aan [ziekenhuis] , los document, inhoudende:

Er is een duidelijke relatie tussen breuken van de wervelkolom en de impactsnelheid, waarbij meerdere fracturen van de wervelkolom worden beschreven bij impact snelheden boven de 50 km/u. Op grond van de aangetroffen letsels is het zeer waarschijnlijk dat de impact snelheid hoger is geweest dan 50 km/u.

1.5

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 september 2018, pagina 166 tot en met 171 van voornoemd proces-verbaal, inhoudende:

V: Rijd je vaker op de Baden Powelllaan te Tilburg?

A: Ik rij daar bijna dagelijks.

V: Dus je bent bekend met de weg situatie ter plaatse.

A: Ja.

V: Wat is er volgens jou gebeurd?

A: Ik rij daar op de weg. Die mevrouw stond in ene keer voor mij. Toen raakte ik die mevrouw met mijn auto. Ik hoorde een harde klap. Ik ben toen weggereden.

1.6

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 september 2018, pagina 172 tot en met 178 van voornoemd proces-verbaal, inhoudende:

A: Ik werd eerst gebeld en heb opgenomen en toen ben ik gaan rijden tijdens het gesprek en die had ik de hele tijd aan de lijn.

V: Wat is tijdens het gesprek gebeurd?

A: Het ongeluk.