Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2685

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6397
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6397 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] , te [naam woonplaats] , eisers

gemachtigde: mr. H. Goedegebure,

en

Het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 28 oktober 2019 (primair besluit) heeft Orionis de bijstandsuitkering van eisers op grond van de Participatiewet ingetrokken over de periode van 10 mei 2015 tot en met 30 september 2019 en de onverschuldigd betaalde uitkering en bijzondere bijstand van hen teruggevorderd tot een bedrag van € 82.573,56 bruto.

In het besluit van 9 april 2020 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Orionis heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 16 april 2021.

Hierbij waren aanwezig eisers met hun gemachtigde en namens Orionis mr. N.M. Feijtel en M. de Kruijter.

Overwegingen

1. Feiten.

Eisers ontvingen sinds 21 juni 2011 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden.

In verband met een vermoeden van het schenden van de inlichtingenplicht is er door Orionis onderzoek verricht naar eventuele werkzaamheden, inkomsten en vermogen van eisers, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van de sociale recherche van 12 november 2019.

Er zijn waarnemingen verricht bij de woning van eisers, [adres 1] , waaruit is gebleken dat bij die woning diverse luxe personenauto’s met Belgisch kenteken (onder andere een BMW, Mercedes en een Range Rover) stonden geparkeerd.

De aangetroffen voertuigen stonden allen geregistreerd op naam van de Belgische vennootschap onder firma [naam firma 1] , die op 10 mei 2015 te Kortrijk is opgericht met als oorspronkelijke vennoten eiser en dochter [naam dochter 1] . Maatschappelijke doelen zijn detailhandel in kleding, groothandel in cosmetica en handel in eigen onroerend goed. Er is per 1 september 2017 door de [naam firma 1] , vertegenwoordigd door [naam dochter 1] , een winkelpand gehuurd op het adres [adres 2] , waarin een outlet is gevestigd. Verder is geconstateerd dat [naam dochter 1] eigenaar is van de koopwoning op het adres [adres 1] , die zij als 20-jarige student (naar is gebleken met een werknemersverklaring) heeft gekocht. Eisers betalen aan [naam dochter 1] geen huur. Verder is uit politiegegevens naar voren gekomen dat eiser tijdens een verkeerscontrole op 28 februari 2019 in de eerder genoemde Mercedes werd aangetroffen en eiseres tijdens een verkeerscontrole op 4 april 2019 in de eerder genoemde Range Rover werd aangetroffen. Van de controle op 3 maart 2019 heeft de politie geregistreerd dat eiser verklaarde dat hij zou werken voor/directeur zijn van een kledingbedrijf in het duurdere segment. Op 15 januari 2019 te Kortrijk is de [naam firma 2] opgericht door eiseres en dochter [naam dochter 2] . De drie bovengenoemde voertuigen zijn per die datum overgeschreven op naam van de [naam firma 2] . Op 2 mei 2019 werd door de sociale recherche eiser achter een toonbank aangetroffen in kledingzaak [naam kledingzaak] in Kortrijk. Ook door de Belgische en Nederlandse politie werd eiser in 2018 en 2019 meermaals gesignaleerd in deze winkel.

In het kader van het onderzoek, dat door de politie Zeeland-West-Brabant naar eiser is ingesteld op verdenking van witwassen, zijn eisers en hun meerderjarige kinderen verhoord. Uit de processen-verbaal van de Belgische politie blijkt dat eiser diverse keren in de winkel in Kortrijk is gezien en dat eiser op 22 juni 2018 tegenover de politie heeft bevestigd dat hij op dat moment de winkel uitbaat.

Op basis van het rapport van 12 november 2019 heeft Orionis het primaire besluit genomen. Daarnaast is aangifte gedaan van valsheid in geschrifte bij de officier van justitie.

2. Het bestreden besluit.

Orionis heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden door geen melding te maken van de oprichting van hun bedrijven, hun werkzaamheden, inkomsten en bezittingen. Op grond daarvan heeft Orionis het recht op bijstandsuitkering en bijzondere bijstand ingetrokken over de periode van 10 mei 2015 tot en met 30 september 2019 en de onverschuldigd betaalde uitkering en bijzondere bijstand teruggevorderd.

3. Standpunt eisers.

Eisers bestrijden dat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden omdat er volgens hen geen omstandigheden zijn waarover zij Orionis hadden moeten inlichten. Eisers voeren aan dat zij geen voordeel hebben behaald met de gestelde activiteiten. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die de uitkering hebben beïnvloed. Bovendien zijn er in verband met het lopende strafrechtelijk onderzoek geen of nauwelijks gegevens voorhanden. Eisers wijzen erop dat de bewijslast op Orionis ligt, maar een inhoudelijke toetsing niet kan plaatsvinden doordat er geen gegevens beschikbaar zijn. Toch wordt door Orionis een verstrekkende conclusie getrokken. De gestelde omkering van de bewijslast is volgens eisers onjuist.

Eisers stellen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser betwist dat hij heeft verklaard dat hij directeur/eigenaar is van een kledingbedrijf. Eiser werkt af en toe een dag in de winkel van zijn dochter en is geregistreerd als aandeelhouder voor slechts 5%. Dit betekent niet dat hij de [naam firma 1] heeft opgericht. De [naam firma 2] is opgericht door een andere dochter [naam dochter 2] . De betaling van parkeergeld en een ANWB abonnement vinden eisers onvoldoende onderbouwing om aan te nemen dat eiser wel personenauto’s in bezit zou hebben. Eisers stellen dat de door familieleden afgelegde verklaringen onder grote druk tot stand zijn gekomen. Eisers bestrijden dat zij verwijtbaar hebben gehandeld.
Eisers voeren verder aan dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, gelet op de hoogte van de terugvordering. Eisers wijzen op hun financiële situatie. Tenslotte betwisten zij de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres.

4. Wettelijk kader.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, onder a van de Participatiewet, voor zover hier van belang, herziet het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit of trekt het in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Op grond van het achtste lid kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Op grond van artikel 59, vierde lid, van de Participatiewet zijn de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

5. Beoordeling

5.1.

Intrekking.

De in dit geval te beoordelen periode loopt van 10 mei 2015 tot en met 30 september 2019.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in dit geval aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op Orionis rust.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor het standpunt dat aan deze voorwaarden is voldaan. Orionis heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden door geen melding te maken van hun op geld waardeerbare activiteiten, inkomsten en vermogen.

Eisers hebben beiden apart van elkaar in Kortrijk een onderneming opgericht samen met een van hun dochters. Eiseres heeft tegenover de politie verklaard dat zij winkels in België en Vlissingen hebben. Eiser heeft bij een politiecontrole verklaard dat hij eigenaar/directeur is van een kledingbedrijf. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de politieregistratie, nu deze niet gemotiveerd wordt weersproken. Bovendien is eiser regelmatig, zonder dat ander personeel aanwezig was, achter een toonbank in de winkel in Kortrijk gesignaleerd. Dat eiser in de winkel in Kortrijk werkte, wordt ook ondersteund door de verklaringen van eiseres en de kinderen. Daarnaast volgt uit de verklaringen dat de zoon van eisers in de winkel in Vlissingen werkt. Hij heeft verklaard dat hij het geld uit de kassa meeneemt naar huis om aan eisers te geven en dat eiser de bevoorrading van de winkel regelt. Eiseres heeft verklaard dat zij het geld uit de winkel dat ze van haar zoon kreeg weer doorgaf aan eiser. Verder hebben [naam dochter 2] en [naam dochter 1] verklaard dat hun vader het beheer heeft over bankrekeningen op hun naam bij de [naam bank] .

Niet is gebleken dat eiseres dan wel de kinderen onder dermate grote druk zijn verhoord dat hun verklaringen, die grotendeels overeenkomen hoewel zij in beperkingen zaten, niet mogen worden gebruikt. Bij aanvang van de verhoren is aan hen meegedeeld dat zij niet tot antwoorden verplicht waren en dat zij zich kunnen verschonen bij vragen over bloed- of aanverwanten. Eiseres heeft aan het einde van het verhoor door de sociale recherche bovendien verklaard dat zij goed is behandeld.

Orionis stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat eisers op geld waardeerbare activiteiten hebben verricht.

Volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:578), is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn en daarom gemeld dient te worden aan het bijstandsverlenend orgaan. De intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht speelt geen rol. Ook is niet van belang of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Ook als eisers geen inkomen zouden hebben genoten met hun op geld waardeerbare activiteiten, wat daar verder ook van zij, van belang is dat zij voor deze werkzaamheden in het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs een salaris hadden kunnen bedingen.

Vaststaat dat eisers de oprichting van hun ondernemingen en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden niet bij Orionis hebben gemeld. Eisers standpunt dat zij niets hoefden op te geven omdat zij niets hebben verdiend, volgt de rechtbank niet, gelet op bovengenoemde rechtspraak. Aan het bestreden besluit ligt terecht ten grondslag dat eisers de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet hebben geschonden.

Schending van de inlichtingenplicht is een rechtsgrond voor intrekking van bijstand wanneer als gevolg daarvan het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld. Het ligt dan op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat zij, als zij wel aan de inlichtingenplicht

zouden hebben voldaan, over de beoordelingsperiode recht op (aanvullende) bijstand hadden gehad.

Eisers zijn daarin niet geslaagd. Zij hebben geen schriftelijke gegevens ingeleverd, zoals een administratie of boekhouding.

Om het recht vast te kunnen stellen mag Orionis een deugdelijke administratie verlangen over de werkzaamheden die eisers hebben verricht en eventuele inkomsten daaruit. Door het schenden van de inlichtingenverplichting en het nalaten een administratie bij te houden, hebben eisers zelf het risico genomen dat zij achteraf niet meer kunnen beschikken over bewijsstukken om de omvang van de werkzaamheden of de hoogte van de eventuele inkomsten aannemelijk te maken. De gevolgen daarvan moeten voor rekening van eisers blijven.

Orionis heeft daarom terecht overwogen dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Orionis was dan ook verplicht het recht op bijstand over die periode in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet.

5.2.

Terugvordering.

Nu sprake is van schending van de inlichtingenplicht is het college verplicht tot terugvordering, tenzij sprake is van een dringende reden. De rechtbank is van oordeel dat eisers met wat zij hebben aangevoerd niet aannemelijk hebben gemaakt dat terugvordering zodanige onaanvaardbare financiële of sociale consequenties zal hebben voor eisers dat sprake is van dringende redenen en dat (deels) van terugvordering moet worden afgezien. Een slechte financiële situatie wordt niet als een dergelijke dringende reden beschouwd. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zie de uitspraak van de CRvB van 11 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1370).

Met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres wijst de rechtbank erop dat uit artikel 59, vierde lid, van de Participatiewet dwingendrechtelijk volgt dat de gezinsleden allen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de schuld.

6. Conclusie.

Het beroep is ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier op 28 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.