Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2674

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
BRE 18/991
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Successiewet

Aanslag recht van schenking. De vennootschap van de partner van belanghebbende verricht werkzaamheden als gevolg waarvan de gezamenlijke vennootschap van belanghebbende en haar partner een lucratieve huurovereenkomst kan sluiten. De inspecteur merkt de helft van de daaruit voor de gezamenlijke vennootschap voortvloeiende winst aan als schenking van de partner aan belanghebbende.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een voor een schenking vereiste verarming van de partner geen sprake. De voorbereidende werkzaamheden hebben voor de vennootschap van de partner niet geleid tot een juridisch afdwingbaar recht met een economische waarde. De voordelen uit de huurovereenkomst hebben daardoor direct bij het aangaan van de huurovereenkomst tot het vermogen van de gezamenlijke vennootschap behoord en nimmer tot het vermogen van de vennootschap van de partner. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 8-6-2021
V-N Vandaag 2021/1378
FutD 2021-1803 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/991

uitspraak van 27 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in het recht van schenking van € 521.477 opgelegd wegens een verkrijging in het jaar 2015, aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de aanslag).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2018 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een bedrag van € 429.507.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 februari 2018, ontvangen bij de rechtbank op 20 februari 2018, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, mr. J.H. Sligchers (hierna: de gemachtigde) verbonden aan Advocatenkantoor mr. Sligchers te Maastricht, ter bijstand bijgestaan door [partner] en ing. [getuige] , en namens de inspecteur, drs. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .

1.7.

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende had een affectieve relatie met de heer [partner] (hierna: de heer [partner] ) en per 1 augustus 2004 is belanghebbende gaan samenwonen met de heer [partner] . Op 10 juni 2005 hebben belanghebbende en de heer [partner] een samenlevingsovereenkomst gesloten.

2.2.

De heer [partner] is houder van 100% van de aandelen in Beheermaatschappij [A BV] (hierna: de houdstermaatschappij) die op haar beurt 100% aandeelhouder is van onder andere [B BV] (hierna: [B BV] ).

2.3.

In augustus 2003 heeft [B BV] aan [stichting] , later [stichting] , (hierna: de stichting) een brief gestuurd met als bijlagen schetsontwerpen van plattegronden met betrekking tot nog te realiseren tijdelijke huisvesting van de stichting. In februari 2004 offreert [B BV] € 3.598.400 exclusief btw aan de stichting voor het leveren en plaatsen van tijdelijke huisvesting voor de stichting. Bij deze offerte zijn bouwtekeningen gevoegd van 23 december 2003.

2.4.

Op 13 augustus 2004 hebben belanghebbende en de heer [partner] de vennootschap [N.V.] (hierna: [N.V.] ) opgericht. [N.V.] is gevestigd te [plaats] (België). Belanghebbende en de heer [partner] houden ieder 50% van de aandelen in [N.V.] .

2.5.

In de periode oktober 2004 tot en met maart 2005 heeft tussen [B BV] en de stichting overleg plaatsgevonden en is tussen hen gecorrespondeerd over het sluiten van een huurcontract voor de tijdelijke huisvesting van de stichting. [B BV] heeft in die periode, onder verwijzing naar de bouwtekeningen behorende bij haar eerdere offerte van 20 februari 2004 (zie 2.3), de stichting een huurbedrag geoffreerd waarbij wordt uitgegaan van een huurperiode van tien jaren.

2.6.

Op 4 juli 2005 heeft de heer [naam 1] namens [B BV] een fax gestuurd aan de stichting waarin hij schrijft dat de stichting met de fax een concept huurovereenkomst voor de tijdelijke huisvesting ontvangt en een overzicht van de huurtermijnen voor de jaren 7 tot en met 10.

2.7.

Op 12 augustus 2005 ondertekent [N.V.] een huurovereenkomst met de stichting met betrekking tot de tijdelijke huisvesting. De stichting ondertekent die overeenkomst op 16 augustus 2005. Bij deze overeenkomst behoren onder andere de bouwtekeningen, laatst gewijzigd in maart 2005, welke in een eerdere versie ook onderdeel uitmaakten van de offerte van februari 2004 (zie 2.3).

2.8.

Op 19 augustus 2005 sluiten [B BV] en [N.V.] een aannemingsovereenkomst voor de bouw van de tijdelijke huisvesting die door [N.V.] zal worden verhuurd aan de stichting. De aanneemsom bedraagt € 2.000.000 exlusief btw. Deze overeenkomst wordt namens [N.V.] ondertekend door belanghebbende. Er wordt overeengekomen dat [B BV] de aanneemsom eind 2006 in rekening zal brengen en dat het bedrag door [N.V.] in termijnen zal worden voldaan.

2.9.

Op 23 februari 2006 wordt de tijdelijke huisvesting van de stichting opgeleverd.

2.10.

Op 25 maart 2006 stuurt de heer [naam 2] namens [B BV] een e-mail aan de stichting met daarin een uiteenzetting van de nog af te handelen opleverpunten. In deze e-mail vraagt hij ook om een reactie op de diverse meerwerkoffertes.

2.11.

Op 21 december 2006 stuurt [B BV] een factuur voor het bedrag van € 2.000.000 exclusief btw (€ 2.380.000 inclusief btw) aan [N.V.] voor de overeengekomen aanneemsom.

2.12.

Op 1 maart 2012 sluiten [N.V.] en de stichting een beëindigingsovereenkomst voor de resterende huurbetalingen voor een bedrag van € 2.477.239, gelijk aan de resterende huurtermijnen.

2.13.

Op 27 april 2012 heeft [N.V.] de woonvoorzieningen verkocht aan [B BV] voor een bedrag van € 625.000, te vermeerderen met de verwijderingskosten.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de aanslag terecht en tot de juiste hoogte heeft vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de inspecteur terecht een belastbare verkrijging van € 727.500 heeft geconstateerd, zijnde de helft van het verschil tussen de waarde van het huurcontract (€ 3.835.000) en de aanneemsom (€ 2.380.000). Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend en de inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. Ze stelt dat op zakelijke gronden is besloten om de huurovereenkomst met de stichting te sluiten met [N.V.] en niet met [B BV] . Vlak voor het sluiten van de huurovereenkomst wilde de stichting, als gevolg van een onenigheid, geen contract sluiten met [B BV] . De stichting had bovendien belang bij het sluiten van een huurovereenkomst met [N.V.] vanwege een mogelijk btw-voordeel, gelegen in het feit dat [N.V.] in België gevestigd was. Zou al sprake zijn van een schenking dan is de waarde nihil omdat de waarde van het huurrecht niet hoger is dan het door [N.V.] geïnvesteerde bedrag.

3.3.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. De inspecteur is van mening dat [B BV] – en daarmee haar aandeelhouder [partner] – een lucratief huurcontract met een waarde € 3.835.000 heeft overgedragen aan [N.V.] – en daarmee voor 50% aan belanghebbende – voor een waarde van € 2.380.000. De heer [partner] is door deze transactie verarmt en belanghebbende verrijkt. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt de inspecteur dat [B BV] alle onderhandelingen en werkzaamheden heeft verricht die ten grondslag liggen aan de tot stand gekomen huurovereenkomst. Voor de stichting was er geen onderscheid tussen [B BV] en [N.V.] . De stichting had met [B BV] wilsovereenstemming voor het sluiten van een huurovereenkomst. Op initiatief van de heer [partner] heeft de stichting uiteindelijk een huurovereenkomst ondertekend met [N.V.] . Ter zitting heeft de inspecteur verklaard zich niet langer op het standpunt te stellen dat de instemming van belanghebbende met het verlengen van de termijn van de afhandeling van het bezwaar leidt tot een verlenging van de redelijke termijn.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Voor een schenking in de zin van de Successiewet 1956 (hierna: SW) is vereist dat de schenker verarmt, dat de begiftigde verrijkt en dat sprake is van vrijgevigheid. De bewijslast dat sprake is van een schenking rust op de inspecteur.

4.2.

Er kan alleen sprake zijn van een schenking als de schenker door de schenking is verarmd. De vraag is derhalve of de heer [partner] is verarmd door de onder 2 beschreven gang van zaken. In HR 26 februari 1986, ECLI:NLHR1986:AC9248, BNB 1986/162 en HR 26 februari 1986, nr. 23 336, ECLI:NL:HR:1986:AW8087, BNB 1986/163 overwoog de Hoge Raad dat geen sprake van een verarming kan zijn als een voordeel niet eerst tot het vermogen van de schenker heeft behoord. De vraag die derhalve beantwoord dient te worden is of door aangaan van het huurcontract tussen [N.V.] en de stichting, [B BV] , en daarmee de heer [partner] , is verarmd met het huurcontract verminderd met de bouwkosten.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval van een verarming van [B BV] , en daarmee de heer [partner] , geen sprake. Voor de rechtbank staat vast dat [B BV] de voorbereidende werkzaamheden heeft verricht die er uiteindelijk toe hebben geleid dat een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Niet aannemelijk is geworden dat deze voorbereidende werkzaamheden voor [B BV] hebben geleid tot een juridisch afdwingbaar recht met een economische waarde. De huurovereenkomst is immers (uiteindelijk) tussen de stichting en [N.V.] en niet tussen de stichting en [B BV] gesloten. Dit betekent dat de voordelen uit deze huurovereenkomst van begin af aan tot het vermogen van [N.V.] hebben behoord en nimmer tot het vermogen van [B BV] . Dat voorafgaand aan het ondertekenen van de huurovereenkomst reeds sprake was van wilsovereenstemming tussen [B BV] en de stichting, heeft de inspecteur, na de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. Hieruit volgt dat de inspecteur evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat [B BV] de huurovereenkomst, ten laste van haar vermogen, heeft overgedragen aan [N.V.] . Dat de stichting wellicht ook bereid was geweest om in plaats van met [N.V.] met [B BV] een huurovereenkomst te sluiten doet, gelet op voornoemde jurisprudentie, hieraan niet af.

4.4.

Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een verarming van de heer [partner] is reeds op deze grond geen sprake van een schenking. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en de uitspraak op bezwaar en de aanslag dienen te worden vernietigd.

5 Vergoeding van immateriële schade

5.1.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad,1 geldt een redelijke termijn van in dit geval twee jaar, gerekend vanaf de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (24 november 2014). Sinds de ontvangst van dat bezwaarschrift tot en met de datum van deze uitspraak (27 mei 2021) is een periode van (naar boven afgerond) 79 maanden verstreken, waarmee de redelijke termijn is overschreden met 55 maanden (4 jaar en 7 maanden).

5.2.

De vergoeding bedraagt € 500 per half jaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 5.000. Voor de verdeling van de te betalen schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraken op bezwaar op 30 januari 2018. In de bezwaarfase betrof de overschrijding van de redelijke termijn 33 (39 – 6) maanden. De overige 22 maanden komen voor rekening van de Minister. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.000 (33/55e van € 5.000). De Minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.000 (22/55e deel). De rechtbank merkt de Minister in zoverre mede aan als partij in dit geding.

6 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.598 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). Belanghebbende heeft voor het overige geen kosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslag;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 3.000;

  • -

    veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.598;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2021 door mr.drs. J.H. Bogert, voorzitter,

mr.drs. M.H. van Schaik en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, in aanwezigheid van drs. L. Mattijssen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze uitspraak De voorzitter,

mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.