Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2629

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
05-06-2021
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7220
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dividendbelasting / internationaal, dividendbelastingzaken, fbi-vergelijking, drukvergelijking

De rechtbank overweegt dat de inspecteur terecht de teruggaafverzoeken heeft afgewezen voor de perioden waarvoor de teruggaafregeling relevant is. Reeds omdat belanghebbende voor die perioden geen dividendnota’s heeft overgelegd en dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nederlandse dividendbelasting ten laste van belanghebbende is ingehouden. Belanghebbende heeft bovendien niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat rechtsherstel op een wijze zoals beschreven door de Hoge Raad tot een teruggaaf zou kunnen leiden. Verder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aan de zogenoemde dooruitdelingseis wordt voldaan. De rechtbank oordeelt dat ook de teruggaafverzoeken waarvoor het regime van de afdrachtvermindering relevant is, terecht zijn afgewezen. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. Bovendien, zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering, dan zou rechtsherstel zoals de Hoge Raad heeft voorgeschreven voor de teruggaafregeling, niet tot een teruggaaf kunnen leiden in de context van de afdrachtvermindering. Belanghebbendes beroep op de drukvergelijking faalt, reeds omdat daarvoor geen berekening is aangeleverd. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 7-6-2021
V-N Vandaag 2021/1348
NLF 2021/1188 met annotatie van
FutD 2021-1849 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/7220 tot en met 15/7224

uitspraak van 27 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[bedrijf] , gevestigd te [vestigingsplaats] ( Verenigd Koninkrijk ),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 1 oktober 2015 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:

  • -

    het tijdvak 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007 (zaaknummer 15/7220);

  • -

    het tijdvak 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 (zaaknummer 15/7221);

  • -

    het tijdvak 1 april 2008 tot en met 31 maart 2009 (zaaknummer 15/7222);

  • -

    het tijdvak 1 april 2009 tot en met 31 maart 2010 (zaaknummer 15/7223);

  • -

    het tijdvak 1 april 2010 tot en met 31 maart 2011 (zaaknummer 15/7224).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi). Voorts stelt belanghebbende met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende niet zwaarder mag worden belast dan een met hem vergelijkbaar Nederlands beleggingsfonds dat is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting (hierna: drukvergelijking).

De vergelijking met een fbi

2.2.

Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 20081, is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering2 van belang en is voor teruggaafverzoeken met betrekking tot eerdere perioden de voormalige teruggaafregeling voor fbi’s3 relevant.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht de teruggaafverzoeken heeft afgewezen waarvoor de teruggaafregeling relevant is, reeds gelet op het volgende.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de tijdvakken 2006/2007 en 2007/2008 geen dividendnota’s overgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voor deze tijdvakken verzochte teruggaven er reeds op afstuiten dat belanghebbende, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nederlandse dividendbelasting ten laste van belanghebbende is ingehouden in de betrokken jaren.

Belanghebbende heeft bovendien niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat rechtsherstel op een wijze zoals beschreven door de Hoge Raad4 in het geval van belanghebbende tot een teruggaaf zou kunnen leiden. De rechtbank ziet in wat belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om een andere wijze van rechtsherstel Unierechtelijk geboden te achten en/of om prejudiciële vragen te stellen.5 De beroepsgrond inzake de grondslag van de zogenoemde vervangende betaling behoeft geen bespreking, reeds omdat geen alternatieve berekening is ingebracht.

Verder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aan de zogenoemde dooruitdelingseis wordt voldaan. Gelet daarop bevindt belanghebbende, die in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, zich niet in een situatie die vergelijkbaar is met de situatie van een fbi. De rechtbank ziet op dit punt in wat belanghebbende heeft aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen dan eerder Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad hebben gedaan.6

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken waarvoor het regime van de afdrachtvermindering relevant is, terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering.7 De rechtbank ziet in wat belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen en/of om prejudiciële vragen te stellen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, dit belanghebbende niet zou kunnen baten. In dat geval zou het namelijk naar het oordeel van de rechtbank voor de hand liggen dat rechtsherstel plaatsvindt op overeenkomstige wijze zoals de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020 heeft uiteengezet voor – kort gezegd – de teruggaafregeling, dus met inachtneming van een zogenoemde vervangende betaling.8 Dit overeenkomstige rechtsherstel zou niet tot een teruggaaf kunnen leiden. Voor een fbi is de tegemoetkoming in de vorm van de afdrachtvermindering immers nimmer hoger dan het door haar af te dragen bedrag aan dividendbelasting dat zij heeft ingehouden op de door haar uitgedeelde winst. Gelet daarop zou voor een buitenlands fonds een vergelijkbare tegemoetkoming maar dan in de vorm van een teruggaaf niet hoger kunnen zijn dan de vervangende betaling die op die teruggaaf in mindering zou komen, ook niet indien de grondslag voor de vervangende betaling zou zijn beperkt tot – kort gezegd – de Nederlandse winst.

De drukvergelijking

2.5.

Belanghebbendes beroep op de drukvergelijking faalt, reeds omdat belanghebbende geen berekening heeft aangeleverd voor de drukvergelijking.

Slot

2.6.

Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

2.7.

De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2021 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. J.P.M. Kooijmans, rechters, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Stb. 2007, 563.

2 Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.

3 Artikel 10, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals dat lid luidde tot zijn vervallen bij de wet Overige fiscale maatregelen 2008.

4 ECLI:NL:HR:2020:1674.

5 Vgl. ECLI:NL:RBZWB:2021:264.

6 ECLI:NL:GHSHE:2017:5170 en ECLI:NL:HR:2021:503.

7 ECLI:NL:HR:2021:506.

8 ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.4.