Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2617

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 263
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BRE 18/263 tot en met 18/266

Omzetbelasting, artikel 28d van de Wet OB en artikel 4c van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, toepassing globalisatieregeling en autodemontageregeling.

De rechtbank verklaart de beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaringen van de bezwaren voor de jaren 2011 en 2014 ongegrond. Ten aanzien van de beroepen tegen de ambtshalve teruggaven omzetbelasting over de jaren 2011 en 2014 is de rechtbank onbevoegd te oordelen.

Voor de jaren 2012 en 2013 zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Partijen houdt verdeeld hoe de globalisatieregeling en de autodemontageregeling moeten worden toegepast op de gemengde activiteiten van belanghebbende (handel en autodemontage-activiteiten). De rechtbank beslist dat, uitgaande van afzonderlijke berekeningen voor de demontageactiviteiten enerzijds en de in- en verkoopactiviteiten anderzijds, belanghebbendes berekeningswijze niet gevolgd kan worden en dat belanghebbende overigens de berekeningswijze van de inspecteur niet voldoende onderbouwd heeft bestreden. De rechtbank overweegt daartoe onder meer dat de berekeningswijze van belanghebbende ertoe leidt dat een gedeelte van de verantwoorde inkoopprijs twee keer tot een vermindering van de heffingsmaatstaf leidt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met het systeem van de autodemontageregeling. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de bij de naheffingsaanslag opgelegde boetes terecht zijn opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 28d
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 4c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-5-2021
NTFR 2021/1749
V-N Vandaag 2021/1329
FutD 2021-1759 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2021/1167 met annotatie van -
NLF 2021/1167 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/263 tot en met BRE 18/266

uitspraak van 26 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 7 december 2016 suppletieaangiften omzetbelasting gedaan over de jaren 2011 tot en met 2014.

1.2.

De inspecteur heeft de suppletieaangiften voor de jaren 2011 en 2014 aangemerkt als bezwaren tegen de voldoening op aangifte over deze tijdvakken. Deze bezwaren zijn door de inspecteur bij beschikking van 19 mei 2017 niet-ontvankelijk verklaard en daarnaast aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. De inspecteur is gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de verzoeken om ambtshalve vermindering. Bij brief van 29 juni 2017 heeft belanghebbende hiertegen beroepen ingesteld.

1.3.

Voor de jaren 2012 en 2013 heeft de inspecteur naar aanleiding van de suppletieaangiften naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd, bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en verzuimboetes opgelegd.

1.4.

De bezwaren tegen de naheffingsaanslagen en de daarbij opgelegde verzuimboetes zijn door de inspecteur ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft daartegen op 11 januari 2018 beroep ingesteld.

1.5.

Ter zake van voormelde beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 338.

1.6.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van deze zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit de in-en verkoop van gebruikte personenauto’s, het demonteren van auto’s en de handel in sloopauto’s en onderdelen daarvan.

2.2.

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar, onder andere, de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014. Op 12 april 2017 is hiervan een rapport boekenonderzoek opgemaakt.

2.3.

Gedurende het boekenonderzoek heeft belanghebbende, op 7 december 2016, de volgende suppletieaangiften ingediend:

  • -

    Voor het jaar 2011 een suppletieaangifte naar een te ontvangen bedrag aan omzetbelasting van € 20.730;

  • -

    Voor het jaar 2012 een suppletieaangifte naar een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 20.615;

  • -

    Voor het jaar 2013 een suppletieaangifte naar een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 5.446;

  • -

    Voor het jaar 2014 een suppletieaangifte naar een te ontvangen bedrag aan omzetbelasting van € 21.521;

2.4.

De inspecteur heeft, in afwijking van de suppletieaangiften de volgende naheffingsaanslagen, beschikkingen belastingrente en verzuimboetes opgelegd c.q. ambtshalve teruggaven verleend:

  • -

    Voor het jaar 2011 een ambtshalve teruggaaf van € 11.558 (beschikkingsnummer: [beschikkingsnummer] B.01.1500);

  • -

    Voor het jaar 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting naar een te betalen bedrag van € 40.902 waarbij een bedrag aan belastingrente in rekening is gebracht van € 6.769 en een verzuimboete is opgelegd van € 4.090 (aanslagnummer: [aanslagnummer] F.01.2501);

  • -

    Voor het jaar 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting naar een te betalen bedrag van € 23.637 waarbij een bedrag aan belastingrente in rekening is gebracht van € 3.202 en een verzuimboete is opgelegd van € 2.363 (aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.3501);

  • -

    Voor het jaar 2014 een ambtshalve teruggaaf van € 4.826 (beschikkingsnummer [beschikkingsnummer] B.01.4500).

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de bezwaren tegen de voldoening van omzetbelasting op aangifte voor de jaren 2011 en 2014 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Daarnaast is in geschil hoe de verschuldigde omzetbelasting over de activiteiten van belanghebbende moet worden berekend, meer in het bijzonder gaat het daarbij om de vraag op welke wijze de globalisatieregeling moet worden toegepast gelet op de gecombineerde activiteiten van belanghebbende.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de uitspraken op bezwaar. Daarnaast concludeert belanghebbende tot vermindering van de naheffingsaanslagen en verhoging van de ambtshalve teruggaven overeenkomstig de door hem ingediende suppletieaangiften. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaren 2011 en 2014

4.1.

De inspecteur heeft de suppletieaangiften voor de jaren 2011 en 2014 aangemerkt als bezwaarschriften tegen de voldoening op de eigen aangiften van belanghebbende over deze tijdvakken. De bezwaren zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

4.2.

De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Belanghebbende heeft de bezwaren ruim buiten deze bezwaartermijn ingediend.

4.3.

De bezwaartermijn is van openbare orde. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is.1

4.4.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij met de inspecteur de afspraak heeft gemaakt dat de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting over de jaren 2011 tot en met 2014 open zou blijven staan. Deze afspraken zouden zijn gemaakt in het jaar 2017 tijdens onderhandelingen in het kader van een vaststellingsovereenkomst voor de vennootschapsbelasting.

4.5.

Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Een uitlating van de inspecteur, waarvan belanghebbende pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kennisneemt en vertrouwen aan ontleent, maakt niet dat de plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.2 Het beroep op een afspraak c.q. gewekt vertrouwen kan bovendien ook buiten de kwestie of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, belanghebbende niet helpen. Ook als sprake zou zijn van een afspraak zoals belanghebbende aanvoert, kan dat er niet toe leiden dat aan de overschrijding van de bezwaartermijn wordt voorbij gegaan. Het openbare-ordekarakter van de bezwaartermijn (zie 4.3) verzet zich daartegen. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2011 en 2014 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De ambtshalve beslissingen 2011 en 2014

4.6.

De suppletieaangiften voor de jaren 2011 en 2014 zijn door de inspecteur tevens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve teruggaaf van omzetbelasting. Artikel 65 van de AWR bepaalt dat een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve kan worden verminderd. Een beslissing op een verzoek om ambtshalve teruggaaf is niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat dan geen beroep open.3 Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is een inhoudelijk oordeel te geven over de ambtshalve beslissing op grond van artikel 65 van de AWR. De burgerlijke rechter is als restrechter bevoegd.

4.7.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting voor de jaren 2011 en 2014. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard ambtshalve een aanvullende teruggaaf van omzetbelasting te verlenen over de jaren 2011 en 2014 indien de rechtbank in het kader van de beoordeling van de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 en 2013 van oordeel is dat het gelijk aan belanghebbende is.

Berekeningsmethode van de verschuldigde omzetbelasting voor de jaren 2012 en 2013

4.8.

Artikel 28b van de Wet OB bepaalt dat, ingeval een wederverkoper gebruikte goederen verkoopt, de belasting – in afwijking van artikel 8, eerste lid van de Wet OB – wordt berekend over de winstmarge, zijnde het verschil tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van een dergelijk goed aan de wederverkoper door hem is of moet worden voldaan (hierna: de margeregeling). Uitgangspunt bij toepassing van de margeregeling is dat de te belasten winstmarge per individueel goed wordt berekend.

4.9.

Ingevolge artikel 28d van de Wet OB, in samenhang met artikel 4c, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, wordt op leveringen van vervoermiddelen de verschuldigde omzetbelasting in beginsel berekend over de gerealiseerde winstmarge in een tijdvak (hierna: de globalisatieregeling). De winstmarge per tijdvak is het verschil tussen de totaal ontvangen vergoeding in een tijdvak (verkoopprijs) en hetgeen ter zake van de levering aan de wederverkoper door hem is of moet worden voldaan in dat tijdvak (inkoopprijs) ter zake van goederen die onder de globalisatieregeling vallen.

4.10.

In het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 4 juli 20074 (hierna: het besluit) zijn met betrekking tot de toepassing van de globalisatieregeling door autodemontagebedrijven bijzondere regels opgenomen (hierna: de autodemontageregeling). Het besluit is geactualiseerd per 26 juli 20145, waarbij de toepassing van de autodemontageregeling inhoudelijk niet is gewijzigd. De autodemontageregeling regelt dat de belastingplichtige de globalisatieregeling, op een aangepaste wijze, ook kan toepassen op de levering van onderdelen die afkomstig zijn van gedemonteerde auto’s.

4.11.

In het besluit (tekst 2007) is met betrekking tot de autodemontageregeling, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(...)

Autodemontagebedrijven

De wederverkoper kan de margeregeling ook toepassen op de levering van onderdelen die afkomstig zijn van gedemonteerde auto's. Daarbij geldt de voorwaarde dat de levering van die auto's zelf ook onder de margeregeling zou kunnen vallen. De te demonteren auto’s koopt hij in van zowel particulieren en andere niet-ondernemers als van ondernemers die op de levering de normale btw-regels toepassen. Dit houdt in dat de wederverkoper op een gedeelte van zijn omzet de margeregeling kan toepassen. Uit overleg met vertegenwoordigers van de autodemontagebranche is echter gebleken dat de goederenstromen in deze bedrijfstak in de praktijk vrijwel niet zijn te volgen. Dat geldt ook voor de in- en verkoop van gebruikte auto-onderdelen die het autodemontagebedrijf niet zelf gedemonteerd heeft. Daarom tref ik, voor zover nodig met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule), de volgende goedkeuring.

Goedkeuring

Ik keur goed dat autodemontagebedrijven op zelf gedemonteerde en op ingekochte gebruikte auto-onderdelen de globalisatieregeling toepassen, waarbij zij gebruik maken van een forfaitaire berekeningsmethode. Deze methode houdt in dat de wederverkoper de omzet op forfaitaire wijze splitst in een gedeelte dat onder de normale btw-regels valt en een gedeelte waarop de margeregeling van toepassing is (zie onderdeel 4.23.1). De winstmarge op de marge-omzet berekent hij eveneens op forfaitaire wijze (zie onderdeel 4.23.2).

4.23.1

Forfaitaire verdeling van de omzet

De wederverkoper splitst de omzet (inclusief omzetbelasting) over een bepaalde periode in een gedeelte waarop de margeregeling van toepassing is en een gedeelte waarop de normale btw-regels van toepassing zijn. De btw-omzet berekent hij op forfaitaire wijze door de totale omzet te vermenigvuldigen met de breuk ‘voor verkoop bestemde btw-inkopen’ : ‘totale voor verkoop bestemde inkopen’. Wat over blijft is de marge-omzet. Deze forfaitaire verdeling blijft echter niet in stand als de forfaitair bepaalde btw-omzet kleiner is dan de omzet waarvoor de wederverkoper afzonderlijk omzetbelasting heeft gefactureerd of waarvoor de belastingheffing naar de afnemer is verlegd (zie artikel 24bb van het uitvoeringsbesluit). In die situatie bepaalt de wederverkoper de btw-omzet op de werkelijk met btw gefactureerde en de werkelijk met toepassing van de verleggingsregeling gerealiseerde omzet. Op het resterende gedeelte van de omzet past hij dan de margeregeling toe. (...)

4.23.2

Forfaitaire winstmarge

Voor de toepassing van deze forfaitaire berekening stelt de wederverkoper de te belasten winstmarge (inclusief omzetbelasting) vast op een percentage van de berekende marge-omzet. Dit percentage bepaalt hij op forfaitaire wijze door de totale omzet (inclusief omzetbelasting) te verminderen met de totale inkopen (inclusief omzetbelasting) en de uitkomst daarvan te delen door de totale omzet. Het percentage kan niet negatief zijn. (…)

4.23.3

Berekening van de verschuldigde belasting

Alle leveringen zijn onderworpen aan het algemene btw-tarief. De in een aangiftetijdvak verschuldigde belasting berekent de wederverkoper door de btw-omzet te splitsen in belaste en verlegde omzet. Over het gedeelte van de belaste omzet is hij 19/119 aan omzetbelasting verschuldigd. Over het gedeelte van de verlegde omzet is hij geen omzetbelasting verschuldigd. De marge-omzet belast hij door de daaraan toe te rekenen winstmarge te vermenigvuldigen met 19/119 aan omzetbelasting.

(…)”

4.12.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag hoe de verschuldigde omzetbelasting op grond van de globalisatieregeling en de autodemontageregeling dient te worden berekend. De rechtbank heeft de berekeningsmethoden zoals partijen die voorstaan, naast elkaar gezet in een overzicht dat als bijlage is opgenomen bij deze uitspraak (hierna: het overzicht van de berekeningsmethodes). Dit overzicht is ter zitting aan partijen verstrekt en behoort tot de stukken van het geding. Hoewel de rechtbank niet aan de beoordeling van het inhoudelijke geschil over het jaar 2011 is toegekomen, is ter zitting met partijen afgestemd dat de rechtbank het geschilpunt betreffende de naheffingsaanslagen over de jaren 2012 en 2013 kan beoordelen aan de hand van de berekeningen voor het jaar 2011 omdat de problematiek en de gehanteerde berekeningssystematiek in alle jaren gelijk is.

4.13.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, ingevolge de autodemontageregeling, voor de berekening van de verschuldigde belasting zowel de omzet die is behaald met de handelsactiviteiten (in- en verkoop van gebruikte auto’s), als de omzet die is behaald met het demonteren van auto’s als de omzet van de handel in (onderdelen van) sloopauto’s (hierna: demontage-activiteiten) moet worden meegerekend. Verder stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij slechts één globalisatieberekening hoeft te maken voor al haar activiteiten gezamenlijk. Op deze manier kan volgens belanghebbende de negatieve marge die zij behaalt met de demontage-activiteiten worden gecompenseerd met de positieve marge die zij behaalt met de handelsactiviteiten.

4.14.

De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij, voor zover het dit geschil betreft, er mee akkoord zou kunnen gaan dat belanghebbende van alle prestaties binnen haar onderneming, die onder de margeregeling vallen, één globalisatieberekening maakt. Dat is echter niet wat belanghebbende heeft gedaan. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat, uitgaande van de door belanghebbende gehanteerde afzonderlijke berekeningen voor de autodemontageregeling enerzijds en de handelsactiviteiten (globalisatieregeling) anderzijds, belanghebbende ten onrechte een gedeelte van de post ‘inkoop sloop marge’ twee keer meeneemt in haar berekeningen, waardoor de uiteindelijk berekende belaste winstmarge te laag uitkomt.

4.15.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de door belanghebbende overgelegde berekeningen volgt dat belanghebbende niet één globalisatieberekening heeft gemaakt voor al haar activiteiten maar twee afzonderlijke berekeningen heeft gemaakt om de totale belaste winstmarge te bepalen. Uit de berekeningen van belanghebbende blijkt dat zij de belaste winstmarge voor de autodemontage-activiteiten op forfaitaire wijze heeft bepaald door de behaalde marge op de totale omzet af te zetten tegen de gerealiseerde omzet en dit percentage te vermenigvuldigen met de margeverkopen in het kader van haar demontageactiviteiten. De belaste winstmarge voor de handelsactiviteiten heeft belanghebbende bepaald door de omzet ‘handelsactiviteiten’ (inclusief omzetbelasting) te verminderen met de onder de margeregeling vallende inkopen voor handelsactiviteiten en inkoop sloop marge. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank uitgaan van twee afzonderlijke berekeningswijzen van de belaste marge: voor de demontageactiviteiten enerzijds en de handelsactiviteiten anderzijds. Deze wijze van berekenen is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met systematiek zoals die volgt uit het wettelijk systeem en de onder 4.10. genoemde besluiten.

4.16.

Uitgaande van het hanteren van twee afzonderlijke berekeningen dient de vraag te worden beantwoord of, in afwijking van de door de inspecteur gehanteerde berekening, de door belanghebbende verschuldigde omzetbelasting berekend moet worden overeenkomstig de door belanghebbende gehanteerde berekeningswijze.

4.17.

De rechtbank merkt op dat de berekening van de forfaitaire marge op de demontageactiviteiten van belanghebbende leidt tot een hogere belaste (forfaitaire) winstmarge (€ 22.856) dan de door de inspecteur berekende belaste winstmarge (€ 16.819). In zoverre kan hetgeen belanghebbende aanvoert over de berekeningswijze binnen de autodemontageregeling, haar niet in een betere positie brengen. Nu dat ook geldt voor de jaren 2012 en 2013 behoeft, de berekeningswijze van de forfaitaire marge op de demontageactiviteiten verder geen bespreking.

4.18.

Ten aanzien van de berekening van de belaste winstmarge op de handelsactiviteiten merkt de rechtbank het volgende op. Uit het overzicht van de berekeningsmethodes (zie bijlage bij deze uitspraak) komt naar voren dat belanghebbende een bedrag van € 143.625 met als omschrijving ‘inkoop sloop marge’ als ‘inkoopprijs’ in aanmerking neemt bij de bepaling van de forfaitaire winstmarge onder de autodemontageregeling. Vervolgens neemt belanghebbende hetzelfde bedrag nogmaals als inkoopprijs in aanmerking bij het bepalen van de belaste winstmarge op haar handelsactiviteiten, zij het onder toepassing van een correctie van (per saldo) € 69.058 zijnde de ‘ontvangsten sloop marge inclusief omzetbelasting’ verminderd met de ‘belaste marge demontage’. Het gevolg van de door belanghebbende toegepaste berekeningssystematiek is dat per saldo een bedrag van € 74.567 in aanmerking wordt genomen als inkoopprijs bij het bepalen van zowel de forfaitaire winstmarge onder de autodemontageregeling als die onder de globalisatieregeling. Naar het oordeel van de rechtbank is een berekeningssystematiek waarbij één bedrag voor inkoop twee keer leidt tot een vermindering bij de bepaling van de heffingsmaatstaf niet in overeenstemming met het systeem van de autodemontageregeling. Gelet hierop kan de berekeningswijze van belanghebbende van de belaste winstmarge op de handelsactiviteiten niet worden gevolgd.

4.19.

Voor het zich hier voordoende geval dat de rechtbank de berekeningswijze van belanghebbende niet volgt, heeft belanghebbende verder de berekeningswijze van de inspecteur niet, althans niet voldoende onderbouwd, bestreden.

4.20.

Gelet op het vorenstaande zijn de naheffingsaanslagen niet tot te hoge bedragen vastgesteld. Dat geldt dan ook voor de daarbij in rekening gebrachte rente, waartegen geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd.

Verzuimboetes

4.21.

De Inspecteur heeft bij de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2012 en 2013 aan belanghebbende verzuimboetes opgelegd wegens het niet betalen van omzetbelasting. De verzuimboetes bedragen 10% van de op de naheffingsaanslag verschuldigde omzetbelasting.

4.22.

De rechtbank is van oordeel dat de boetes in overeenstemming met de wettelijke bepalingen6 aan belanghebbende zijn opgelegd en overeenkomstig het geldend beleid7 zijn vastgesteld op 10% van de verschuldigde belasting. Nu de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd, heeft zij bij de aangiften over de tijdvakken onvoldoende omzetbelasting afgedragen en zijn de beboetbare feiten begaan. Bij het opleggen van de verzuimboetes wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid. Alleen in geval van afwezigheid van alle schuld (avas) of als sprake is van een pleitbaar standpunt wordt geen verzuimboete opgelegd. Dat sprake is van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt is gesteld noch gebleken. De verzuimboetes zijn dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank acht de opgelegde verzuimboetes van 10% van het nageheven bedrag in de gegeven omstandigheden passend en geboden.

4.23.

Wel ziet de rechtbank aanleiding tot ambtshalve vermindering van de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken als eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 23 februari 2017 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment de boeten voor het eerst zijn aangekondigd bij het eindgesprek in het kader van het boekenonderzoek. De rechtbank doet uitspraak op 26 mei 2021. Sinds de aankondiging van de boeten zijn dan (afgerond) 52 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 28 maanden. De boeten voor de jaren 2012 en 2013 worden daarom gematigd met 20 % en vastgesteld op respectievelijk € 3.272 en

€ 1.890.8

Slotsom

4.24.

De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaringen van de bezwaren voor de jaren 2011 en 2014 zijn ongegrond. Ten aanzien van de beroepen tegen de ambtshalve teruggaven over de jaren 2011 en 2014 is de rechtbank onbevoegd hierover te oordelen. De beroepen betreffende de jaren 2012 en 2013 zijn ongegrond. De ambtshalve constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de bij de naheffingsaanslagen opgelegde boeten maakt dat niet anders.9

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart zich onbevoegd voor zover de beroepen betrekking hebben op de ambtshalve teruggaven voor de jaren 2011 en 2014;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de boeten opgelegd bij de naheffingsaanslagen over de jaren 2012 en 2013;

  • -

    vermindert de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag over het jaar 2012 tot € 3.272;

  • -

    vermindert de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag over het jaar 2013 tot € 1.890.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr. A.E. Keulemans, rechters, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Bijlage

1 Artikel 6:22 van de Awb.

2 Vergelijk Hoge Raad 22 november 2000, nr. 35 601, ECLI:NL:HR:2000:AA8419.

3 Artikel 26 van de AWR.

4 nr. CPP2007/498M, Strct.2007, 133.

5 nr. BLKB2014/546M, Stcrt. 2014, 21054.

6 Artikel 67c AWR (tekst 2015).

7 Paragraaf 24, onderdeel 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

8 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.

9 Vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053.