Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2602

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1727 VV en AWB- 21_1728
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongegrond verklaren bezwaren tegen omgevingsvergunning voor het renoveren en uitbreiden van een pand en niet-ontvankelijk verklaren bezwaren tegen omgevingsvergunning voor het slopen van bijgebouwen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1727 VV en 21/1728 WABO

uitspraak van 25 mei 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

1. [namen verzoekers 1]te [woonplaats verzoekers 1] , verzoekers sub 1;

2. [namen verzoekers 2] , te [woonplaats verzoekers 2] , verzoekers sub 2

gemachtigde: P. van Leest

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder] , te [vestigingsplaats vergunninghouder] ,

gemachtigde: A. Witlox-Verstijnen.

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 maart 2021 (bestreden besluit) inzake de ongegrond verklaring van hun bezwaren tegen de omgevingsvergunning voor het renoveren en uitbreiden van een pand aan [adres pand] te [plaats pand] en de niet-ontvankelijk verklaring van hun bezwaren tegen de omgevingsvergunning voor het slopen van bijgebouwen op datzelfde perceel.

Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 mei 2021. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde P.J.M. van Leest. Verzoekers sub 1 zijn ook in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.J. Wesel. Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden A. Witlox-Verstijnen en door mr. O.A.A. Alberts.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 9 april 2020 heeft derde partij omgevingsvergunning gevraagd voor de renovatie en uitbreiding van het pand [adres pand] te [plaats pand] . De renovatie betreft nieuwe gevelkozijnen in het bestaande pand aan [adres pand] . De uitbreiding ziet op het realiseren van een nieuw gebouw ten behoeve van logies/zorghotel aan de achterzijde. Dit betreft een voorziening voor tijdelijke opvang in de vorm van respijtzorg.

Bij besluit van 1 juli 2020 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Omdat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang met artikel 4, aanhef en lid 9, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 7 augustus 2020 een bezwaarschrift ingediend. Verzoekers sub 1 wonen naast het perceel [adres pand] en verzoekers sub 2 wonen aan de achterzijde van dit perceel.

Op 21 juli 2021 heeft derde partij verzocht om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wabo voor het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Bij besluit van 21 juli 2021, verzonden 22 juli 2021, heeft verweerder de gevraagde sloopvergunning verleend.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 28 augustus 2020 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen de sloopvergunning niet-ontvankelijk verklaard wegen niet-verschoonbare termijnoverschrijding. De bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ zijn, in afwijking van het advies van de Bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening inzake de niet-ontvankelijk verklaring van de bezwaren tegen de sloopvergunning.

3. Ter zitting is gebleken dat de sloop voltooid is en dat verzoekers geen belang meer hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de niet-ontvankelijk verklaring van hun bezwaren tegen de sloopvergunning. De voorzieningenrechter zal daarom het beroep van verzoekers tegen dit onderdeel van het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Gegeven deze uitkomst zal het desbetreffende verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen.

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening inzake de ongegrond verklaring van de bezwaren tegen de omgevingsvergunning voor het renoveren en uitbreiden van het pand.

4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” rust op het perceel [adres pand] de bestemming “Gemengd-7”.

Artikel 23.1 van de planregels bepaalt dat de als zodanig aangewezen gronden

zijn bestemd voor:

  1. cultuur en ontspanning: atelier, creativiteitscentrum, dansschool, evenemententerrein, museum, muziekschool, sauna, wellness en daarmee vergelijkbare voorzieningen;

  2. detailhandel, waaronder begrepen horeca uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit uit ten hoogste categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten;

  3. dienstverlening;

  4. kantoor;

  5. wonen in een woning;

(…).

4.1

Artikel 4, aanhef en onder lid 1 en lid 9, van bijlage II bij het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komen:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan (…);

(…)

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten (…).

Bijbehorend bouwwerk is in artikel 1 van bijlage II bij het Bor gedefinieerd als: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Hoofdgebouw is in artikel 1 van bijlage II bij het Bor gedefinieerd als: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

4.2

Niet in geschil is dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning uitsluitend toepassing heeft gegeven aan artikel 4, aanhef en onder lid 9, van bijlage II bij het Bor en dat dit ontoereikend is om het bouwplan te kunnen vergunnen. Het beoogd gebruik van de uitbreiding aan de achterzijde is in strijd met de bestemming “Gemengd-7” en daarom is het bouwen ten behoeve van die beoogde bestemming niet toegestaan. Om dit gebrek te herstellen heeft verweerder bij het bestreden besluit tevens toepassing geven aan artikel 4, aanhef en onder lid 1, van bijlage II bij het Bor ten behoeve van de uitbreiding aan de achterzijde.

4.3

Verzoekers hebben gewezen op de passage in het bestreden besluit waarin gesteld wordt dat de uitbreiding achter de bestaande woning en winkel [adres pand] als bijgebouw moet worden aangemerkt en dat die bebouwing daarom op zich passend is in het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter kan verzoekers volgen in hun stelling dat deze passage vragen oproept, maar kan daar niet de door verzoekers gewenste conclusie aan verbinden dat het bestreden besluit daarom vernietigd moet worden. De voorzieningenrechter begrijpt deze redenering aldus dat verweerder hiermee heeft willen aangeven dat de omvang van de uitbreiding past binnen de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan voor dit perceel biedt. Juist omdat wordt afgeweken van het bestemmingsplan heeft dit standpunt van verweerder uitsluitend betekenis voor de beantwoording van de vraag of de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Deze vraag zal hierna in de uitspraak nog aan de orde komen.

4.4

Verzoekers hebben in beroep betoogd dat de combinatie van artikel 4, lid 1 en lid 9 in dit geval niet is toegestaan en hebben in dat verband gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:963.

4.4.1

In deze uitspraak overwoog de AbRS dat in de Nota van Toelichting bij het besluit tot wijziging van het Bor per 1 november 2014 (Stb. 2014, 333 p. 50-51) is vermeld dat de verscheidene onderdelen van artikel 4 van bijlage II in één omgevingsvergunning gecombineerd kunnen worden toegepast en dat het zo mogelijk is om tegelijkertijd een omgevingsvergunning te verlenen voor een bepaald gebruik, bedoeld in artikel 4, lid 9, van een bestaand hoofdgebouw en voor de bouw en het gebruik van een bijbehorend bouwwerk, bedoeld in artikel 4, lid 1.

Voorts oordeelde de AbRS dat, gelet op de systematiek van artikel 4 van bijlage II behorende bij het Bor, eerst te bezien dient te worden of omgevingsvergunning kon worden verleend met toepassing van lid 1 van dat artikel omdat bij een gecombineerde toepassing van artikel 4, lid 9, ten behoeve van een bepaald gebruik van een bouwwerk, met artikel 4, onderdeel 1, ten behoeve van bouw en gebruik van een bijbehorend bouwwerk, in ieder geval beoordeeld moet worden in hoeverre een grondslag aanwezig is voor de bouw van het aangevraagde bouwwerk.

Ten slotte komt de AbRS tot de conclusie dat die grondslag er niet is omdat alle gebouwen op het terrein gesloopt zijn en er geen hoofdgebouw op het perceel aanwezig is. Deze essentie van deze uitspraak is door de AbRS benadrukt in de uitspraak van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:876. In rechtsoverweging 4.1 overweegt de AbRS dat de verwijzing naar de uitspraak van 21 maart 2018 niet kan slagen omdat in die uitspraak werd geoordeeld dat het aangevraagde bouwwerk geen bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Bor was omdat er geen hoofdgebouw op het perceel aanwezig was.

4.4.2

Partijen verschillen niet van mening, en ook de voorzieningenrechter gaat er van uit, dat in dit geval wel een hoofdgebouw aanwezig is, namelijk het bestaande pand aan [adres pand] waarin voorheen een winkel en een woning waren gevestigd. Dit pand is in de oude situatie het hoofdgebouw en kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in de nieuwe situatie als hoofdgebouw worden aangemerkt. Dit oordeel wordt nader toegelicht onder overweging 4.4.4.

Gegeven de aanwezigheid van een hoofdgebouw bestaat vervolgens de mogelijkheid om dit hoofdgebouw uit te breiden met een bijbehorend bouwwerk. Ingevolge de desbetreffende definitie kan het hierbij, naast uitbreiding van het hoofdgebouw, ook gaan om een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Gelet op de hiervoor aangehaalde Nota van Toelichting kan het bijbehorend bouwwerk met artikel 4, lid 1, van bijlage II bij het Bor worden vergund voor zowel de bouw als het gebruik ervan. Dit betekent dat toepassing van artikel 4, lid 9, van bijlage II bij het Bor in dit geval alleen nodig was voor wijziging van het gebruik van het hoofdgebouw. Vaststaat dat de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume van dit bestaand pand aan de Kerkstraat 21 niet wijzigt.

4.4.3

De gemeentelijke Bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd om het bezwaar van verzoekers op dit punt gegrond te verklaren omdat cumulatie van artikel 4, lid 1 en lid 9 in dit geval niet is toegestaan. Volgens de Bezwaarschriftencommissie is de voorgenomen nieuwbouw, zijnde het gebouw waarin de logiesfunctie voor 12 cliënten is gepland, niet aan te merken als een bijgebouw en is de oudbouw op de locatie [adres pand] in het bouwplan niet langer aan te merken als het hoofdgebouw. De Bezwaarschriftencommissie concludeert dat ter plaatse een nieuw hoofdgebouw wordt gerealiseerd omdat de logies ten behoeve van respijtzorg met name vanuit de nieuwbouw zal gaan plaatsvinden, het bijgebouw geen uitbreiding van het hoofdgebouw is en het aanvankelijke hoofdgebouw aan de Kerkstraat 21 niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de toekomstige bestemming en gelet op die bestemming ook niet langer het belangrijkste gebouw is. De Bezwaarschriftencommissie vindt steun voor deze conclusie in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de AbRS van 4 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:338.

4.4.4

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Bezwaarschriftencommissie met het gebruik van het woord ‘bijgebouw’ een te beperkte invulling heeft gegeven aan het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’. Een bijbehorend bouwwerk behoeft niet functioneel ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. Voorts kan de voorzieningenrechter de verwijzing naar de uitspraak van 4 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:338, niet volgen aangezien in die casus artikel 4, lid 9, van bijlage II van het Bor is toegepast voor verlening van een vergunning voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een gebouw dat niet feitelijk aanwezig en vergund is. Zoals hiervoor al is aangegeven, is op het perceel [adres pand] wel een gebouw aanwezig en is dat gebouw het hoofdgebouw, waarvan het gebruik met toepassing van artikel 4, lid 9, van bijlage II bij het Bor wordt gewijzigd voor het mogelijk maken van de zorgfunctie. Daarnaast wordt dit hoofdgebouw aan de achterzijde uitgebreid met nieuwbouw waarin de logiesfunctie voor 12 cliënten zal worden ondergebracht. Deze uitbreiding en het gebruik voor zorgdoeleinden is, bij het bestreden besluit, vergund met toepassing van artikel 4, lid 1, van bijlage II bij het Bor. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze cumulatie van artikel 4, lid 1 en lid 9, in dit geval niet in strijd met de tekst en de bedoeling van deze bepalingen.

Ten slotte is de voorzieningenrechter, anders dan de Bezwaarschriftencommissie, van oordeel dat de nieuwbouw niet als een nieuw hoofdgebouw gezien kan worden. Met de nieuwbouw wordt het bestaande hoofdgebouw uitgebreid en ontstaat er een groter hoofdgebouw, dat evident noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de toekomstige bestemming. Zowel in het bestaande hoofdgebouw als in de nieuwbouw zullen zorgfuncties worden ondergebracht die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de door derde partij beoogde respijtzorg. De voorzieningenrechter leidt namelijk uit de overgelegde tekeningen af dat zowel de keuken als een (groot) deel van de gemeenschappelijke (verblijfs)ruimtes in het bestaande hoofdgebouw worden gerealiseerd. De stelling van eisers ter zitting, dat ook deze functies in de nieuwbouw worden gerealiseerd, volgt de voorzieningenrechter dus niet.

5. Verzoekers hebben betoogd dat het bouwplan in strijd is met de planregels omdat het bebouwingspercentage van 60 wordt overschreden.

5.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat dit bebouwingspercentage op zich geen doorslaggevende betekenis kan hebben in een situatie als de onderhavige waarin juist wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De mate waarin dit percentage wordt overschreden kan wel van invloed zijn op de beantwoording van de vraag of het bouwplan al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, is immers toepassing van artikel 4, lid 1 en lid 9, van bijlage II bij het Bor, slechts mogelijk indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

5.2

Artikel 23.2, sub f, van de planregels van het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” bepaalt dat de bebouwde oppervlakte van aanbouw en uitbouw, bijgebouw en overkapping gezamenlijk per perceel niet meer mag bedragen dan 60%. Het begrip ‘perceel’ is in artikel 1.55 van de planregels gedefinieerd als een aaneengesloten stuk grond dat een eenheid vormt in gebruik. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat blijkens de plankaart en het renvooi, het hele perceel als bouwvlak is aangewezen. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat 60% van het perceel mag worden bebouwd ten behoeve van aanbouw en uitbouw, bijgebouw en overkapping. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de planregels in dit geval bepalend. Aangezien de tekst daarvan duidelijk is, komt – in het belang van de rechtszekerheid – geen (doorslaggevende) betekenis toe aan de toelichting op de planregels.

Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de oppervlakte van de patio’s en de trap buiten beschouwing gelaten moet worden omdat zij niet aangemerkt kunnen worden als aanbouw, uitbouw, bijgebouw of overkapping. Indien met verzoekers aangenomen moet worden dat de drainageboxen aangemerkt moeten worden als overkapping en dat daardoor het toegelaten percentage van 60 wordt overschreden, dan kan daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ruimtelijk opzicht geen doorslaggevend gewicht aan worden toegekend. De drainageboxen hebben een oppervlakte van 47 m2 en voegen daarmee 4,3% toe aan de bebouwde oppervlakte van het perceel.

5.3

In het verlengde hiervan hebben verzoekers aangevoerd dat de patio en de trap in strijd zijn met het bestemmingsplan omdat zij moeten worden aangemerkt als overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvan de hoogte ingevolge artikel 23.2, sub e, onder 3h, van de planregels niet meer dan 1 meter mag bedragen. Volgens verzoekers geldt voor deze bouwwerken dat ingevolge artikel 1.54 van de planregels de hoogte moet worden gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. Door realisering van het bouwplan wordt de toegestane hoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, overschreden, aldus verzoekers.

Niet alleen de hoogte van de patio en de trap, maar met name de hoogte van de muur van de nieuwbouw is volgens verzoekers in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij in de praktijk zullen aankijken tegen een muur die een totale hoogte heeft van ruim 5 meter, doordat het perceel naar beneden afloopt richting [straatnaam] . Met name door de hoogte van deze muur vrezen zij inbreuk op hun woongenot.

5.4

De voorzieningenrechter overweegt dat ingevolge de artikelen 2.3 en 1.54 van de planregels de bouwhoogte van een bouwwerk moet worden gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw en dat het peil voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen wordt bepaald door de hoogte van die weg. Ter zitting hebben verzoekers erkend dat de hoogte van de gebouwen op het perceel gemeten moet worden vanaf het peil van [adres pand]. Omdat het perceel richting [straatnaam] naar beneden afloopt zullen verzoekers in hun tuinen geconfronteerd worden met (buiten)muren van gebouwen die 5 meter hoog zijn. Dit is echter een consequentie die geheel is verdisconteerd in de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Ingevolge artikel 23.2, sub e, onder 1 en 2, van de planregels, mogen goothoogte en bouwhoogte van aanbouw, uitbouw, bijgebouw en overkapping niet meer bedragen dan 3 meter respectievelijk 6 meter. De bouwhoogte van het bouwplan voor de in geding zijnde uitbreiding bedraagt 3,20 meter en blijft daarmee ruimschoots binnen het toegelaten maximum. Dat de muur in de praktijk hoger is/lijkt, kan niet tot een ander oordeel leiden omdat dit een consequentie is van de door het bestemmingsplan voorgeschreven wijze van meten.

6. Naar aanleiding van het bezwaar van verzoekers met betrekking tot de brandveiligheid van de nieuwbouw heeft de voorzieningenrechter ter zitting ambtshalve geïnformeerd naar de noodzaak van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo. Op grond van deze bepaling, in samenhang met artikel 2.2 eerste lid, aanhef en onder a, van het Bor, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen. Verweerder heeft erkend dat deze omgevingsvergunning niet is verleend. Deze omissie kan echter niet leiden tot gegrond verklaring van het beroep, omdat het ontbreken van deze omgevingsvergunning geen beroepsgrond is en ook niet raakt aan de bevoegdheid van de voorzieningenrechter. Daar komt bij dat de desbetreffende omgevingsvergunning strekt tot bescherming van de personen die er in het kader van verzorging gedurende de nacht zullen verblijven.

De belangen van verzoekers als naaste buren worden wel beschermd door de normen van algemene brandveiligheid. Onder verwijzing naar twee documenten inzake de brandcompartimentering heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting toegelicht dat volgens het laatste rapport van de Brandweer aan de algemene normen van brandveiligheid wordt voldaan en dat dus ook aan de voorwaarden in het rapport van 19 mei 2020 is voldaan. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

7. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat het bouwplan van derde partij niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De nieuwbouw achter het hoofdgebouw overschrijdt voor wat betreft het bebouwingspercentage niet of nauwelijks de mogelijkheden van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de hoogte van de nieuwbouw blijft ruimschoots binnen die mogelijkheden. In het verlengde hiervan overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers ook zonder de in geding zijnde afwijking geconfronteerd hadden kunnen worden met vergelijkbaar grote bouwplannen indien het gebruik wel overeenkomstig de bestemming “Gemengd-7” zou zijn. Verzoekers hebben echter niet zozeer bezwaar tegen het beoogde gebruik ten behoeve van respijtzorg, maar vrezen met name een aantasting van hun woongenot door de bouwhoogte van de nieuwbouw. In dit verband hebben zij ook gewezen op de gevolgen voor de bezonning van hun percelen en hebben zij gesteld dat het overgelegde bezonningsrapport ontoereikend is. Aangezien de bouwhoogte van de nieuwbouw ruimschoots lager is dan het bestemmingsplan toelaat, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, niet in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van derde partij bij realisering van het bouwplan.

8. Het beroep zal ongegrond verklaard worden. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op de niet-ontvankelijk verklaring van de bezwaren tegen de sloopvergunning;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond voor zover dit betrekking heeft op de omgevingsvergunning voor het renoveren en uitbreiden van het pand Kerkstraat 21;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 25 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

P.H.M. Verdonschot, griffier G.M.J. Kok, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.