Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2561

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1808 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom wegens overtreding art. 2:74 APV gemeente Oosterhout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1808 GEMWT VV

uitspraak van 20 mei 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

de burgemeester van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 maart 2021 (bestreden besluit) waarbij de burgemeester hem een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening Gemeente Oosterhout (APV).

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 van de APV. Daarin is bepaald dat onverminderd het bepaalde in de Opiumwet het verboden is op of aan een openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Aan het standpunt dat sprake was van een overtreding van deze bepaling, heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van 21 januari 2021 ten grondslag gelegd. Daarin is -samengevat- vermeld dat verzoeker op 15 januari 2021 als bestuurder van een personenauto met kenteken [kenteken] is gecontroleerd in de [adres] . Daarbij is geconstateerd dat in de tas van verzoeker 9,8 gram hennep, verdeeld over 9 gripzakjes, en een bedrag van € 395,- aan contant geld in kleine biljetten aanwezig was. Volgens de burgemeester kan uit deze omstandigheden worden opgemaakt dat verzoeker zich bevond op een openbare plaats met het kennelijke doel om drugs te verhandelen.

In een brief van 18 februari 2021 heeft de burgemeester aan verzoeker bericht dat hij voornemens is een last onder dwangsom aan hem op te leggen in verband met deze overtreding. Op 22 februari 2021 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

De burgemeester heeft bij het bestreden besluit, onder weerlegging van de zienswijze, een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd om de geconstateerde overtreding van artikel 2:74 van de APV niet te herhalen. Dit betekent dat als, vanaf een dag na verzending van het bestreden besluit, wordt geconstateerd dat verzoeker opnieuw een overtreding van artikel 2:74 van de APV begaat, hij een dwangsom moet betalen van € 2.500,- per constatering met een maximum van € 10.000,-.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Voordat de voorzieningenrechter kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, dient gelet op artikel 8:81, eerste lid, van de Awb eerst ambtshalve te worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang.

Verzoeker heeft gesteld dat hij spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening omdat de opgelegde last onder dwangsom hem belemmert in zijn dagelijks leven en inbreuk maakt op zijn levenssfeer. Daarbij meent verzoeker dat de last onder dwangsom ten onrechte aan hem is opgelegd.

4. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. De door verzoeker gestelde belemmering in zijn dagelijks leven en inbreuk op zijn levenssfeer zijn door hem niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter overweegt dat de last tot doel heeft om herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV te voorkomen. Indien verzoeker niet opnieuw een overtreding begaat, verbeurt hij ook geen dwangsom en heeft de hem opgelegde last dus geen directe gevolgen voor zijn dagelijks leven of zijn levenssfeer. Verzoeker heeft dit zelf in de hand.

Voor zover verzoeker doelt op de mogelijkheid dat hij in de (nabije) toekomst, als hij de last zou overtreden, geconfronteerd wordt met verbeurte van de dwangsom, maakt dat het voorgaande niet anders. Een financieel belang vormt op zichzelf immers geen reden om een spoedeisend belang aan te nemen en een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan wel het geval zijn als er sprake is van een actuele financiële noodsituatie met voor verzoeker onomkeerbare (financiële) gevolgen. Van de aanwezigheid van een zodanig zwaarwegend financieel belang is echter niet gebleken.

Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een zodanig spoedeisend belang dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

5. Er kan ondanks het ontbreken van een spoedeisend belang toch aanleiding bestaan een voorlopige voorziening te treffen, indien sprake is van een apert onrechtmatig besluit. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan geen sprake.

6. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af, wegens het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek wordt niet toegekomen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 20 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te tekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.