Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2559

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
02-027450-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor stalking van twee vrouwen, waaronder een hulpverleenster. Ondanks dat de rechtbank van oordeel is dat de eis van de officier van justitie mild is te noemen, heeft de rechtbank de officier van justitie wel gevolgd. Gelet op de consequenties die deze vervolging voor verdachte met zich mee hebben gebracht in het kader van de eerder opgelegde PIJ-maatregel ziet de rechtbank aanleiding verdachte geen hogere straf op te leggen dan gevorderd, hoewel daar gelet op de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, wel aanleiding toe zou zijn. 90 dagen gevangenisstraf, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met ene proeftijd van 2 jaar met onder meer een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-027450-21

vonnis van de meervoudige kamer van 25 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

uit anderen hoofde gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting Intermetzo te Lelystad

raadsman mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 mei 2021, waarbij de officier van justitie, mr. A.L. Gaillard, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte twee vrouwen heeft gestalkt en ruiten, deuren en het erf van hun woning en auto’s van één van hen heeft vernield of beschadigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen hem is tenlastegelegd heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij met name op de aangifte en verklaringen van mevrouw [slachtoffer 1] , op bevindingen van de politie en op de verklaring van verdachte ter zitting dat hij degene is geweest die pizza’s op naam van aangeefster heeft besteld.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Aangevoerd is, kort samengevat, dat de aangifte is gebaseerd op een onderbuikgevoel van aangeefster en dat het erop lijkt dat sprake is van een persoonlijke wrok bij aangeefster in de richting van verdachte. Daarnaast is aangevoerd dat de verklaring van de getuige [naam 1] is gebaseerd op veronderstellingen, gestoeld op informatie die afkomstig is van aangeefster en de algemeen directeur van [naam 3] .

De betrokkenheid van verdachte bij de hem verweten gedragingen volgt op geen enkele wijze uit de gemaakte camerabeelden. De vriendin van verdachte heeft verklaard dat hij ’s nachts meestal bij haar verbleef. Het feit dat de telefoon van verdachte geen zendmast aanstraalt in de omgeving van de woning van aangeefster is een belangrijke contra-indicatie voor de betrokkenheid van verdachte.

Geconcludeerd is dat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in de rest van het dossier.

Enkel ten aanzien van het bestellen van pizza’s heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Ten aanzien hiervan is aangevoerd dat sprake is geweest van een slechte grap die geen strafrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert en die geen stelselmatige inbreuk op de privacy van aangeefster oplevert.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte twee vrouwen heeft gestalkt en goederen heeft beschadigd en vernield.

De rechtbank overweegt hierbij nog het volgende.

Ter zitting heeft verdachte bekend dat hij pizza’s en andere etenswaren heeft besteld en bij de woning van [slachtoffer 1] heeft laten afleveren. Bij de bestellingen werd aangegeven dat hard op de deur gebonsd moest worden omdat de voordeurbel kapot zou zijn. Volgens de bon is de bestelling gedaan op naam van “ [naam 2] ”. Ook heeft hij pizza’s bij [naam 3] laten bezorgen. Daarnaast heeft hij bekend dat hij een collega van [slachtoffer 1] uit boosheid een WhatsApp-bericht heeft gestuurd. De rechtbank stelt vast dat in dit bericht sterke gevoelens van wrok en haat jegens deze collega doorklinken en dat het een zeer beledigende en minachtende tekst bevat. In het bij aangeefster [slachtoffer 1] rond middernacht, op twee momenten kort na elkaar laten bezorgen van allerlei etenswaren, waarbij verzocht is om op de deur te bonzen en waarbij geadresseerd is aan “ [naam 2] ”, ziet de rechtbank niet alleen een zelfde kennelijke behoefte te kwetsen, maar ook een streven om gevoelens van onrust of zelfs angst op te roepen.

De rechtbank stelt vast dat deze handelingen van verdachte duiden op een wrok richting medewerkers van [naam 3] en naar [naam 3] zelf voor de tijd dat verdachte in die jeugdinrichting heeft verbleven. Zelf heeft hij hierover ter zitting nog verklaard dat het grof gezegd een dikke middelvinger naar [naam 3] was. Verdachte zijn verklaring dat hij voor de grap pizza’s liet bezorgen omdat hij daar in [naam 3] vaak bij aangeefster om had gevraagd, vindt de rechtbank vanwege de wijze waarop het is gegaan, volstrekt ongeloofwaardig.

Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat in dezelfde periode als voorgaande incidenten, tweemaal met soortgelijke bakstenen, een ruit werd ingegooid van de woning aan de [adres 2] in Bavel, de woning van aangeefster [slachtoffer 1] . De eerste keer midden in de nacht van 18 op 19 september en de tweede keer, rond hetzelfde tijdstip in de nacht van 18 op 19 oktober 2020. Toen werden ook de auto’s van aangeefster beklad en werden de voordeur, de gevel en het tuinpad beklad. Beide keren werden op camerabeelden 2 personen op een scooter gezien. Tijdens de eerste nacht, te weten de nacht van 18 op 19 september 2020 had verdachte slaapverlof en tijdens de tweede nacht, de nacht van 18 op 19 oktober 2020, had verdachte al volledig verlof. Uit camerabeelden blijkt dat bij die gelegenheden gebruikt werd gemaakt van een scooter die qua model gelijkenis vertoont met de scooter van verdachte. Ook de scooter van verdachte heeft een windscherm op het stuur.

Van eenzelfde soort scooter met daarop twee personen werd ook weer gebruik gemaakt op 22 december 2020. Die nacht werd er vuurwerk op het tuinpad van de woning [adres 2] in Bavel gegooid. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de scooter van verdachte kort na het incident niet bij de woning van verdachte aan de [adres 1] in Breda stond. Korte tijd later heeft de politie geconstateerd dat de scooter van verdachte weer bij zijn woning stond. De uitlaat van de scooter was nog warm.

Als verklaring voor deze warme uitlaat heeft verdachte ter zitting aangegeven dat “hij wel iets zal zijn gaan halen bij de [naam 4] ”. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring, gezien de ongeloofwaardigheid van verdachte zijn verklaring ter zitting over de reden waarom hij het eten bij aangeefster liet bezorgen, het gebleken motief en de samenhang van de gebeurtenissen - klaarblijkelijk om een bepaald doel te bereiken. Dit nog los van het feit dat verdachte deze verklaring op geen enkele manier heeft onderbouwd.

Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de stalking van de twee vrouwen is begonnen toen verdachte slaapverlof had en is opgehouden nadat verdachte door de politie was aangehouden en in voorlopige hechtenis werd genomen.

Pas nadat de vriendin van verdachte bij de politie had verklaard dat zij samen met verdachte etenswaren had besteld, heeft verdachte ten aanzien hiervan een bekennende verklaring afgelegd ter zitting, terwijl hij tijdens zijn verhoor bij de politie stellig heeft ontkend ook maar iets te maken te hebben gehad met het bestellen van eten.

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen en op grond van wat hiervoor is overwogen van oordeel dat het verdachte is geweest die samen met een ander de ruiten heeft ingegooid, auto’s, een voordeur en een tuinpad met verf heeft beklad, etenswaren heeft besteld en vuurwerk naar de woning van de slachtoffers heeft gegooid.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van deze gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.

Gelet op het vorenstaande kan daarom hetgeen verdachte is tenlastegelegd, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 19 september 2020 tot en met 22 december 2020 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door

- meermalen bij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan de deur van hun woning te verschijnen en eieren en een baksteen tegen het raam en de voordeur te gooien en vuurwerk te gooien en met een verfspuitbus de woning en het erf en de auto’s van voornoemde [slachtoffer 1] te bekladden en

- meermalen etenswaren te bestellen (via [naam website] en/of telefonisch) op naam van [slachtoffer 1] en laten bezorgen bij de woning van die [slachtoffer 1] en met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.

op tijdstippen in de periode van 19 september 2020 tot en met 22 december 2020 te Bavel, gemeente Breda tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk ruiten en een deur en het erf van een woning gelegen aan de [adres 2] en meerdere voertuigen (Kia Rio, kenteken [kenteken 1] en/ Citroen C1, kenteken [kenteken 2] ), die aan een ander dan aan verdachte, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorden heeft vernield en beschadigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van het voorarrest met daarbij als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft gedurende een periode van enkele maanden twee vrouwen gestalkt door bij hun woning gedurende de nacht ruiten in te gooien, een deur en tuinpad te bekladden, eieren te gooien en vuurwerk af te steken. Ook heeft hij auto’s van de vrouwen beschadigd door ze te bekladden met verf.

De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan, met name nu deze stalking is gericht tegen een hulpverlener. Eén van de slachtoffers, mevrouw [slachtoffer 1] , is werkzaam geweest als afdelingshoofd bij de Jeugdinrichting waar verdachte heeft verbleven. Hulpverleners bij een jeugdinrichting zoals [naam 3] zijn er juist om jongeren te helpen, jongeren die ontspoord zijn of dreigen nog verder te ontsporen. Hulpverleners die het beste voorhebben met hun cliënten. En wat heeft verdachte gedaan? Slachtoffer [slachtoffer 1] en haar partner gestalkt omdat hij een wrok koesterde richting deze hulpverleenster, kennelijk omdat haar professionele optreden hem niet aanstond.

De feiten hebben ook een grote impact op de slachtoffers en hun gezin. Dat blijkt ook uit een ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Met zijn handelen heeft verdachte het leven van de slachtoffers compleet overhoop gehaald. Zij voelden zich in hun eigen huis niet veilig, terwijl dat juist dé plaats moet zijn waar je je veilig moet kunnen voelen. Nog steeds nemen zij het verdachte ernstig kwalijk.

Ook de rechtbank vindt het gedrag van verdachte zeer verwerpelijk.

Bij de bepaling van de soort en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank de reclasseringsrapporten die over verdachte zijn uitgebracht betrokken. Hieruit blijkt dat verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft waarbij jarenlang sprake is van ernstige gedragsproblematiek die beschreven kan worden als een gedragsstoornis met een verstoorde hechting als grondslag ten gevolge van affectieve en pedagogische verwaarlozing. Juist vanwege die problematiek is verdachte in [naam 3] geplaatst. Uit de rapporten blijkt verder dat verdachte er een eigen agenda op na houdt en dat hij opereert in een grijs gebied wat betreft toelaatbare grenzen. De rechtbank vindt dat een zorgelijke situatie.

Ondanks dat de rechtbank van oordeel is dat de eis van de officier van justitie mild is te noemen, zal zij haar wel volgen in haar eis. Gelet op de consequenties die deze vervolging voor verdachte met zich mee hebben gebracht in het kader van de eerder opgelegde PIJ-maatregel ziet de rechtbank aanleiding verdachte geen hogere straf op te leggen dan gevorderd, hoewel daar gelet op de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, wel aanleiding toe zou zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 90 dagen noodzakelijk is. Met de officier van justitie ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 56 dagen, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en wordt het mogelijk verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen. Deze verboden acht de rechtbank noodzakelijk teneinde te voorkomen dat verdachte opnieuw de slachtoffers gaat opzoeken en lastig vallen. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, 34 dagen, heeft verdachte al uitgezeten in voorarrest.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.648,04 en de benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.778,09.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partijen te vergoeden.

De door [slachtoffer 1] gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank volledig toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 1.648,04, waarvan € 898,04 materiële schade en € 750,00 immateriële schade. De door [slachtoffer 2] gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank ook volledig toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 1.778,09, waarvan € 778,98 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade. Inhoudelijk zijn deze bedragen door de verdediging ook niet betwist.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van belaging;

feit 2: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de [adres 2] te Bavel, gemeente Breda of binnen de bebouwde kom van Bavel, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 1.648,04, waarvan € 898,04 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2020 tot aan de dag der voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2), € 1.648,04 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2020 tot aan de dag der voldoening.

- bepaalt dat bij niet betaling 26 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 1.778,98, waarvan € 778,98 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2020 tot aan de dag der voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] (feiten 1 en 2), € 1.778,98 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 december 2020 tot aan de dag der voldoening.

- bepaalt dat bij niet betaling 27 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, mr. R.J.H. Goossens en mr. M. Breeman, rechters, in tegenwoordigheid van F.W.P.M. van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 mei 2021.

Mr. Hoekstra, mr. Goossens en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 september 2020 tot en met 22 december 2020 te Bavel, gemeente Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , en/of [slachtoffer 2] door

- meermalen, althans eenmaal bij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan de deur van haar

woning te verschijnen en/of eieren en/of (bak)steen en/of (zwaar) vuurwerk op/tegen het raam en/of de voordeur te gooien en/of met een verfspuitbus de woning en/of het erf en/of de auto(s) van voornoemde [slachtoffer 1] te bekladden en/of

- meermalen, althans eenmaal etenswaren besteld (via [naam website] en/of telefonisch) op naam van [slachtoffer 1] en/of laten bezorgen bij de woning van die [slachtoffer 1] en

met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

(art. 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 september 2020 tot en met 22 december 2020 te Bavel, gemeente Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten en/of deuren en/of het erf van een woning gelegen aan de [adres 2] en/of een of meerdere voertuigen (Kia Rio, kenteken [kenteken 1] en/of Citroen C1, kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

(art. 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)