Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2535

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
BRE 20/6295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. Belanghebbende heeft een nieuwe woning in België gekocht. In geschil is het antwoord op de vraag of de registratiebelasting voor de inschrijving van het hypotheekrecht kwalificeert als ‘kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld’. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van kosten van een geldlening die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen van een geldlening ten behoeve van de eigen woning.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 3-6-2021
V-N Vandaag 2021/1312
FutD 2021-1745 met annotatie van Fiscaal up to Date
FutD 2021-1746 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2021/1161 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/6295

uitspraak van 21 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (België),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 9 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.154, aanslagnummer [aanslagnummer] .H.76.01, en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 53.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , verbonden aan [kantoornaam] voor Nederland en België te Reusel, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2]

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.229;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.333;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan haar vergoedt.

2 Gronden

Vooraf:

2.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat het beroepschrift bij verzending per post tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb).

2.2.

De dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar is 9 maart 2020. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 20 april 2020. De rechtbank heeft het beroepschrift, dat per post is verstuurd, ontvangen op 6 mei 2020. Het beroepschrift is dus, gelet op artikel 6:9 van de Awb, niet tijdig ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroepschrift is gedagtekend op 20 april 2020 en tevens dezelfde dag ter postverzending aan PostNL aangeboden gelet op het poststempel op de envelop. De rechtbank acht aannemelijk dat de situatie in Nederland rondom het coronavirus in de weg heeft gestaan aan ontvangst door de rechtbank van het beroepschrift binnen de termijn van een week als bedoeld in artikel 6:9, tweede lid van de Awb. Deze omstandigheid leidt ertoe dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. In dat geval blijft niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 van de Awb achterwege.

Inhoudelijk:

2.3.

Belanghebbende is buitenlands belastingplichtig en woont in België. Belanghebbende is eigenaar van een woning in België. In 2017 heeft zij deze woning verkocht en een nieuwe woning in België gekocht. Daarvoor heeft zij een hypothecaire lening afgesloten.

2.4.

Belanghebbende heeft, voor zover hier van belang, de volgende posten aangegeven in haar aangifte IB/PVV 2017:

Bedrag (€)

Loon en ziektewetuitkeringen in Nederland

34.980

Inkomsten uit eigen woning

185

Af: Aftrekbare rente

-/- 695

Af: Financieringskosten

-/- 7.241

Belastbaar inkomen uit werk en woning

27.229

In de in aftrek gebrachte financieringskosten is een bedrag van € 1.925 aan in België geheven registratiebelasting begrepen.

2.5.

De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2017 afgeweken van de aangifte en heeft de aftrek van de financieringskosten in verband met de registratiebelasting geweigerd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.

2.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de woning kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en dat de schuld ten aanzien waarvan belanghebbende rente- en financieringskosten in aftrek heeft gebracht kwalificeert als eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001.

2.7.

Uitsluitend nog in geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de financieringskosten die zien op de registratiebelasting. Meer specifiek is in geschil of de registratiebelasting – naar zijn aard – als ‘kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld’ kwalificeert. Tussen partijen is in dit verband niet in geschil dat belanghebbende de registratiebelasting verschuldigd was als gevolg van een inschrijving van een hypotheekakte in de Belgische registers. Tevens is niet in geschil dat deze registratie vereist is voor de rechtsgeldige vestiging van een hypotheekrecht.

2.8.

Artikel 3.120, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:

(…)

b. de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld;

(…)”

2.9.

In de parlementaire toelichting bij de invoering van de Wet IB 2001 is het volgende opgenomen ten aanzien van (onder meer) de kosten van geldleningen die als eigenwoningschuld kwalificeren:

“Als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning worden aangemerkt de renten van schulden, daaronder begrepen kosten van geldleningen, die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning. Als kosten van geldleningen kunnen worden genoemd de kosten die samenhangen met de financiering van de eigen woning, zoals taxatiekosten, afsluitprovisie, hypotheekaktekosten, etc. Deze kosten zijn dan ook als zodanig aftrekbaar. Onder schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning vallen alle verplichtingen die de belastingplichtige is aangegaan teneinde de daarmee verkregen gelden direct aan te wenden om de woning te verwerven. Voorzover er een direct verband is tussen deze verplichtingen en de verwerving van de woning – dus niet van de schuld – kan de rente over de schuld waarmee deze kosten zijn gefinancierd, in aftrek worden gebracht. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan taxatiekosten, afsluitprovisie, hypotheekkosten, overdrachtsbelasting, etc. Rente over het deel van de schuld waarmee kosten zijn gefinancierd waar genoemd verband niet aanwezig is, kunnen niet in aftrek worden gebracht. Als voorbeeld van dergelijke kosten kan worden genoemd de meegefinancierde boeterente. Voor zover de lening ziet op de verwerving van de eigen woning (…) is de rente aftrekbaar.” 1

2.10.

Bij de latere herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning is het volgende opgemerkt ten aanzien van deze kosten:

“Het gaat hierbij voornamelijk om de afsluitprovisie, de taxatiekosten en de notariskosten ter zake van het passeren van de hypotheekakte. Omdat de laatste twee kosten niet door de geldverstrekker in rekening worden gebracht (maar door een derde partij, zijnde de makelaar/taxateur of de notaris) ligt het omvormen van rente naar deze kosten niet direct voor de hand. Bij kosten van een geldverstrekker kan dat anders zijn. Desalniettemin wordt ten aanzien van de overige kosten van geldlening vooralsnog geen aanvullende regelgeving voorgesteld en blijven deze kosten aftrekbaar als overige kosten van geldlening.” 2

2.11.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 23 september 2016 het volgende overwogen:

“De eigenwoningschuld is (…) beperkt tot (…) schulden die zijn aangegaan voor het verwerven, verbeteren of onderhouden van de eigen woning. Daarmee strookt dat tot de kosten van een geldlening in verband met die schulden uitsluitend worden gerekend de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van de voor die doeleinden aangegane geldleningen.” 3

2.12.

De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat de registratiebelasting kwalificeert als ‘kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld’. In dat verband stelt belanghebbende dat de registratiebelasting onlosmakelijk verbonden is met de geldlening. De inspecteur betwist dat de kosten rechtstreeks in verband staan met de geldlening. Gelet op de voorbeelden in de parlementaire toelichting, moet volgens de inspecteur – om aan te nemen dat kosten rechtstreeks verbonden zijn – sprake zijn van een direct ontvangen prestatie die tegenover de betaalde kosten staat. Omdat de onderhavige kostenpost een belasting betreft, kan daar volgens de inspecteur geen sprake van zijn.

2.13.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van kosten van een geldlening die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen van een geldlening ten behoeve van de eigen woning. De registratiebelasting wordt geheven vanwege het inschrijven van een hypotheekakte. Vaststaat dat in België de inschrijving van de hypotheekakte is vereist om het recht van hypotheek te vestigen. Dat als zodanig is ook nodig om de hypotheeklening te verkrijgen. Daarmee vloeit de heffing van de registratiebelasting naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks voort uit het opnemen van een hypothecaire geldlening. De parlementaire toelichting en de uitwerking in de jurisprudentie bieden geen steun voor het standpunt van de inspecteur dat sprake moet zijn van een directe prestatie tegenover belanghebbende gelet op de gegeven voorbeelden in de parlementaire toelichting. De betreffende voorbeelden zijn niet limitatief en de wetgever heeft geen blijk gegeven van de wens een dergelijke voorwaarde te stellen. De rechtbank overweegt verder dat buitenlandse belastingen als zodanig ook niet zijn uitgesloten van belastingaftrek. De omstandigheid dat sprake is van een vorm van (buitenlandse) belasting die naar zijn aard niet aan te merken is als een betaling voor een direct ontvangen prestatie is dus niet voldoende om te oordelen dat geen sprake is van aftrekbare kosten. Dat dit leidt tot een tegemoetkoming voor een buitenlandse heffing – zoals de inspecteur stelt – maakt dat niet anders. Belanghebbende heeft dus recht op aftrek van de betaalde registratiebelasting.

2.14.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard en is de aanslag IB/PVV 2017 verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.229. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.

2.15.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.333 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2021 door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Kamerstukken II 2000-2001, 27 466, nr. 6, p.74.

2 Kamerstukken II 2012-2013, 33 405, nr. 3, p. 13.

3 Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2136.