Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2532

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
AWB- 21_546
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/546 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser 1],

[naam eiser 2],

[naam eiser 3]

[naam eiser 4]

[naam eiser 5]

[naam eiser 6]

allen wonende te [plaatsnaam], eisers,

gemachtigde: mr. J.A. de Boe,

en

de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Tholen, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben bij brief van 26 januari 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de commissie op hun Wob-verzoek van 7 december 2020.

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 7 december 2020 hebben eisers bij de commissie een Wob-verzoek ingediend. Daarbij hebben eisers in het kader van het illegale strijdige gebruik van het perceel [naam perceel] en de, na het advies van de commissie, afwijzing van het handhavingsverzoek door het college van burgemeester & wethouders, verzocht om alle door de gemeente aangeleverde documenten en een kopie van de audio opname van de hoorzitting van 22 oktober 2020 te verstrekken.

Bij brief van 6 januari 2021 hebben eisers de commissie in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op hun Wob-verzoek.

Bij brief van 13 januari 2021 heeft de commissie eisers bericht dat hun verzoek van 7 december 2020 niet aangemerkt kan worden als een Wob-verzoek.

Bij besluit van 4 februari 2021 heeft de commissie eisers meegedeeld geen aanleiding te zien om de ingebrekestelling in behandeling te nemen, omdat zij niet in gebreke zijn geweest nu er geen sprake is van een Wob-verzoek.

Bij brief van 26 januari 2021 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de commissie op hun Wob-verzoek.

De commissie heeft bij brief van 9 maart 2021 de op de procedure niet tijdig beslissen betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 maart 2021 hebben eisers hun gronden aangevuld.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

3. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of de commissie in gebreke is om tijdig een besluit te nemen op de aanvraag, dient de rechtbank eerst antwoord te geven op de vraag of er sprake is van een aanvraag. Eisers stellen dat het verzoek van 7 december 2020 een Wob-verzoek is en dat er reeds daarom sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De commissie is van mening dat het verzoek niet aangemerkt kan worden als een Wob-verzoek en dus geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is.

4. In de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, heeft de Afdeling haar rechtspraak over de kwalificatie van een informatieverzoek als Wob-verzoek gepreciseerd.

Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat hoofdregel is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is.

Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Dit is alleen anders indien i) uit de aard van het verzoek, ii) uit de inhoud van het verzoek of iii) uit uitlatingen van de verzoeker, blijkt dat de verzoeker geen Wob-verzoek heeft beoogd in te dienen.

Bij uitzondering i) kan worden gedacht aan het geval dat iemand inzage in zijn dossier of in zijn persoonsgegevens vraagt.

Uitzondering ii) ziet op situaties waarin iemand bijvoorbeeld vraagt om informatie, vragen stelt of alleen om toezending van de stukken vraagt in een procedure waarin hij belanghebbende is.

Bij uitzondering iii) kan worden gedacht aan de situatie waarin de verzoeker aangeeft dat hij niet wil dat de informatie openbaar wordt gemaakt en alleen aan hem wordt verstrekt.

5. De rechtbank is van oordeel dat eisers verzoek van 7 december 2020 geen Wob-verzoek bevat, omdat er hier sprake is van de door de Afdeling genoemde uitzonderingen.

Eisers verzoeken immers om toezending van de stukken die door het college in de bezwaarprocedure van eisers bij de commissie zijn ingediend en een kopie van de audio opname van de hoorzitting. Deze stukken maken onderdeel uit van de bezwarenprocedure (uitzondering ii). Daarnaast blijkt uit het verzoek van 7 december 2020 dat de gevraagde stukken alleen aan eisers moeten worden verstrekt (uitzondering iii).

6. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen is er geen sprake van een Wob-verzoek en is ook niet gebleken dat het verzoek van 7 december 2020 anderszins is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat er geen wettelijke termijnen zijn gaan lopen. Er is dan ook geen sprake van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op een verzoek als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, waartegen beroep kan worden ingesteld.

7. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 19 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.