Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2531

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8930
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8930 GEMWT

uitspraak van 19 mei 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 10 oktober 2020 digitaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar bezwaar gericht tegen de beslissing van 5 juni 2019 inzake de afwijzing van haar verzoek om handhaving in verband met de bedrijfsmatige opslag van materialen op het perceel [adres] in [plaatsnaam] .

Bij besluit van 29 oktober 2020 heeft het college een besluit genomen.

Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft zich bij brief van 25 februari 2021 op het standpunt gesteld dat het verzoek om een proceskostenvergoeding moet worden afgewezen, omdat zij binnen twee weken na de ingebrekestelling een besluit hebben genomen.

De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Voordat de rechtbank de vraag kan beantwoorden of er hier sprake is van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoekster, dient de rechtbank eerst te beoordelen of het beroepschrift voldeed aan de vereisten als genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

4. De rechtbank heeft bij uitspraak van 12 juni 2020 het beroep van verzoekster met zaaknummer BRE 19/6558 gericht tegen de beslissing op bezwaar van 20 november 2019 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank dit besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2020, is op 16 juni 2020 verzonden. Het college had dus uiterlijk op 28 juli 2020 opnieuw een besluit moeten nemen.

5. Verzoekster heeft bij brief van 22 oktober 2020 het college in gebreke gesteld en het college heeft binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling, op 29 oktober 2020, een besluit genomen.

6. Met verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:N:RVS:2019:1091) overweegt de rechtbank dat in beginsel een ingebrekestelling is vereist in geval (voor de eerste maal) beroep bij de bestuursrechter wordt ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat geldt ook wanneer de bestuursrechter het bestuursorgaan heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen maar geen termijn heeft bepaald waarbinnen dat besluit moet worden genomen. Anders ligt dat echter indien de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van de uitspraak, daaraan niet houdt.

Dat laatste doet zich in dit geval voor. In de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2020 is een termijn bepaald, waardoor het college uiterlijk op 28 juli 2020 had moeten beslissen. Dat is echter niet gebeurd. Op het moment van het instellen van beroep was het college aldus in verzuim zonder dat een ingebrekestelling nodig was. Dit betekent dat het beslissen door het college binnen twee weken na de alsnog door verzoekster verstuurde ingebrekestelling, aan het voorgaande niet kan afdoen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 29 oktober 2020 dat het college aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 267,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 0,5).

8. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het college op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 178,- aan verzoekster dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 19 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.