Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2526

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
384993 HA RK 21-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking, Strafrecht, Afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

zaaknummer: 384993 HA RK 21-97

Beslissing van 12 mei 2021 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[Verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] ,

verder te noemen: verzoeker,

raadsman: mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de zaak met parketnummer [nummer] ;

  • -

    het proces-verbaal van de politierechter van deze rechtbank in de hiervoor genoemde zaak, van de zitting van 15 april 2021;

  • -

    de mondelinge behandeling van het verzoek door de wrakingskamer op 3 mei 2021, waarbij verzoeker, zijn raadsman en de gewraakte rechter aanwezig waren.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorl.] Speekenbrink, optredend als politierechter (hierna: de rechter), in de zaak met parketnummer [nummer] , op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in zijn wrakingsverzoek en die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 15 april 2021.

2.2.

De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3 De feiten

3.1.

Tegen verzoeker is een strafzaak aanhangig gemaakt. Die zaak is bij de rechtbank bekend onder parketnummer [nummer] .

3.2.

Op 22 maart 2021 heeft de raadsman per e-mail onderzoekswensen in de hiervoor genoemde strafzaak gestuurd naar de volgende e-mailadressen: “zittingvoorbereidingzwb@om.nl”, “kcczwb@om.nl” en cc aan “strafrecht.breda.zwb@rechtspraak.nl”. Het bericht luidt als volgt: “(…) Bijgaand doe ik u een brief toekomen t.a.v. de officier van justitie waarin onderzoekswensen staan vermeld en een verzoek wordt gedaan om 2 politiemensen op te roepen voor de zitting van 15 april aanstaande. Ik verzoek u vriendelijke deze brief onder de aandacht van de behandelend officier van justitie te brengen en verneem graag zo spoedig mogelijk of dat aan de wensen voldaan zal worden. (…)”

3.3.

Officier van justitie, [naam A] , heeft op 30 maart 2021 in reactie op die e-mail aan “strafrecht.breda.zwb@rechtspraak.nl” gemaild:

“Geachte mevrouw Speekenbrink,

Zojuist heb ik bijgevoegde onderzoekswensen gelezen en ik kom tot de conclusie dat er maar weinig ruimte is om het verzoek tot het horen van de twee getuigen te weigeren.

Ik zou graag van u vernemen of u een verwijzing naar de RC wenst (conform huidige afspraken, maximaal 1 getuigen horen op zitting). Of wellicht dat u de ruimte ziet om de twee getuigen voor de zitting op te roepen. Het betreft namelijk de laatste zaak van de PR zitting op 15 april aanstaande. (…)”

3.4.

De rechter heeft op 31 maart 2021 per e-mailbericht aan “verkeerstoren.zwb@rechtspraak.nl” als volgt gereageerd:

“Goedemiddag,

Zouden jullie onderstaand bericht aan de ovj en de raadsman willen sturen, met [naam B] in cc namens mij?

In reactie op het verzoek van de raadsman om twee getuigen te horen in de zaak van de heer [Verzoeker] , te weten [naam C] en [naam D] heeft de ovj aangegeven zich daar niet tegen te verzetten. Ook ik acht een verdedigingsbelang aanwezig om beide getuigen te horen. Formeel zal ik dit verzoek ter zitting behandelen en gaan toewijzen in die zin dat ik de zaak naar de RC zal verwijzen voor het horen van beide getuigen. Wat mij betreft hoeft u niet bij de zitting op 15 april a.s. aanwezig te zijn. Om reden van proceseconomie, lijkt het mij verstandig u nu alvast van mijn voornemen in kennis te stellen zodat de RC alvast aan de slag kan met het inplannen van de verhoren. (…)”

3.5.

De raadsman van verzoeker heeft op 15 april 2021 het volgende bericht aan de officier van justitie, [naam A] , verzonden:

“(…) Naar aanleiding van ons telefoongesprek van deze ochtend heb ik zowel mijn mailbox en het advocatenportaal geraadpleegd en daarin kan ik geen enkele correspondentie als reactie op mijn onderzoekswensen in de zaak [Verzoeker] vinden (noch een reactie van u, noch de reactie van de Politierechter van 31 maart jl). Wilt u zo vriendelijk zijn na te gaan of deze correspondentie wel is verzonden en mij deze alsnog doen toekomen?

Daarnaast kan ik berichten dat de heer [Verzoeker] en ik vanmiddag ter zitting aanwezig zullen zijn. (…)”

4 De gronden van het wrakingsverzoek

4.1.

Door verzoeker is, kort weergegeven, aangevoerd dat de schijn van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechter bestaat door het navolgende.

4.2.

Verzoeker heeft niet meer het vertrouwen dat hij een eerlijk proces krijgt onder meer gelet op de aanloop naar de zitting van 15 april 2021 nu uit de reactie van de rechter van

31 maart 2021 op het e-mailbericht van de officier van justitie van 30 maart 2021 volgt dat door haar al een beslissing op een van de onderzoekswensen is genomen zonder dat de verdediging daarin is gekend. De verdediging is niet in de e-mailcorrespondentie betrokken. Er heeft dus geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Bovendien heeft de rechter een beslissing genomen op een verzoek dat niet aan de rechter was gericht maar nog slechts aan de officier van justitie. Doordat de rechter bovendien al beslist heeft om de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen en de getuigen niet op zitting te horen, is sprake van een schending van het onmiddellijkheidsbeginsel.

Daarnaast komt de beslissing van de rechter tijdens de zitting van 15 april 2021 erop neer dat vrijwel alle wensen die betrekking hebben op het in het dossier laten voegen van stukken die tegenwicht kunnen bieden aan het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten, niet worden gehonoreerd. Ook hierdoor meent verzoeker dat hij geen eerlijke kans krijgt in het strafproces. Aan die afwijzing ligt volgens verzoeker een onbegrijpelijke motivering ten grondslag.

4.3.

In het proces-verbaal van de zitting van 15 april 2021 is van de bespreking van de onderzoekswensen en de motivering van de beslissingen daarop verslag gedaan. Door verzoeker zijn voorgaande punten uitgebreid nader toegelicht en aangevuld tijdens de zitting van de wrakingskamer op 3 mei 2021 in zeven punten, nu zijns inziens het proces-verbaal niet volledig is dan wel dat niet alles wat hierin is opgenomen helemaal correct is.

De argumenten van verzoeker kunnen worden samengevat in de volgende drie gronden:

  • -

    er is sprake geweest van een gebrekkige communicatie, gelet op de e-mailberichten die voorafgaand aan de zitting zijn gestuurd door de officier van justitie en de rechter, waarvan de raadsman van verzoeker niet op de hoogte is gesteld en bovendien kreeg de raadsman na meerdere malen (telefonisch) contact te hebben opgenomen met de officier van justitie onvoldoende duidelijkheid over de reactie op alle onderzoekswensen;

  • -

    door verzoeker is nader toegelicht dat de motivering van de rechter om de onderzoekswensen strekkende tot het toevoegen van mutaties uit de politiesystemen en het toevoegen van de resultaten van “VIK” af te wijzen onbegrijpelijk is en blijk geeft van vooringenomenheid van de rechter;

  • -

    door de rechter is besloten om de verbalisanten niet tijdens de zitting te horen als getuigen met als reden dat daar op een politierechterzitting geen tijd voor is en het mede om die reden wenselijk is dat dit door de rechter-commissaris zal gebeuren omdat de verdediging te kennen heeft gegeven beide getuigen te willen confronteren met een geluidsfragment dat kennelijk een half uur duurt. Dit is stellig gezegd door de rechter. Verzoeker betwist dat hij de getuigen wilde confronteren met dat geluidsfragment. Wel wil hij aanwezig zijn bij de verhoren, terwijl dat bij een verhoor door de rechter-commissaris misschien niet mogelijk is. Hij vindt dan ook de motivering van de rechter onbegrijpelijk.

5 Het standpunt van de rechter

5.1.

De rechter verwijst allereerst naar het uitgebreide proces-verbaal van de strafzitting waaruit duidelijk is op te maken hoe die zitting is verlopen. Uit het proces-verbaal komt goed naar voren dat de zitting is gestart met het bespreken hoe een en ander voorafgaand aan de zitting is verlopen. De rechter is van oordeel dat geen gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan worden afgeleid uit de door haar genomen beslissingen op de door verzoeker ingediende onderzoekswensen, zoals die tijdens de zitting van 15 april 2021 zijn besproken. Zij voert daartoe aan dat een wrakingsprocedure er niet voor is bedoeld om inhoudelijke, onwelgevallige beslissingen van de rechter aan de orde te stellen.

5.2.

Verder is de rechter ingegaan op het verloop voorafgaand aan de zitting van

15 april 2021. Zo heeft zij toegelicht dat het klopt dat de officier van justitie haar een

e-mailbericht heeft verzonden, waarbij de raadsman niet in de cc stond, en dat zij op dit bericht heeft gereageerd. Zij bevestigt dat het ongelukkig is dat de raadsman niet in de

e-mailcorrespondentie is opgenomen. Uit haar e-mailbericht van 31 maart 2021 is op te maken dat het de bedoeling was dat deze reactie gestuurd zou worden naar zowel de officier van justitie als de raadsman en dat zij de griffie expliciet heeft gevraagd dit te doen. Bovendien voert de rechter aan dat zij juist heeft gedacht in het belang van verzoeker te handelen door via het e-mailbericht te laten weten dat zij voornemens was de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen voor het horen van de twee getuigen en zij dus dat verzoek zou inwilligen Zij wilde hiermee de snelheid in het proces houden. De ervaring leert namelijk dat men vaak blij is als wordt medegedeeld dat men niet naar de zitting hoeft te komen, omdat dat tijd en geld scheelt.

6 De beoordeling

Beoordelingskader

6.1.

Op grond van artikel 512 Sv kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2.

Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.

Beoordeling van de gronden

6.4.

Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit geen van de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden, ook niet in onderlinge samenhang bezien, een zwaarwegende omstandigheid als bedoeld in r.o. 6.2 worden afgeleid. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.

Communicatie voorafgaand aan de zitting

6.5.

De wrakingskamer is van oordeel dat de communicatie, bestaande uit de

e-mailcorrespondentie tussen de officier van justitie en de rechter voorafgaand aan de zitting van 15 april 2021, ongelukkig is verlopen doordat de raadsman van verzoeker niet met een cc of anderszins meteen op de hoogte is gesteld van het bericht van de officier van justitie aan de rechter. Een dergelijke omissie kan echter niet aan de rechter worden toegerekend. Blijkens de hiervoor geciteerde mail van de rechter aan de verkeerstoren van de rechtbank heeft de rechter de verkeerstoren geïnstrueerd haar reactie aan zowel de officier van justitie als aan de raadsman van verzoeker te sturen. Ook dit kan niet leiden tot een gegronde wraking. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat de rechter de raadsman opzettelijk niet heeft laten informeren over het contact met de officier van justitie over de onderzoekswensen. De wrakingskamer begrijpt dat de rechter juist voortvarend te werk wilde gaan door een van de onderzoekswensen in te willigen en verzoeker en zijn raadsman een gang naar rechtbank te besparen door dit voorafgaand aan de zitting kenbaar te maken.

Bovendien blijkt uit het proces-verbaal dat de rechter direct aan het begin van de zitting in is gegaan op de communicatie voorafgaand aan de zitting en wat de bedoeling is geweest. Na deze toelichting van de rechter is dit bij verzoeker geen reden geweest om direct tot een wrakingsverzoek over te gaan.

De wrakingskamer ziet in het voorgaande dan ook geen vooringenomenheid van de rechter.

(ten dele) afwijzing van de onderzoekswensen

6.6.

Vervolgens heeft de rechter de door verzoeker ingediende onderzoekswensen tijdens de zitting besproken. De wrakingskamer maakt uit het proces-verbaal van de politierechterzitting op dat verzoeker over is gegaan tot het doen van een wrakingsverzoek nadat de rechter de door hem gedane onderzoekswensen niet heeft ingewilligd zoals door verzoeker is verzocht. Verzoeker heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het afwijzen van de onderzoekswensen onbegrijpelijk en vooringenomen is. Hierdoor heeft verzoeker er geen vertrouwen meer in dat hij een eerlijk proces krijgt. Volgens verzoeker is de motivering van de rechter om de onderzoekswensen af te wijzen onvoldoende gemotiveerd.

6.7.

De wrakingskamer constateert dat de onderzoekswensen van verzoeker tijdens de politierechterzitting afzonderlijk en uitgebreid zijn besproken en vervolgens door de rechter gedeeltelijk en gemotiveerd zijn afgewezen. Deze afwijzing kan evenmin tot een gegronde wraking leiden. Volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van dergelijke beslissingen. Ook over de motivering van zo’n beslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen. Alleen als een dergelijke beslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Hier is naar het oordeel van de wrakingskamer echter geen sprake van.

Conclusie

6.8.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek moet dan ook worden gewezen.

7 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer [nummer] zal worden

voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 12 mei 2021 door mr. Van Kralingen, mr. Van de Sande en mr. Broeders, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.