Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2525

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
C/02/371219 FA RK 20-1965
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Afstamming. De vrouw is op dertienjarige leeftijd in Eritrea gehuwd, terwijl de huwbare leeftijd voor meisjes in Eritrea in beginsel minimaal 15 jaar is. Er is geen sprake van een naar Eritrees recht geldig huwelijk en dus kan van een erkenning van dat huwelijk in Nederland evenmin sprake zijn. Dit brengt met zich mee dat het kind niet is geboren uit het huwelijk van de vrouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0128
JPF 2021/91 met annotatie van Sumner, I.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

[woonplaats]

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: C/02/371219 FA RK 20-1965

13 april 2021

nadere beschikking

in de zaak van

[vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Verger-Maas.

Als belanghebbenden in deze procedure worden aangemerkt:

[belanghebbende] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna ook te noemen de minderjarige, vertegenwoordigd door mr. A.A.T. van Ginderen, in de hoedanigheid van bijzondere curator,

[jur.vader] , hierna te noemen de juridische vader,

[bio vader] , hierna te noemen de vermoedelijke biologische vader,

de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente [woonplaats] , verder te noemen de ABS.

1. Het procesverloop

Tot de stukken behoren:

- de in deze zaak gegeven beschikking van 29 oktober 2020 en alle daarin genoemde stukken;

- de op 2 december 2020 ontvangen brief van de ABS met bijlage;

- de op 11 januari 2021 ontvangen brief van mr. Verger met bijlagen;

- de op 26 januari 2021 ontvangen brief van mr. Van Ginderen.

2 Het verzoek

De vrouw verzoekt thans, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I primair voor recht te verklaren dat het huwelijk van de vrouw en de juridisch vader niet voor erkenning in aanmerking komt en dus niet vatbaar is voor inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP);

subsidiair gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap;

II het vaderschap van [bio vader] vast te stellen;

III de namen van de minderjarige, na toewijzing van het onder I en II gestelde, te wijzigen in [gewijz.naam] ;

IV de griffier op te dragen een afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] .

3 De nadere beoordeling

3.1

Bij voormelde beschikking is overwogen dat gelet op de jonge leeftijd van de vrouw ten tijde van haar huwelijk allereerst de voorvraag dient te worden beantwoord of in het onderhavige geval sprake is van een naar [geldig recht] recht geldig huwelijk, nu de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting pas 13 jaar oud was. Gelet op de rol van de ABS bij de erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken en nu het juridische vaderschap ten aanzien van de minderjarige wordt geacht voort te vloeien uit het in de BRP geregistreerde huwelijk van de vrouw met de juridische vader, heeft de rechtbank de ABS verzocht zich uit te laten over de volgende vragen:

- Is de ABS van oordeel dat het in [huwelijksland] gesloten huwelijk tussen de vrouw en de juridische vader een naar [geldig recht] recht geldig huwelijk betreft en op grond van welke wettelijke grondslagen komt de ABS tot dat oordeel?

- Is de ABS van oordeel dat de vrouw heeft gevraagd om erkenning van haar in [huwelijksland] gesloten huwelijk, zoals bedoeld in artikel 10:32 BW? Indien de ABS voornoemde vraag bevestigend beantwoord, dan wordt de ABS verzocht de daaraan ten grondslag liggende bescheiden in het geding te brengen.

- Wat is het standpunt van de ABS ten aanzien van het aanvullende verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat het huwelijk tussen de vrouw en de juridische vader niet voor erkenning in aanmerking komt en dus niet vatbaar is voor inschrijving in de Basisregistratie Personen?

In afwachting van de inhoudelijke reactie van de ABS is het verzoek aangehouden.

3.2

De ABS verwijst in voornoemde brief naar de OECD Social Institutions and Gender Index 2012 van de Gender Equality and Social Institutions in [huwelijksland] . De ABS hanteert voorts de tekst van het oude [nationaliteit] BW, nu in 2015 weliswaar een nieuw BW is gepubliceerd, maar dat is nog niet in werking getreden. Op grond van artikel 577 van de Transitional Civil Code of [huwelijksland] (TCCE) uit 1991, bestaan in [huwelijksland] drie vormen van rechtsgeldige huwelijken, namelijk het burgerlijk huwelijk, het religieuze huwelijk en het traditionele huwelijk. Artikel 46, tweede lid, TCCE bepaalt dat beide partners voor de huwelijksdatum de achttienjarige leeftijd moeten hebben bereikt, maar daarop wordt in artikel 46, derde lid, TCCE een uitzondering gemaakt op basis van het gewoonterecht. Op grond van dat recht ligt de huwbare leeftijd in [huwelijksland] voor meisjes tussen de acht en vijftien jaar en voor jongens tussen de twaalf en vijftien jaar. De ABS meent daarom dat in het onderhavige geval sprake is van een naar [nationaliteit] maatstaven rechtsgeldig huwelijk.

De ABS stelt dat de vrouw niet specifiek heeft gevraagd om erkenning van haar huwelijk, maar zij heeft wel verklaard gehuwd te zijn en zij heeft in dit kader een inlichtingenformulier opneming in de Basisregistratie Personen (BRP) ondertekend. Het huwelijk van de vrouw is op basis van dit formulier in de BRP geregistreerd. Sinds 5 december 2018 erkent Nederland geen huwelijken meer met partners die jonger zijn dan 18 jaar, maar het huwelijk van de vrouw is voor die datum, namelijk op 11 november 2015 geregistreerd en de vrouw was op dat moment ook meerderjarig.

De ABS stelt verder dat de vrouw heeft verzocht om gezinshereniging. Zij heeft in dat kader op 4 november 2020 een aanvraag bij de IND gedaan en daarmee heeft zij het bestaan van haar huwelijk (nogmaals) bevestigd.

3.3

De vrouw handhaaft haar stelling dat naar [geldig recht] recht geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. In het OECD is opgenomen dat de minimum leeftijd voor het huwelijk volgens de TCCE 18 jaar is. Huwelijken worden op basis van het religieuze en het gewoonterecht erkend. Het OECD beschrijft, blijkens de informatie op de website en de genderindex, echter ook dat huwelijken gesloten op basis van het gewoonterecht worden erkend, indien de huwelijkspartners tussen de vijftien en achttien jaar oud zijn. Dat meisjes in [huwelijksland] in de praktijk nog geregeld in het huwelijk treden als zij de leeftijd van vijftien jaar niet hebben bereikt, betekent niet dat deze huwelijken door de [nationaliteit] autoriteiten ook als zodanig worden erkend. Nu de vrouw dertien jaar was ten tijde van de huwelijkssluiting, was er geen sprake van een rechtsgeldig huwelijk naar [geldig recht] recht en dus had het huwelijk op grond van artikel 10:31 BW niet mogen worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De vrouw voert voorts aan dat in het op het moment van de inschrijving van het huwelijk in de BRP geldende artikel 10:29 BW was bepaald dat geen huwelijk kan worden voltrokken, indien ‘de echtgenoten de leeftijd van 15 jaar niet hebben bereikt’. Nu de vrouw ten tijde van haar huwelijk dertien jaar oud was, is dit huwelijk onverenigbaar met de Nederlandse regels van openbare orde en had ook om die reden geen registratie hiervan in de BRP mogen plaatsvinden. Dat zij meerderjarig was ten tijde van de ondertekening van het inlichtingenformulier ten behoeve van haar registratie in de BRP maakt dit niet anders. De vrouw merkt daarbij op dat haar bevestigende reactie op de vraag of zij op dat moment was gehuwd, niet mag worden beschouwd als een expliciet verzoek tot erkenning van dat huwelijk in Nederland.

3.4

De bijzondere curator heeft het Algemeen Ambtsbericht [huwelijksland] van het Ministerie van Buitenlandse zaken van oktober 2019 geraadpleegd. Zij kan de ABS volgen in het standpunt met betrekking tot de soorten huwelijken in [huwelijksland] op grond van artikel 577 TCCE en de uitzonderingen op de in artikel 46 TCCE vastgestelde minimum leeftijd voor het huwelijk van achttien jaar. Hoewel het ambtsbericht daarbij wijst op huwelijken op basis van het gewoonterecht, geldt die uitzondering, op basis van artikel 46, vierde lid, TCCE, niet in het geval een van de huwelijkspartners jonger is dan vijftien jaar. De bijzondere curator wijst ook op het programma van de National Union of Eritrean Woman (NUEW), gericht op het tegengaan van kindhuwelijken. Dit programma richt zich op meisjes van vijftien jaar en ouder. Hieruit kan volgens de bijzondere curator eveneens worden afgeleid dat huwelijken van meisjes jonger dan vijftien jaar niet rechtsgeldig zijn. Nu subsidiair door de vrouw niet is verzocht om erkenning van haar huwelijk in Nederland, meent de bijzondere curator dat het primaire verzoek van de vrouw moet worden toegewezen.

3.5

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk naar [geldig recht] recht het volgende.

Op grond van artikel 577 TCCE kent [huwelijksland] drie vormen van rechtsgeldige huwelijken, namelijk het burgerlijk huwelijk, het religieuze huwelijk en het traditionele huwelijk. Artikel 46, tweede lid, TCCE bepaalt dat beide partners voor aanvang van het huwelijk de leeftijd van achttien jaar moeten hebben bereikt, maar daarop wordt in artikel 46, derde lid, TCCE een uitzondering gemaakt ten aanzien van huwelijken gesloten op basis van het gewoonterecht.

Op basis daarvan moet worden vastgesteld dat kindhuwelijken in [huwelijksland] rechtsgeldig kunnen zijn. Hierover bestaat ook geen verschil van mening, zo blijkt uit de stukken van de ABS, de advocaat van de vrouw en de bijzondere curator. Wel bestaat verschil van inzicht over de minimale leeftijd die is vereist om een naar [geldig recht] recht geldig huwelijk te sluiten.

3.6

De ABS stelt in dit kader dat de huwbare leeftijd in [huwelijksland] voor meisjes, zo blijkt volgens de ABS uit de OECD Social Institutions and Gender Index, tussen de acht en de vijftien jaar ligt. De ABS heeft ter zake geen nadere stukken overgelegd.

De vrouw heeft bij voornoemde brief van haar advocaat wel informatie uit de OECD Social Institutions and Gender Index in het geding gebracht. Hierin is het volgende opgenomen: ‘While the minimum age of marriage according to the Marriage Law is 18 years of age for both woman and men (Article 46), the TCCE recognizes marriages between the age of 15 and 18 in recognition of Eritrean customary marriage practices. In addition, in case of pregnancy of birth, dispensation from the rule concerning marriage may be granted (Article 521).

3.7

Hieruit moet worden opgemaakt dat de huwbare leeftijd voor meisjes in [huwelijksland] in beginsel minimaal vijftien jaar moet bedragen. Nu de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting pas dertien jaar oud was, en van een zwangerschap of geboorte niet is gebleken, moet derhalve worden vastgesteld dat haar huwelijk geen naar [geldig recht] recht geldig gesloten huwelijk betreft. Gelet daarop kan van een erkenning van dat huwelijk in Nederland geen sprake zijn en moet worden vastgesteld dat de vrouw ten onrechte als gehuwd met [jur.vader] in de BRP staat geregistreerd. Dat betekent dat het primaire verzoek van de vrouw voor toewijzing gereed ligt.

3.8

Het vorenstaande brengt met zich dat de minderjarige niet is geboren uit een huwelijk van de vrouw. Daarmee beschikt hij slechts over één juridische ouder, namelijk de vrouw. Ten onrechte staat haar vermeende echtgenoot dus op zijn geboorteakte geregistreerd. De rechtbank zal ambtshalve verbetering van die akte gelasten, nu het belang van de minderjarige is gebaat bij het spoedig in overeenstemming brengen van zijn biologische en juridische werkelijkheid.

3.9

Met betrekking tot het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de vermoedelijke biologische vader overweegt de rechtbank het volgende.

Of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt, ingevolge artikel 10:97 van het BW, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Het tijdstip van indiening van het verzoek is hierbij bepalend.

3.10

De vrouw en de vermoedelijke biologische vader beschikten ten tijde van de indiening van het verzoek over de [nationaliteit] nationaliteit. Artikel 10:17 BW bepaalt, voor zover thans van belang, dat de persoonlijke staat van een vreemdeling aan wie een verblijfvergunning als bedoeld in artikel 28 (verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd) of artikel 33 (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, wordt beheerst door het recht van zijn woonplaats, of, indien hij geen woonplaats heeft, door het recht van zijn verblijfplaats. Met de inwerkingtreding van artikel 10:17 BW is artikel 113 van de Vreemdelingenwet 2000 komen te vervallen. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt dat de wetgever hiermee het advies van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht aan de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 17 mei 2000 heeft overgenomen. Dit advies houdt onder meer in dat bij toepassing van verwijzingsregels waarin nationaliteit als aanknopingsfactor wordt gebruikt de vreemdeling met een verblijfsvergunning asiel voor (on)bepaalde tijd wordt beschouwd als Nederlands onderdaan.

De rechtbank verstaat onder de persoonlijke staat van een vreemdeling zoals genoemd in artikel 10:17 BW alle verwijzings-categorieën in het personen- en familierecht, waarin volgens het Nederlandse (internationaal) privaatrecht de nationaliteit als aanknopingsfactor geldt. Naar het oordeel van de rechtbank valt aldus ook de nationaliteit als aanknopingsfactor in artikel 10:97, eerste lid, BW onder ‘de persoonlijke staat’ als bedoeld in artikel 10:17 BW. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank bij de bepaling van het toepasselijke recht op het verzoek tot vaststelling van het ouderschap ervan uitgaat dat de vrouw en de vermoedelijke biologische vader Nederlandse onderdanen waren ten tijde van de indiening van dat verzoek en dat betekent dat daarop het Nederlandse recht moet worden toegepast.

3.11

Op grond van artikel 1:207 BW kan, voor zover hier van belang, het ouderschap op verzoek van de moeder of het kind door de rechtbank worden vastgesteld op de grond dat de man de verwekker is van het kind. Het verzoek dient door de moeder te worden ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van de minderjarige, hetgeen aldus tijdig is gebeurd. Vaststelling van het ouderschap kan niet geschieden als het kind reeds twee ouders heeft.

Volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1995/96, 24649, 3) moet een gerechtelijke vaststelling worden gezien ‘als een laatste mogelijkheid om tussen ouder en kind een afstammingsband te doen ontstaan’. Uit het verband waarin die passage voorkomt, volgt dat de wetgever daarmee het oog heeft gehad op vestiging van een andere mogelijkheid tot het doen ontstaan van een familierechtelijke rechtsbetrekking tussen het kind en een ouder ‘… indien de bereidheid van de verwekker zelf daartoe niet bestaat dan wel wellicht wel bestaan heeft, maar tijdens zijn leven niet geleid heeft tot erkenning.’ Daaruit valt af te leiden dat de wetgever heeft beoogd om met de gerechtelijke vaststelling een extra mogelijkheid in het leven te roepen voor het doen ontstaan van een afstammingsband.

3.12

De vermoedelijke biologische vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek op 15 september 2020 verklaard dat hij overtuigd is van zijn biologische vaderschap, dat hij de minderjarige samen met de vrouw opvoedt en dat hij graag zijn juridische vaderschap vastgesteld wil zien.

3.13

Hoewel de rechtbank begrijpt dat de vrouw heeft verzocht om gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, nu het juridisch ouderschap van de minderjarige daarmee in één gerechtelijke procedure op de door haar gewenste wijze kan worden geregeld, verhoudt dit verzoek zich niet tot voormelde bedoelingen van de wetgever. Nu immers de doorhaling van de oudergegevens van de juridische vader van de minderjarige zal worden gelast, zal de minderjarige nog slechts over één juridische ouder beschikken, namelijk de vrouw, en wordt daarmee de weg vrijgemaakt voor een erkenning door de vermoedelijke biologische vader. De rechtbank zal de vrouw en de vermoedelijke biologische vader dan ook in de gelegenheid stellen de erkenning van de minderjarige in onderling overleg te realiseren. Indien erkenning niet tot de mogelijkheden behoort, dan wel indien er een bijzonder belang bestaat om de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap te verkiezen boven een erkenning, dan wordt de advocaat van de vrouw verzocht om haar verzoek op dit punt van een nadere onderbouwing te voorzien. De rechtbank zal de behandeling van het verzoek in afwachting van een nadere reactie van de advocaat van de vrouw op dit punt aanhouden tot na te melden pro forma datum. De rechtbank behoudt zich daarbij iedere verdere beslissing voor.

4 De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat het huwelijk van de vrouw en de juridisch vader niet voor erkenning in aanmerking komt en dus niet vatbaar is voor inschrijving in de Basisregistratie Personen;

gelast de verbetering van de akte met nummer 100304 van het register van geboorten van het jaar 2020 van de gemeente [woonplaats] , in die zin dat de daarop vermelde oudergegevens van [jur.vader] , geboren op [geboortedatum2] te [geboorteplaats2] , worden verwijderd;

houdt het verzoek voor het overige aan in afwachting van een nadere schriftelijke reactie van de advocaat van de vrouw over de (on)mogelijkheden van erkenning van de minderjarige door de vermoedelijke biologische vader, dan wel een nadere onderbouwing van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, gelet op hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 3.13 van deze beschikking is opgenomen, tot 20 juni 2021 PRO FORMA;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Graaf, en, in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.

MV

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • -

    door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • -

    door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.