Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2515

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1839 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Onderzoek rijgeschiktheid en schorsing rijbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1839 WVW VV

uitspraak van 20 mei 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. N. Wouters,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 april 2021 (bestreden besluit) van het CBR inzake het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid aan hem en schorsing van zijn rijbewijs. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 18 mei 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. R. Wouters, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Het CBR heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

De officier van justitie heeft op 1 maart 2021 aan het CBR schriftelijk mededeling gedaan van het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Verzoeker heeft op 10 januari 2021 onder invloed van alcohol gereden. Bij ademanalyse is een alcoholgehalte van 845 µg/l vastgesteld.

Bij het bestreden besluit heeft het CBR verzoeker deelname aan een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

2. Verzoek

Verzoeker heeft aangevoerd dat niet is aangetoond dat hij als bestuurder onder invloed van alcohol heeft gereden. Er is derhalve geen grond voor het opleggen van een onderzoek. Daarnaast heeft hij een groot belang bij zijn rijbewijs. Hij heeft dat nodig om zijn werkzaamheden als oud-ijzerhandelaar uit te kunnen voeren. Zonder rijbewijs zal verzoeker werkloos worden. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Toetsingskader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

5. Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

6. Oordeel van de voorzieningenrechter

Ter beoordeling ligt aan de voorzieningenrechter voor of de verwachting bestaat dat het besluit van het CBR, waarbij verzoeker een onderzoek naar de rijgeschiktheid is opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst, in bezwaar standhoudt. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord kan er aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Het CBR is tot oplegging van het onderzoek en schorsing van het rijbewijs overgegaan omdat volgens hem voldoende vaststaat dat verzoeker op 10 januari 2021 onder invloed van een ademalcoholgehalte van 845 µg/l als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft meermalen overwogen dat voor het opleggen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig, het voldoende is dat op basis van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid vast komt te staan dat betrokkene onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.1

Anders dan in het stafrecht hoeft die gedraging niet wettig en overtuigend bewezen te worden.2

Blijkens het ‘proces-verbaal van verhoor verdachte’ heeft verzoeker op 10 januari 2021 onder meer verklaard dat hij in zijn gele vrachtwagen langs het huis van zijn ex-vriendin is gereden en ook even is uitgestapt. Hij is alleen met deze vrachtwagen weggeweest en pas toen hij weer thuis was heeft hij alcohol gedronken, een paar pintjes.

In het proces-verbaal ‘van bevindingen’ van 10 januari 2021 heeft de verbalisant onder meer het volgende verklaard:

‘Omstreeks 00:35 uur was ik ter plaatse aan [adres] en zag dat op het erf van de genoemde gele vrachtwagen stond geparkeerd. (…) Terwijl ik stond te wachten passeerde mij een oranjekleurige Kia Picanto.(…) Ik reed vervolgens naar het erf. Nog voor ik daar aankwam zag ik een manspersoon het erf aflopen en naar de weg kwam gelopen. (…) Ik sprak de man aan en zag dat hij bloeddoorlopen ogen had en rook dat zijn adem naar alcohol rook, ik hoorde dat de man met dubbele tong sprak.(…) Op het bureau hebben wij een ademanalyse afgenomen van [naam verzoeker] met een uitslag van 845 µg/l.’

Blijkens het proces-verbaal ‘aangifte’ heeft de ex-vriendin van verzoeker onder meer verklaard dat verzoeker haar zaterdagavond 9 januari 2021, vanaf 21.30 uur, tijdens haar werk zeker 14 keer heeft opgebeld. De ex-vriendin heeft hiervan 2 keer opgenomen. Zij hoorde dat verzoeker gedronken had. De ex-vriendin kwam op 10 januari 2021 om 00:05 uur thuis aan. Toen zij boven in de badkamer was hoorde zij het geluid van een vrachtwagen dat zij herkende als de vrachtwagen van verzoeker. De vriend van de ex-vriendin heeft het raam van de bovenverdieping geopend en de ex-vriendin hoorde dat verzoeker hem uitdaagde naar beneden te komen. Zij heeft vervolgens 112 gebeld.

In het proces-verbaal ‘aangifte’ heeft de vriend van de ex-vriendin van verzoeker onder met het volgende verklaard:

Ik woon samen met … zij is de ex-vriendin van [naam verzoeker] . Op zondag 10 januari 2021, omstreeks 00:10 uur, lag ik boven in mijn woning in bed. Ik lag te slapen. Omstreeks het eerder genoemde tijdstip hoorde ik [naam] roepen naar mij. Ik hoorde haar roepen dat [naam verzoeker] voor de deur stond. (…) Ik ging mijn bed uit en liep naar het slaapkamerraam aan de voorzijde van mijn woning. Ik deed het raam open en zag [naam verzoeker] voor mijn woning staan. (…) Voor mijn woning stond het gele vrachtwagentje waar [naam verzoeker] altijd in rijdt. (…) Ik zag dat [naam verzoeker] in het vrachtwagentje stapte en wegreed. Hij reed weg zonder verlichting.

Blijkens het tweede proces-verbaal ‘van bevindingen’ zijn er op 10 januari 2021 vanaf

00:16 uur ruim een minuut beelden gemaakt met de videodeurbel van een buurtbewoner van verzoekers ex-vriendin, waarop een man te zien is die door de verbalisant is herkend als verzoeker.

Op basis van de feiten en omstandigheden die blijken uit voormelde processen-verbaal van bevindingen en aangifte in onderlinge samenhang bezien staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter met een voldoende mate van zekerheid vast dat verzoeker op

10 januari 2021 onder invloed van alcohol heeft gereden; in ieder geval in zijn vrachtwagentje. De voorzieningenrechter acht daarvoor van belang dat omstreeks

00:10 uur (door de vriend van zijn ex-vriendin) is gezien dat hij in zijn vrachtwagen is weggereden en dat hij om 00:17 uur (op camerabeelden) bij het adres van zijn ex-vriendin is gezien. Verzoeker heeft ook erkend dat hij met zijn vrachtwagentje langs de woning van zijn ex-vriendin is gereden en daar is uitgestapt. De verbalisant heeft verzoeker aangetroffen op zijn adres kort na 00:35 uur. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat het ongeveer 5 minuten rijden is van de woning van zijn ex-vriendin naar zijn eigen woning.

Gelet op de korte tijd tussen het moment, dat verzoeker bij het adres van zijn ex-vriendin is gezien en is weggereden en het moment dat hij door de verbalisant is aangetroffen op zijn eigen adres, acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat verzoeker pas na thuiskomst wat pintjes heeft gedronken, zoals hij heeft verklaard. Dat zou namelijk betekenen dat verzoeker (gelet op het tijdstip van de camerabeelden en het aantreffen door de verbalisant) in ongeveer 15 tot 20 minuten (en gelet op het ademalcoholgehalte) 8 tot 10 glazen bier moet hebben gedronken. De voorzieningenrechter vindt dat niet aannemelijk. Zij acht voldoende vaststaan dat verzoeker al eerder alcohol heeft gedronken en dat hij dus onder invloed daarvan heeft gereden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de feiten en omstandigheden uit de processen-verbaal van bevindingen en aangifte voldoende om een vermoeden van ongeschiktheid op te baseren; bij verzoeker is als bestuurder een ademalcoholgehalte geconstateerd hoger dan 785 µg/l. Het CBR was daarom verplicht verzoeker een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen en zijn rijbewijs te schorsen. Voor het maken van een belangenafweging biedt de wet geen ruimte. Dat verzoeker stelt zijn rijbewijs nodig te hebben voor zijn werkzaamheden kan derhalve niet worden betrokken.

Dat verzoeker door de strafrechter is vrijgesproken, zoals hij heeft aangevoerd, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Behalve dat de bestuursrechter een andere toets aanlegt dan de strafrechter, is verzoeker volgens het CBR alleen vrijgesproken van bedreiging en niet van rijden onder invloed.

De voorzieningenrechter heeft de verwachting dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden en ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Conclusie

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 20 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage: wettelijk kader

WEGENVERKEERSWET 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of

b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;

b. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs niet overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, bepaald dat betrokkene zijn rijbewijs dient in te leveren bij het CBR;

REGELING MAATREGELEN RIJVAARDIGHEID EN GESCHIKTHEID 2011

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.

2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, Drogerende stoffen, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Artikel 3

1. Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:

a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;

b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of

c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.

Artikel 5

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.

Artikel 23

1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

BIJLAGE BIJ DE REGELING MAATREGELEN RIJVAARDIGHEID EN GESCHIKTHEID 2011

B. Geschiktheid

III. Drogerende stoffen

Alcohol

a. bij betrokkene is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;

1 zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1574) en 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3715)

2 uitspraak van de AbRS van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2352)