Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:251

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6782
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6782 PW

uitspraak van 21 januari 2021 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. M.A.R. Schuckink Kool,

en

het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (Werkplein), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 november 2019 (bestreden besluit) van Werkplein inzake de toekenning van een premie van € 555,55 op grond van de Re-integratieverordening 2012 van de gemeente [plaatsnaam] (Re-integratieverordening).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 26 november 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Werkplein heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger namens verweerder 1] en [vertegenwoordiger namens verweerder 2] .

Ter zitting heeft het college bezwaar gemaakt tegen het betrekken bij de beoordeling van de stukken, die op 25 november 2020 door eiseres zijn ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat het om één nieuw stuk gaat; de overige stukken bevinden zich reeds in het dossier. Omdat het slechts gaat om één nieuw stuk van beperkte omvang heeft de rechtbank besloten dat stuk niet buiten beschouwing te laten en te betrekken in haar beoordeling.

De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiseres is een alleenstaande ouder en ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Vanaf 1 november 2011 is eiseres over langere perioden ontheven geweest van de sollicitatieverplichtingen. Zij heeft de afgelopen jaren bij de volgende vier organisaties werkzaamheden verricht:

  • -

    [naam organisatie 1] , van 18 oktober 2013 tot 20 mei 2016;

  • -

    [naam organisatie 2] , van 13 oktober 2013 tot 1 mei 2016;

  • -

    [naam organisatie 3] , van 16 juni 2016 tot en met 13 juli 2018;

  • -

    [naam organisatie 4] , vanaf 25 september 2018.

Eiseres heeft bij brieven van 14 februari en 26 april 2019 bij Werkplein verzocht om een vergoeding van € 11.255,- voor haar participeren over de afgelopen 5 jaar.

Bij besluit van 21 juni 2019 (primair besluit) heeft Werkplein deze aanvraag afgewezen. Volgens Werkplein dient het vrijwilligerswerk van eiseres te worden aangemerkt als werk op een activeringsplaats, zoals bedoeld in artikel 9 van de Re-integratieverordening, en is geen participatieplaats aangeboden, zoals bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet en artikel 12 van de Re-integratieverordening. Eiseres heeft daarom geen recht op een premie.

2. Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft Werkplein het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Voor de werkzaamheden bij [naam organisatie 2] kent Werkplein alsnog een premie van € 555,55 toe. In de overeenkomst die eiseres met [naam organisatie 2] heeft opgesteld, staat dat het gaat om een participatieplaats. Alhoewel dat werk indertijd niet aan eiseres aangeboden had moeten worden, omdat zij niet naar werk is begeleid, is dat toch gebeurd en Werkplein ziet daarin aanleiding tot het toekennen van een premie ten bedrage van € 555,55. Voor de hoogte van de premie is aangesloten bij de Re-integratieverordening 2012, omdat die gunstiger is voor eiseres dan de huidige verordening.

Volgens Werkplein kan voor de andere werkzaamheden geen premie worden toegekend, omdat deze niet vallen onder artikel 10a van de Participatiewet. Het is aan Werkplein om de noodzakelijke ondersteuning te bepalen en op te volgen, maar de onderhavige werkzaamheden hebben niet onder verantwoordelijkheid van Werkplein plaatsgevonden. Ook was er geen sprake van primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden. Gelet op het feit dat eiseres sinds lange tijd is ontheven van de arbeidsverplichtingen en er geen trajectplannen zijn opgesteld, is het perspectief van eiseres om weer een plek te verwerven op de reguliere arbeidsmarkt zeer gering. Werkplein verwijst naar het Rapport klinisch-psychologische screening uit 2010 en het advies van A-REA uit 2019. Gelet op de afstand van eiseres tot de arbeidsmarkt zijn de werkzaamheden meer gericht op sociale activering en het voorkomen van een isolement en dus als vrijwilligerswerk te beschouwen. Met betrekking tot de werkzaamheden bij [naam organisatie 4] stelt Werkplein nog dat voor de vergoeding van die werkzaamheden vrijlating voor vrijwilligerswerk is toegekend op grond van de beleidsregel ‘Vrijlating inkomsten uit arbeid en vrijlating kostenvergoeding vrijwilligerswerk PW, IOAW en IOAZ’. Eiseres heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Aangenomen mag daarom worden dat eiseres het eens was met die toekenning en het aannemen van haar werkzaamheden bij [naam organisatie 4] als vrijwilligerswerk.

3. Beroepsgronden

Eiseres heeft aangevoerd dat Werkplein ten onrechte de werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en [naam organisatie 4] heeft aangemerkt als vrijwilligerswerk. Gelet op artikel 10a van de Participatiewet gaat het om onbeloonde additionele werkzaamheden verricht door personen voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar op de arbeidsmarkt zijn. Volgens eiseres komt aan het woord ‘vooralsnog’ - anders dan Werkplein stelt - weinig betekenis toe. Eiseres stelt dat zij onder de doelgroep valt en dat voormelde werkzaamheden voldoen aan de eisen van additionele werkzaamheden. Dat er geen sprake is van een activeringsplan doet daar niet aan af. Aan het begrippenkader van de Re-integratieverordening komt geen werking toe die afbreuk doet aan het begrippenkader van de Participatiewet. Ook het feit dat zij indertijd geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot toekenning van een vrijlating van de vergoeding voor vrijwilligerswerk doet volgens eiseres niet af aan de door haar gestelde aanspraken. Verder stelt eiseres dat de gemeentelijke regelgeving in strijd is met de Participatiewet. De aan eiseres toegekende vergoeding, op basis van die gemeentelijke regelgeving, wijkt te veel af van wat op basis van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de Participatiewet maximaal kan worden toegekend.

4. Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of Werkplein op goede gronden aan eiseres een premie voor haar werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en [naam organisatie 4] heeft geweigerd en een premie van € 555,55 voor haar werkzaamheden bij [naam organisatie 2] heeft toegekend.

Werkzaamheden [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en [naam organisatie 4]

Op grond van artikel 10a van de Participatiewet kan het college degene voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. Additionele werkzaamheden zijn gedefinieerd als primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Aan een belanghebbende wordt een premie voor het verrichten van additionele werkzaamheden toegekend als hij naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Eiseres heeft gesteld dat haar werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en [naam organisatie 4] als additionele arbeid/participatieplaats kunnen worden aangemerkt. Zij heeft met betrekking tot deze werkzaamheden verschillende stukken overgelegd: een e-mailbericht van [naam] ( [naam organisatie 1] ) van 20 mei 2016, een verklaring van coördinator [naam coördinator organisatie 4] ( [naam organisatie 3] ) van 22 december 2018 en een ‘Vrijwilligersovereenkomst overblijven’ van 25 september 2018 en ‘Algemene informatie vrijwilligers’ van [naam organisatie 4] .

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze stukken onvoldoende dat het om meer ging dan alleen vrijwilligerswerk. Ook anderszins is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Alhoewel participatieplaatsen bedoeld zijn voor degene voor wie de kans op de arbeidsmarkt gering is en de werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en/of [naam organisatie 4] wellicht eraan hebben bijgedragen dat eiseres zich verder heeft ontwikkeld, is niet gebleken dat deze werkzaamheden primair gericht waren op de arbeidsinschakeling/op het bevorderen van de mogelijkheden van eiseres om uit de bijstand te stromen naar reguliere arbeid. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres al sinds 2011 merendeels is ontheven van arbeidsverplichtingen. Voorts acht zij de rapportage van A-REA van 29 september 2019 van belang. Een verzekeringsarts, een psycholoog en een arbeidsdeskundige van A-REA hebben onderzoek gedaan naar de arbeidsmogelijkheden van eiseres en geconcludeerd dat zij, vanwege haar forse langdurige beperkingen in combinatie met een urenbeperking (2 tot 4 uur per week), geen regulier werk kan verrichten. Geadviseerd wordt eiseres te begeleiden naar vrijwilligerswerk. Adequate behandeling zou de ernst van de beperkingen volgens de psycholoog wat kunnen doen afnemen op termijn. Eiseres heeft echter aangegeven door omstandigheden geen behoefte te hebben aan het volgen van een behandeling. Deze rapportage uit 2019 is naar het oordeel van de rechtbank een verdere onderbouwing dat van werkzaamheden primair gericht op de arbeidsinschakeling geen sprake is, maar dat ook voordien daarvan geen sprake was als dit wordt gelezen in samenhang met het Rapport klinisch-psychologische screening van 20 juli 2010. In die rapportage werd ook reeds geconcludeerd dat de prognose ten aanzien van werkhervatting ongunstig is en ten aanzien van herstel vooralsnog ongunstig en afhankelijk van de bereidheid en inzet van eiseres om aan haar problemen te werken. Uit deze rapportages blijkt derhalve dat de situatie van eiseres onverminderd onveranderd is. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en [naam organisatie 4] niet primair gericht waren op inschakeling in reguliere arbeid.

Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en/of [naam organisatie 4] onder verantwoordelijkheid van Werkplein werden verricht. In de Memorie van Toelichting (TK 2005-2006, 30 650, nr. 3) is benadrukt dat de invulling van de begeleiding van de mensen een belangrijk aspect is van de participatieplaatsen en een gemeentelijke verantwoordelijkheid. In dit geval is echter niet gebleken dat Werkplein voorafgaande aan het gaan verrichten van deze werkzaamheden door eiseres daar – behalve dat hij daarvan wellicht op de hoogte was – ook inhoudelijke bemoeienis mee heeft gehad, dat hij regelmatig heeft gekeken naar het functioneren van eiseres in deze werkzaamheden, dat hij dat heeft geëvalueerd en dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn mogelijkheden tot sturing. Anders dan bij de werkzaamheden voor [naam organisatie 2] is eiseres voor deze werkzaamheden ook geen overeenkomst aangegaan waarbij Werkplein was betrokken.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en [naam organisatie 4] niet als additionele werkzaamheden in de zin van artikel 10a van de Participatiewet kunnen worden aangemerkt. Werkplein heeft dan ook terecht geen premie voor deze werkzaamheden toegekend.

Hoogte premie [naam organisatie 2]

Op grond van artikel 8a van de Participatiewet is de gemeenteraad verplicht om bij verordening regels te stellen omtrent de premie, zoals bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet. Die regels hebben in ieder geval betrekking op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval.

Werkplein heeft aan eiseres voor haar werkzaamheden bij [naam organisatie 2] een premie van € 555,55 toegekend. Werkplein heeft daarbij de Re-integratieverordening 2012 gehanteerd, omdat deze gunstiger is voor eiseres dan de huidige verordening. Op basis van de Re-integratieverordening 2012 en het zesde lid van artikel 10 van de Participatiewet is de premie per 6 maanden € 500,- bij een betrekking van 36 uur. Werkplein heeft de premie berekend over 5 termijnen (van 6 maanden) en een bedrag van € 111,11 per termijn, welk bedrag is gebaseerd op 8 uur per week (8/36ste van € 500,-).

Eiseres kan zich met de hoogte van deze premie niet verenigen. Volgens haar had het college die hoogte moeten bepalen op het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de Participatiewet. In zoverre is de Re-integratieverordening 2012 volgens haar in strijd met de Participatiewet.

De CRvB heeft in de uitspraak van 19 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1406) over de hoogte van de premie op grond van artikel 10a, zesde lid, van de Wet Werk en Bijstand (WWB), nu de Participatiewet, het volgende geoordeeld: ‘Uit de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB neergelegde verplichting van de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de WWB, volgt dat het de gemeenteraad in beginsel vrij stond om de premie naar eigen inzicht te bepalen. Geen wettelijke bepaling schrijft voor dat de gemeenteraad hierbij aansluiting had moeten zoeken bij het in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de WWB vermelde bedrag van € 2.250,- . De omstandigheid dat het ingevolge artikel 10a, zesde lid, van de WWB gaat om een premie als bedoeld in artikel 31 tweede lid, sub j van de WWB doet aan voormelde vrijheid van de gemeenteraad niet af. Aan laatst bedoeld artikelonderdeel kon appellant dan ook geen aanspraak op een hoger premiebedrag ontlenen.’

De rechtbank is, gelet op voormelde rechtspraak van de CRvB, van oordeel dat Werkplein voor wat betreft de hoogte van de premie geen aansluiting heeft hoeven zoeken bij artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de Participatiewet. Dat Werkplein in de Re-integratieverordening - in dit geval de Re-integratieverordening 2012 - de hoogte van de premie niet heeft bepaald op het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de Participatiewet, maakt Verordening 2012 dan ook niet strijdig met de Participatiewet, zoals eiseres heeft gesteld.

Eiseres heeft ter zitting gesteld dat bij de hoogte van de premie het risico van armoedeval niet is betrokken.

Het college heeft dat betwist en verwezen naar de toelichting bij de Re-integratie-verordening 2016, waarin is aangegeven dat bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico’s van armoedeval worden betrokken en dat er is gekozen voor een premie van telkens € 100,- per zes maanden.

De rechtbank gaat er, gelet op die toelichting en gelet op de hoogte van de premie, die in de Re-integratieverordening 2012 hoger is dan die in de Re-integratieverordening 2016, van uit dat ook bij de in geding zijnde premie, die is gebaseerd op de Re-integratieverordening 2012, de armoedeval is betrokken.

Eiseres heeft verder tegen de berekening van de premie geen gronden aangevoerd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat die niet ter discussie staat.

De rechtbank komt tot de slotsom dat Werkplein de aan eiseres toegekende premie voor haar werkzaamheden bij [naam organisatie 2] , met inachtneming van de Re-integratieverordening 2012, heeft kunnen vaststellen op € 555,55.

6. Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank houdt het besluit van Werkplein, waarbij aan eiseres een premie voor haar werkzaamheden bij [naam organisatie 1] , [naam organisatie 3] en [naam organisatie 4] is geweigerd en aan haar een premie van € 555,55 voor haar werkzaamheden bij [naam organisatie 2] is toegekend, stand. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat als gevolg daarvan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, mr. C.E.M. Marsé en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 21 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: Wettelijk kader

PARTICIPATIEWET

Artikel 6. Definities in verband met arbeidsinschakeling

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

b. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a;

c. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie;

Artikel 7. Opdracht college

1. Het college:

a. ondersteunt bij arbeidsinschakeling:

1°. personen die algemene bijstand ontvangen,

2°. personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend,

3°. personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid,

4°. personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet

5°. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers,

6°. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en

7°. niet-uitkeringsgerechtigden

en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling, noodzakelijk acht, bepaalt en biedt deze voorziening aan.

Artikel 8a. Verordeningen re-integratievoorzieningen en tegenprestatie

1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:

a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10, eerste lid;

b. het opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c;

c. de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid;

d. de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid;

e. het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel 10b.

2. De regels, bedoeld in het eerste lid, bepalen in ieder geval:

a. onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor in de verordening te omschrijven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld;

b. welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding en voor de premie indien onbeloonde additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a waarbij die regels voor de premie in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval.

Artikel 10a. Participatieplaatsen

1. Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, degene die algemene bijstand ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.

2. Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

3. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden werkzaamheden, verricht in het kader van een andere voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, voor maximaal zes maanden buiten beschouwing gelaten indien er naar het oordeel van het college een reëel uitzicht is op een dienstbetrekking bij degene bij wie de werkzaamheden worden verricht van dezelfde of grotere omvang die aanvangt tijdens of aansluitend op die zes maanden.

4. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden werkzaamheden verricht voor 1 januari 2007, buiten beschouwing gelaten.

5. Het college biedt aan degene die op grond van dit artikel additionele werkzaamheden verricht en die niet beschikt over een startkwalificatie na een periode van zes maanden na aanvang van die werkzaamheden een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden indien scholing of opleiding naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van belanghebbende.

6. Het college verstrekt aan belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.

7. Indien het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn overeengekomen dat artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is op een persoon aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt, dient bij de toepassing van het eerste lid voor «algemene bijstand» te worden gelezen: uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

8. Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een periode van negen maanden na de aanvang van die werkzaamheden of de toepassing van dit artikel zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces heeft vergroot. Indien dat niet het geval is wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd.

9. Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college voor afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn van twee jaar verlengen met een jaar, onder de voorwaarde dat de belanghebbende in het derde jaar in een andere omgeving andere additionele werkzaamheden verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft verricht.

10. Indien de termijn van twee jaar is verlengd op grond van het negende lid, beoordeelt het college voor afloop van het derde jaar of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn nogmaals verlengen met een jaar.

Artikel 31. Middelen

1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

j. een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.570,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;

RE-INTEGRATIEVERORDENING PARTICIPATIEWET GEMEENTE [plaatsnaam] 2015

Artikel 1 Begripsbepalingen

1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene Wet bestuursrecht.

2. In deze verordening wordt verstaan onder:

f. proefplaatsing: werken met behoud van uitkering gedurende een periode van maximaal 3 maanden met de intentie en afspraak van een concrete baan in het vooruitzicht;

g. werkstage: werken met behoud van uitkering gedurende een periode van maximaal 6 maanden met als doel om werkritme en werkervaring op te doen;

h. activeringsplaats: werken met behoud van uitkering voor personen met een (zeer) grote afstand tot de arbeidsmarkt die wel het perspectief hebben dat zij met langere begeleiding weer inzetbaar zijn in reguliere arbeid;

Artikel 9 Sociale activering

1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering, onder andere in de vorm van een activeringsplaats, voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening of voor zover dit bijdraagt aan zelfstandige maatschappelijke participatie.

2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

3. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien [van] de wijze van uitvoering van sociale activering en de voorwaarden die hieraan verbonden worden.

Artikel 12 Participatieplaats

1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.

3. Het college biedt de persoon die minimaal zes maanden werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid verricht en geen startkwalificatie bezit een voorziening als bedoeld in artikel 10 van deze verordening aan, indien dit bijdraagt aan de vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

4. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 100,00 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

5. Geen aanspraak op een premie als genoemd in het derde lid bestaat, indien de gemiddelde inzet gedurende de periode genoemd in het derde lid minder bedraagt dan 4 uren per week.

RE-INTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2012 GEMEENTE [plaatsnaam]

Artikel 12

1. De premie als bedoeld in artikel 10a, lid 6, van de Wet werk en bijstand bedraagt € 500,- bij een arbeidsduur van 36 uur per week.

2. Het college kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van de eisen die aan een participatieplaats worden gesteld.