Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2502

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
02/078935-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/078935-19

vonnis van de meervoudige kamer van 21 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats]

wonende te ( [adres]

raadsman mr. M.M.H. Zuketto en raadsvrouw mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaten te Maastricht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 mei 2021, waarbij de officier van justitie, mr. M. Snoeks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeers- ongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is komen te overlijden, dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte de lading kinderkoppen op de aanhanger van zijn vrachtwagen niet voldoende had gezekerd en afgedekt en dat hij zijn vrachtwagen met aanhanger niet constant onder controle heeft gehad, nu hij met het voertuig op de vluchtstrook en deels in de berm terecht is gekomen. Door dit te corrigeren heeft de aanhanger een slingerbeweging gemaakt, waardoor een deel van de lading is verloren en op de rijbaan terecht is gekomen.

De combinatie van de feitelijke gedragingen kunnen niet worden aangemerkt als roekeloos noch als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, zodat de officier van justitie daarvan partieel vrijspraak vordert. Wel leidt de combinatie van deze feitelijke gedragingen tot de conclusie dat hij zich in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Daarom is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt in de eerste plaats dat het primair ten laste gelegde feit niet kan leiden tot een veroordeling ter zake van artikel 6 WVW, nu de delictsomschrijving niet feitelijk genoeg is en de keten van de wel in de tenlastelegging opgesomde feitelijke gedragingen niet als zodanig heeft geleid tot de dood van het slachtoffer.

Subsidiair stelt de raadsman dat de feitelijke gedragingen van verdachte geen schuld opleveren in de zin van artikel 6 WVW. Het even niet opletten waardoor de vrachtwagen met aanhanger op de vluchtstrook en in de berm terecht is gekomen moet worden aangemerkt als een momentane onoplettendheid. Dat leidt op zichtzelf niet tot schuld in de zin van artikel 6 WVW. Voorts kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de lading kinderkoppen had moeten worden afgedekt, gelet op artikel 5.18.6, tweede lid, van de Regeling voertuigen. Immers was niet te verwachten dat zulke zware kinderkoppen van de aanhanger zouden afvallen.

Voor wat betreft de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

4.4

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 9 april 2018 omstreeks 04:55 uur heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden op de Rijksweg A58 in de richting van Tilburg ter hoogte van hectometerpaal 26.0 in Moergestel. Op deze rijbaan waren kinderkoppen terechtgekomen.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte enkele minuten vóór het verkeersongval met zijn vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] met aanhanger ter hoogte van diezelfde plek op de vluchtstrook en deels in de berm terecht is gekomen. Ook is gebleken dat de aanhanger vermoedelijk door het corrigeren een slingerbeweging heeft gemaakt. Door die beweging zijn er kinderkoppen van de aanhanger gevallen.

Voorts blijkt uit onderzoek dat een Peugeot met kenteken [kenteken 2] in botsing is gekomen met een kinderkop, waardoor de bestuurder, het slachtoffer [slachtoffer] , de macht over het stuur is verloren en met de voorzijde van de Peugeot tegen de vangrail is gebotst, waarna de Peugeot dwars op de rijbaan kwam te staan. Een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 3] is hierna ook over een kinderkop gereden, waardoor het voertuig los kwam van de weg en vervolgens tegen de linkerzijde van de Peugeot is gebotst. Als gevolg van deze botsing is [slachtoffer] komen te overlijden.

In het proces-verbaal van het Forensisch Onderzoek Verkeersdelict is vastgesteld dat

de kinderkoppen op de rijbaan vermoedelijk de oorzaak of mede de oorzaak zijn geweest van de botsing tussen de Volkswagen Polo en de Peugeot. Ook is daarin vermeld dat de bestuurder de lading kinderkoppen vermoedelijk onvoldoende had afgedekt.

Verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat de aanhanger van zijn vrachtwagen onder meer was beladen met drie kratten en twee bigbags met kinderkoppen. Een van de kratten had hij tegen het kopschot van de aanhanger gezet. De bigbags waren halfvol en omgevouwen. De kratten waren tot de rand gevuld met in het midden een klein “kopje” erop. De kratten waren niet afgedekt met een afdekzeil. Het “kopje” van de vulling van de krat stak iets boven het kopschot uit. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op enig moment in gedachten was verzonken, waardoor hij met zijn vrachtwagen met aanhanger op de vluchtstrook terecht is gekomen en waarschijnlijk een wiel van de aanhanger in de berm is geraakt. Hierop heeft verdachte een correctie gemaakt om zijn vrachtwagen met aanhanger weer terug de rijbaan op te sturen. Hierdoor heeft zijn aanhanger mogelijk een stuiterbeweging gemaakt, waardoor mogelijk een deel van de lading is verloren en op de weg terecht is gekomen.

Primair, artikel 6 WVW

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval, en zo ja, in welke mate.

Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in voren- bedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, dient de rechtbank vast te stellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen, dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een bestuurder van een motorvoertuig in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht, waarbij in ieder geval sprake dient te zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door verdachte.

Verdachte kan onder meer worden verweten dat hij op enig moment niet heeft opgelet als gevolg waarvan zijn vrachtwagen met aanhanger op de vluchtstrook en deels in de berm is geraakt, waardoor zijn aanhanger bij het corrigeren een slinger- of stuiterbeweging heeft gemaakt, waardoor een deel van de lading is verloren.

Ook kan verdachte worden verweten dat hij de lading niet deugdelijk had afgedekt. Op een beroepsmatig chauffeur van vrachtwagens rust een bijzondere verantwoordelijkheid in het verkeer en van verdachte mag daarom worden verlangd dat hij bekend is met de Regeling voertuigen. Hierin is onder meer in artikel 5.18.6 bepaald dat de lading of delen daarvan zodanig gezekerd moeten zijn dat deze onder normale verkeersituaties, waaronder worden begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en een slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen. Een losse lading moet deugdelijk zijn afgedekt, indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading. De rechtbank begrijpt dat hierbij ook diezelfde normale verkeerssituaties als volle remmingen en plotselinge uitwijkmanoeuvres in ogenschouw dienen te worden genomen. Nu de lading in het midden van de kratten iets boven de rand uitkwam, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bedacht had moeten zijn op verkeerssituaties als hiervoor bedoeld en had moeten voorzien dat door het niet afdekken van de lading er een reëel risico bestond dat een deel van de lading van de aanhanger zou kunnen afvallen, waardoor er gevaarlijke verkeerssituaties als de onderhavige konden ontstaan.

Het verweer van de raadsman, dat het primair ten laste gelegde feit niet kan leiden tot een veroordeling van artikel 6 WVW, omdat de delictsomschrijving in de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is en de keten van de daarin wel opgesomde feitelijke gedragingen niet als zodanig heeft geleid tot de dood van het slachtoffer, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo dat daarmee bedoeld is te stellen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de daarin uitgeschreven gedragingen van verdachte en het verliezen van de kinderkoppen en de dood van het slachtoffer. De delictsomschrijving is voldoende feitelijk en de tenlastelegging dient te worden bezien in het licht van het dossier. Uit de bewijsmiddelen volgt, zoals de rechtbank al heeft overwogen, welke reeks van gebeurtenissen tot zijn dood heeft geleid. Die gebeurtenissen zijn opgetreden doordat kinderkoppen van de lading van verdachte op de weg zijn beland als gevolg van de genoemde feitelijke gedragingen van verdachte. Het overlijden van het slachtoffer is daarmee redelijkerwijs toe te rekenen aan verdachte.

De vraag is hoe het hiervoor beschreven gedrag van verdachte moet worden gekwalificeerd. De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag niet kan worden aangemerkt als roekeloos of zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, zodat hij daarvan partieel wordt vrijgesproken. Wel moet het rijgedrag in combinatie met het onvoldoende afdekken van de lading, worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Daarom is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 9 april 2018 te Moergestel, gemeente Oisterwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de A58, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden met een lading (waaronder kinderkoppen/zware keien) terwijl deze lading niet voldoende deugdelijk afgedekt was en niet het verloop van de rijstrook van die weg waarop verdachte reed te volgen en op de vluchtstrook van die weg terecht te komen en over enige afstand op die vluchtstrook te blijven rijden en, gezien verdachtes rijrichting, rechts in de berm van die weg terecht te komen en gedeeltelijk vanuit die berm terug de rijbaan op te komen en aldaar zijn weg te vervolgen en hierbij enige lading (te weten kinderkoppen/ zware kei(en)) op die weg te verliezen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zij strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake van het bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien de

taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, en daarnaast een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman bij de aan verdachte op te leggen straf onder meer rekening te houden met de aard van de gedraging, de impact van het verkeersongeval op verdachte en zijn gezin, de houding van verdachte en het mediationtraject dat heeft plaatsgevonden op verzoek van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft als beroepsmatig vrachtwagenchauffeur aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden, waardoor een deel van de lading kinderkoppen van de aanhanger is afgevallen en op de rijbaan terecht is gekomen en waardoor het slachtoffer [slachtoffer] is komen te overlijden. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Het leed dat hij als gevolg van zijn gedragingen bij de nabestaanden heeft veroorzaakt is ingrijpend en onherstelbaar. De gevolgen dragen zij dagelijks met zich mee.

Bij de bepaling van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Op grond van deze oriëntatiepunten kan voor een overtreding van artikel 6 WVW, waarbij een slachtoffer is komen te overlijden en waarbij sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld, een taakstraf van 240 uren en een onvoorwaardelijke rijontzegging van één jaar worden opgelegd.

Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat het verkeersongeval ook voor verdachte heel ingrijpend is geweest. Verdachte zal moeten leven met de ernstige gevolgen van zijn handelen en gebleken is dat verdachte zich zeer bewust is van het leed dat hij daarmee bij

de nabestaanden van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Dit komt de rechtbank zeer oprecht over en zij houdt hiermee rekening in het voordeel van verdachte. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen door direct contact op te nemen met zijn werkgever en openheid van zaken te geven op het moment dat hij besefte dat de kinderkoppen weleens van zijn aanhanger afkomstig konden zijn. Ook heeft er op verzoek van verdachte een mediationgesprek plaatsgevonden met de nabestaanden, omdat hij vond dat zij recht hadden op antwoorden op vragen die bij hen leefden, en heeft hij een bloemetje aangeboden aan de nabestaanden. Al deze omstandigheden zal de rechtbank in strafverlagende zin meewegen.

De rechtbank houdt tot slot rekening met het feit dat sinds de dag van het ongeval en de dag van de inhoudelijke behandeling van de zaak meer dan drie jaar zijn verstreken, waardoor de nabestaanden, maar ook verdachte lange tijd in onzekerheid hebben verkeerd over de eventuele strafrechtelijke gevolgen daarvan. Nu dus sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan een jaar, zal de rechtbank naar bevind van zaken een strafkorting toepassen.

Alles afwegende zal de rechtbank, in afwijking van de oriëntatiepunten en de strafeis, aan verdachte opleggen een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis, indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, en daarnaast een ontzegging van zijn bevoegdheid om motor- rijtuigen te mogen besturen voor de duur van één jaar. Omdat verdachte voor zijn baan de beschikking moet hebben over een rijbewijs en bij de rechtbank niet de indruk is ontstaan dat verdachte een onverantwoordelijke verkeersdeelnemer is, zal deze rijontzegging geheel voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 14a, 14b, 14cvan het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, mr. D. van Kralingen en

mr. E.G.F. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 mei 2021.

Mr. Van Kralingen en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

9 Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 9 april 2018 te Moergestel, gemeente Oisterwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de A58, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met een lading (waaronder kinderkoppen/zware keien) terwijl deze lading niet voldoende was gezekerd en/of deugdelijk afgedekt was, en/of niet het verloop van de rijstrook van die weg waarop verdachte reed te volgen, en/of op de vluchtstrook van die weg terecht te komen en/of over enige afstand op die vluchtstrook is blijven rijden, en/of
geheel of gedeeltelijk, gezien verdachtes rijrichting, rechts in de berm van die weg terecht te komen en/of geheel of gedeeltelijk vanuit die berm terug de rijbaan op te komen en aldaar zijn weg te vervolgen, en/of (hierbij) enige lading (te weten één of meer kinderkop(pen)/ zware kei(en)) op die weg te verliezen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 april 2018 te Moergestel, gemeente Oisterwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de A58, heeft gereden met een lading (waaronder kinderkoppen/zware keien) terwijl deze lading niet voldoende was gezekerd en/of deugdelijk afgedekt was, en/of niet het verloop van de rijstrook van die weg waarop verdachte reed heeft gevolgd, en/of op de vluchtstrook van die weg terecht is gekomen en/of over enige afstand op die vluchtstrook is blijven rijden, en/of geheel of gedeeltelijk, gezien verdachtes rijrichting, rechts in de berm van die weg terecht is gekomen en/of geheel of gedeeltelijk vanuit die berm terug de rijbaan op is gekomen en aldaar zijn weg heeft vervolgd, en/of (hierbij) enige lading (te weten één of meer kinderkop(pen)/zware kei(en)) op die weg heeft verloren, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )