Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2480

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1563 VV + 21_1436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering op grond van Participatiewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 21/1563 PW VV en 21/1436 PW

uitspraak van 18 mei 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] (verzoeker) en [naam verzoekster] (verzoekster), te [woonplaats] , verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 4 maart 2021 van het college (bestreden besluit) over de afwijzing van hun aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 mei 2021. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Feiten en omstandigheden

1. Verzoekers hebben op 27 mei 2020 een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij brief van 29 mei 2020 heeft het college hen verzocht om voor 12 juni 2020 diverse nader genoemde stukken aan te leveren.

Verzoekers hebben enkele stukken aangeleverd, maar dat zijn volgens het college niet alle stukken waar om is verzocht. Bij brief van 11 juni 2020 heeft het college hen daarom in de gelegenheid gesteld om voor 24 juni 2020 de aanvraag aan te vullen.

Verzoekers hebben nog enkele stukken aangeleverd, waarbij zij gesteld hebben niet meer dan dat over te kunnen leggen. Daarop heeft het college de aanvraag van verzoekers bij besluit van 29 juni 2020 (het primaire besluit) niet in behandeling genomen, omdat zij niet alle stukken hebben aangeleverd waar om is verzocht. Hierdoor is het recht op uitkering niet vast te stellen. Verzoekers hebben op 3 augustus 2020 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 31 augustus 2020 hebben zij hun bezwaargronden aangevuld en nog een aantal stukken aangeleverd.

Op 11 september 2020 heeft er een telefonische hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 17 september 2020 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen, bleef daarbij gehandhaafd.

Bij brief van 27 januari 2021 heeft het college eisers verzocht om voor 10 februari 2021 nog enkele nader genoemde stukken in te leveren.

Op 1 februari 2021 heeft er nogmaals een telefonische hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van verzoekers onder wijziging van de grondslag en motivering ongegrond verklaard. Er zijn onvoldoende gegevens verstrekt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen, aldus het college. De aanvraag voor een bijstandsuitkering wordt geweigerd.

Standpunt verzoekers

2. Verzoekers voeren in hun verzoekschrift, samengevat, aan dat zij verzoeken om een voorlopige voorziening omdat zij sinds medio 2018 geen inkomen meer hebben en hun zoon hun niet veel langer kan onderhouden. Verzoekers stellen dat het college blijft vragen om stukken die niet bestaan. Zij hebben alles ingeleverd wat er is. De stukken die zien op het failliete bedrijf kan het college zelf opvragen bij de curator.

Beoordelingskader

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Partijen hebben hier ter zitting mee ingestemd.

4. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Overwegingen

Spoedeisend belang

5. Ter zitting heeft het college de vraag opgeworpen of verzoekers wel een spoedeisend belang hebben bij het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat er sinds de aanvraag van 27 mei 2020 geen verifieerbare wijziging in de omstandigheden is opgetreden die maakt dat verzoekers de beroepszaak niet kunnen afwachten. Daarop heeft verzoeker aangegeven dat hun zoon een woning heeft gekocht, waardoor hij verzoekers op korte termijn niet meer financieel zal kunnen onderhouden. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang daarom aannemelijk.

Inhoudelijk geschil

6. Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat het college zowel op 17 september 2020 als op 4 maart 2021 een beslissing op bezwaar heeft genomen. Ter zitting heeft het college gesteld dat in het bestreden besluit van 4 maart 2021 per abuis niet is opgenomen dat het eerder genomen besluit van 17 september 2020 daarmee werd ingetrokken. Dit is ter zitting alsnog gedaan. In zoverre is het bestreden besluit dus aangevuld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet dit verder niet af aan het bestreden besluit, nu daarin de aanvraag van verzoekers inhoudelijk is beoordeeld en verzoekers daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.

7. Het gaat in deze zaak om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven over onder meer zijn financiële situatie. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:728).

8. Het college heeft verzoekers onder andere verzocht om duidelijk leesbare, controleerbare, verifieerbare en objectieve bewijsstukken waaruit blijkt hoe zij in de periode van 4 april 2018 (datum van de intrekking van de eerder verleende bijstandsuitkering) tot aan hun aanvraag op 27 mei 2020 zonder inkomsten in hun levensonderhoud hebben kunnen voorzien.

9. Verzoekers hebben hun bankafschriften over de genoemde periode overgelegd. Daarop is te zien dat zij regelmatig bedragen tussen de € 50,- en € 250,- hebben ontvangen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] Ter zitting heeft het college gesteld dat verifieerbaar is dat deze bedragen afkomstig zijn van het bedrijf van de zoon van verzoekers. Ook is te zien dat verzoekers op 28 oktober 2019 een bedrag van € 5.428,- hebben ontvangen van [naam vader verzoekster] . Verzoekers hebben daarover verklaard dat dit een schenking betreft van de vader van verzoekster. Ter zitting heeft het college gesteld dat ook over de herkomst van dit bedrag geen vragen (meer) bestaan.

10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stelt het college terecht dat hiermee echter nog geen (volledige) duidelijkheid is geboden over de financiële situatie van verzoekers in de genoemde periode. Op de bankafschriften is namelijk ook te zien dat verzoekers op 24 april 2020 een bedrag van € 5.500,- hebben ontvangen van [naam bedrijf 2] Verzoekers stellen dat dit een lening van hun zoon is (via zijn bedrijf), maar zij hebben geen stukken overgelegd over de voorwaarden die daaraan zijn gesteld. Ook is te zien dat verzoekers dit bedrag in contanten hebben opgenomen, waardoor niet duidelijk is waar zij dit aan hebben besteed. In ieder geval is niet gebleken dat het geld is besteed aan levensonderhoud.

In dat kader is ook van belang dat verzoekers consequent hebben verklaard dat hun zoon sinds medio 2018 in hun levensonderhoud voorziet. Zoals het college terecht heeft gesteld hebben verzoekers echter nagelaten inzicht te geven in de aard, omvang en frequentie van zijn financiële ondersteuning. De overgelegde verklaring van hun zoon biedt daartoe onvoldoende onderbouwing. Ook voor de op de bankafschriften zichtbare kasstortingen van 22 maart 2019, 25 september 2019 en 24 oktober 2019 hebben verzoekers geen afdoende verklaring gegeven.

11. Verder is niet in geschil is dat verzoeker meerdere besloten vennootschappen (bv’s) op zijn naam had of heeft staan, zodat het college heeft mogen verzoeken om stukken die zien op deze bedrijven. Ter zitting heeft het college aangegeven dat het gaat om drie bedrijven die ten tijde van de aanvraag op verzoekers naam stonden: [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 5] Stukken die zien op de bedrijven [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 6] worden niet verlangd. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om de stukken die zien op [naam bedrijf 1] op te vragen bij de curator, zoals door verzoeker is geopperd.

Verzoekers hebben geen stukken overgelegd die zien op de drie eerder genoemde bedrijven. Zij stellen geen stukken te hebben, omdat het gaat om lege bv’s. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college deze verklaring voor het ontbreken van stukken terecht niet aannemelijk geacht, te meer nu het bijvoorbeeld wettelijk verplicht is om aangifte vennootschapsbelasting te doen. Dit geldt ook voor bv’s waarin weinig tot geen activiteiten plaatsvinden. Verzoeker heeft ter zitting gesteld dat hij door de Belastingdienst is vrijgesteld van het doen van aangifte, maar hij heeft nagelaten dit met stukken waaruit deze vrijstelling blijkt, te onderbouwen.

12. Tot slot is er in het dossier een uitdraai van Suwinet te vinden waaruit blijkt dat er tussen 2 januari 2018 en 8 oktober 2019 vijf auto’s op naam van verzoekers bedrijf [naam bedrijf 4] hebben gestaan. Ter zitting heeft het college verduidelijkt dat het gaat om vier auto’s en een aanhangwagen. Daarop heeft verzoeker verklaard dat hij een poging heeft gewaagd om een leasebedrijf op te zetten, wat niet is gelukt. Dit strookt overigens niet met zijn eerdere verklaring dat dit een lege bv was waarin geen activiteiten werden ontplooid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college mogen verzoeken om stukken van alle auto’s die uit naam van verzoekers bedrijven zijn aangekocht en verkocht, omdat dergelijke transacties op geld waardeerbare activiteiten vertegenwoordigen. Verzoekers hebben die stukken echter niet overgelegd. Het college heeft terecht opgemerkt dat deze transacties ook terug te vinden zouden moeten zijn op de zakelijke rekening dan wel de belastingaangifte van het bedrijf. Afschriften van de betreffende rekening en de belastingaangifte zijn door verzoekers evenmin overgelegd, zoals onder 11 al bleek.

13. Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoekers onvoldoende gegevens hebben overgelegd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. De aanvraag is dan ook terecht afgewezen.

Conclusie

14. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is daarom ook geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier op 18 mei 2021 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening