Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2477

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7620
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7620 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder] , te [plaatsnaam] (vergunninghouder).

Procesverloop

In het besluit van 23 december 2019 (primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend.

In het besluit van 27 mei 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 april 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser, [vertegenwoordiger vwr] namens het college en vergunninghouder.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van het perceel aan het [straat] [nummer1] te [plaatsnaam] . Vergunninghouder is eigenaar van het perceel aan het [straat] [nummer2] te [plaatsnaam] . Op dit perceel zijn 13 studio’s gerealiseerd. Voor de bouw van 8 studio’s is in 2017 een omgevingsvergunning verleend.

In het besluit van 23 december 2019 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend om een berging op het perceel aan het [straat] [nummer2] te verbouwen tot patiowoning zodat daarna op dat perceel in totaal 14 studio’s / woningen aanwezig zijn.

Geschil

2. Voor het perceel aan het [straat] [nummer2] gelden de regels van bestemmingsplan ” [bestemmingsplan] ”. Niet in geschil is dat de aanvraag voor het verbouwen van een berging naar een patiowoning in strijd is met de regels van dit bestemmingsplan. De aanvraag is onder andere in strijd met de artikelen 17.2.2, 17.5.1 en 23.3.1 van de planregels omdat er niet binnen het bouwvlak wordt gebouwd, een bijgebouw zal worden gebruikt als zelfstandige woning en er onvoldoende onbebouwd terrein bij de woning aanwezig is. Daarom heeft het college, naast een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, een omgevingsvergunning verleend voor afwijking van het bestemmingsplan. Het college heeft daarvoor artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) gebruikt.

Het gaat in deze procedure om de vraag of het college of in redelijkheid de omgevingsvergunning aan vergunninghouder heeft kunnen verlenen.

Standpunt eiser

3. Eiser voert in zijn beroepschrift aan dat het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden en dat sprake is van vooringenomenheid.

Wettelijk kader

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling

Gelijkheidsbeginsel

5.1

Eiser voert aan dat zijn aanvraag om op zijn perceel in een berging/ fietsenhok een studio te realiseren in 2015 is afgewezen zodat het college met twee maten meet.

5.2

De rechtbank is met het college van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat het huidige bestemmingsplan dateert van 2017 en er in 2015 een ander bestemmingsplan gold. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen. Eiser heeft bovendien geen argumenten naar voren gebracht waarom de afwijzing van zijn aanvraag en de toewijzing van de aanvraag van vergunninghouder leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5.3

De beroepsgrond slaagt niet.

Zorgvuldigheidsbeginsel

5.4

Eiser voert in zijn beroepschrift aan dat hij geen vertrouwen heeft in een objectieve afhandeling van het verzoek en dat hij een vervelend gevoel aan de gang van zaken heeft overgehouden.

5.5

Ter zitting is gebleken dat het beroep van eiser op het zorgvuldigheidsbeginsel niet zozeer ziet op de bouw van deze patiowoning, maar op de andere 13 studio’s / woningen die eerder door vergunninghouder zijn gebouwd en waarvoor in 2017 een omgevingsvergunning is verleend. Eiser heeft aangegeven geen directe overlast van de patiowoning te ondervinden zodat de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan niet ter discussie staat.

De overlast die eiser ondervindt, betreft met name de inbreuk op zijn privacy en geluidsoverlast door met name de studio’s / woningen die zijn gelegen tegenover zijn perceel. Eiser heeft aangegeven dat de overlast aanmerkelijk minder zou zijn, indien deze appartementen destijds anders waren ingedeeld.

Ter zitting is ter sprake geweest dat er destijds uitgebreid vooroverleg heeft plaatsgevonden over de bouw van die 13 studio’s / woningen. Het is invoelbaar dat eiser destijds de feitelijke consequenties van de 13 studio’s / woningen niet geheel heeft kunnen overzien, maar in deze procedure bestaat er geen mogelijkheid om de bezwaren van eiser ten aanzien van die woningen te bespreken. Deze procedure kan alleen betrekking hebben op de aanvraag voor de patiowoning in de voormalige berging. Bovendien is de omgevingsvergunning die is verleend voor de overige studio’s / woningen inmiddels rechtens onaantastbaar.

5.6

De beroepsgrond slaagt niet.

Vooringenomenheid

5.7

Eiser voert tot slot aan dat een gesprek zou plaatsvinden over zijn situatie en dat hij dacht dat er wel wat te regelen viel. Nadat de vergunning was verleend, werd niet meer gereageerd op de mails van eiser. Eiser vindt het opmerkelijk dat de contacten tussen de gemeente en vergunninghouder wel soepel verlopen.

5.8

Ter zitting heeft eiser zijn stelling toegelicht. Eiser heeft bedoeld te stellen dat hij steeds een andere medewerker van de gemeente of het college treft als hij een vraag heeft of wil overleggen terwijl vergunninghouder een vaste contactpersoon lijkt te hebben. De contacten verlopen daarom in de beleving van eiser voor hem moeizamer dan voor vergunninghouder. Van een persoonlijk belang van het college of een werknemer van het college bij de verleende vergunning(en) is geen sprake, aldus eiser.

5.9

Uit de toelichting van eiser maakt de rechtbank op dat hij zich niet gehoord voelt door het college, maar dat ook dit argument betrekking heeft op de bouw van de 13 studio’s / woningen en de overlast die hij daarvan ondervindt. Dit betekent evenwel niet dat sprake is van vooringenomenheid bij het college, zodat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

Conclusie

6.1

Het voorgaande leidt er toe dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning voor de bouw van de patiowoning aan vergunninghouder heeft kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond.

6.2

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.J.M. Stoof, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier op 14 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Artikel 2.1 lid 1 onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.10 lid 1 onder c Wabo: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Artikel 2.10 lid 2 Wabo: In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12 lid 1 onder a sub 2 Wabo: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Artikel 4 onderdeel 9 bijlage II Besluit omgevingsgrecht (Bor): Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

Bestemmingsplan [bestemmingsplan]

Artikel 17.1.1 Functie: De voor 'Wonen - Lint' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen (...).

Artikel 17.2.2 Hoofdgebouwen: Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende algemene regels: a. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd (...).

Artikel 23.3.1 Onbebouwd terrein bij woningen a. Bij een woning moet - gelet op de kwaliteit van de woonomgeving, zowel bezien vanuit de woning als vanuit de belendende percelen en de omgeving - een onbebouwd terrein aanwezig zijn dat tenminste een strook grond omvat die over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en een diepte heeft van - gemeten vanaf het verst achterwaarts gelegen deel van het hoofdgebouw inclusief een eventuele aanbouw - tenminste 5m.

Beleidsregels planologische kruimelgevallen 2019

(...) Een bestemmingsplan kent regels voor bouw en gebruik van gronden en opstallen. Voor bepaalde vormen van gebruik en bouw heeft de wetgever algemene regels opgesteld om op een eenvoudige wijze af te kunnen wijken van het bestemmingsplan. Deze afwijkingsmogelijkheden staan in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) (de planologische kruimelgevallen). Het is gewenst om voor bepaalde veel voorkomende afwijkingsmogelijkheden (denk aan het bouwen van bijgebouw bij een woning) beleidsregels te formuleren om deze veel voorkomende aanvragen efficiënt en rechts gelijk af te kunnen handelen. (...).

Er is sprake van beleidsregels voor expliciet benoemde gevallen te weten

  • -

    A. bijbehorende bouwwerken bij grondgebonden woningen,

  • -

    B. dakkapel, dakopbouw e.d. bij grondgebonden woningen,

  • -

    C. het wijzigen van openbaar groen in parkeerplaatsen,

  • -

    D1. het gebruik van grondgebonden woningen inclusief bijbehorende bouwwerken en

  • -

    D2. het gebruiken van opstallen op middelzware en zware bedrijventerrein voor wonen

 E. gebruik en bewoning van recreatiewoningen.

Deze beleidsregels zijn limitatief. Dat wil zeggen als aan deze regels wordt voldaan, de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend. Wanneer niet aan de regels wordt voldaan dan wordt de afwijking geweigerd.

Voor alle overige gevallen die onder artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) (kruimelgevallenregeling) vallen wordt maatwerk verricht. Met maatwerk wordt bedoeld dat per geval een afweging wordt gemaakt en een motivering wordt gegeven of al dan niet een afwijking wordt verleend. Daarbij wordt getoetst aan het gemeentelijk beleid en aan de aspecten ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing, parkeren en verkeer, milieuaspecten en welstand voor zover die aspecten in het concrete geval van toepassing zijn.