Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2475

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6308
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WET

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6308 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser1] en [naam eiser2], te [plaatsnaam] ,

eisers,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 14 oktober 2019 (primair besluit) heeft het college eisers een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 5.125,-, vermeerderd met wettelijke rente.

In het besluit van 19 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 april 2021.

Hierbij waren aanwezig gemachtigde namens eisers, [vertegenwoordiger vwr] en mr. Y. Bons namens het college samen met mr. J.H.J. van Erk namens de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ).

Overwegingen

1 Feiten

Eisers zijn sinds 29 mei 1987 eigenaar van het perceel [perceelaanduiding1] en sinds 26 april 1995 van het perceel [perceelaanduiding2] . De percelen zijn samen plaatselijk bekend als [perceel] . Eisers wonen ter plaatse. De achterzijde van de percelen grenst aan een gebied dat, behoudens een woning, direct ten zuiden van eisers’ percelen onbebouwd was en waarop de mogelijkheid van bebouwing op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied, 1e herziening” grotendeels uitgesloten was.

Eisers hebben op 17 december 2018, door het college ontvangen op 20 december 2018, een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de planschade als gevolg van de vaststelling op 21 december 2017 van het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ”. Het plan maakt de bouw van meerdere woningen mogelijk op het oorspronkelijk onbebouwde gebied. Volgens eisers is door deze planologische wijziging de waarde van hun woning verminderd. Daarbij is in het bijzonder gewezen op de toename van geluid, verkeer en overlast, en op de afname van privacy, uitzicht en van de situeringswaarde van de woning.

Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan SAOZ. SAOZ heeft het advies neergelegd in een rapport van oktober 2019.

Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eisers onder verwijzing naar en met overneming van het advies van SAOZ toegewezen en een tegemoetkoming toegekend van

€ 5.125,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 december 2018.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij hebben het bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften van 10 februari 2020.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie ongegrond verklaard.

2 Wettelijk kader

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomstenderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is: een bepaling van een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijk risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel bepaalt dat in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

3 Beoordeling

3.1

Advies SAOZ

Het college heeft aan de besluitvorming het advies van SAOZ van oktober 2019 ten grondslag gelegd. SAOZ heeft daarin de mogelijkheden onder het oude bestemmingsplan “Buitengebied, 1e herziening” en het thans geldende plan “ [naam bestemmingsplan] ”, uiteen gezet en met elkaar vergeleken. Volgens SAOZ bedraagt de waardevermindering van de woning van eisers € 20.000,-.

De gronden van eisers richten zich niet tegen de vergelijking van de planologische situaties en de uitgangspunten die SAOZ daarbij in aanmerking heeft genomen, maar enkel tegen de waardering van de wijzingen als gevolg van het plan “ [naam bestemmingsplan] ”. Volgens eisers is er een grotere toename van overlast en schaduw en een grotere afname van privacy, vrij uitzicht en de situeringswaarde dan waar SAOZ van is uitgegaan. Volgens eisers bedraagt waardevermindering geen € 20.000,-, maar € 25.000,-. Eisers hebben dit ook in bezwaar aangevoerd.

Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan, zoals het college, op het advies van een deskundige, zoals SAOZ, afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.

In reactie op eisers’ bezwaargronden heeft het college in het bestreden besluit gesteld dat er geen tegenadvies is overgelegd en dat het enkel uiten van bezwaren en innemen van stellingen onvoldoende is om aan te tonen dat het advies onjuist of onvolledig zou zijn.

In het licht van de vaste rechtspraak zoals hiervoor omschreven, acht de rechtbank deze motivering door het college onvoldoende. Een partij kan ook zonder dat een tegenadvies is overgelegd concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het advies van de deskundige naar voren brengen. Dit betekent dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek en om die reden dient te worden vernietigd.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank beantwoordt deze vraag – met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de vergoeding van de deskundigenkosten – bevestigend. De rechtbank overweegt het volgende.

3.2

Waardevermindering

Ter zitting heeft het college -samengevat- naar voren gebracht dat ondanks de stellingen van eisers, concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het advies van SAOZ ook ten aanzien van de omvang van de waardevermindering ontbreken.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het advies van SAOZ dat daarin rekening is gehouden met een toename van hinder en schaduw en een afname van het uitzicht, de privacy en de situeringswaarde van de woning.

Ten aanzien van het uitzicht heeft SAOZ in aanmerking genomen dat de mogelijkheid om thans op betrekkelijk korte afstanden achter het perceel ook hoofdgebouwen in de vorm van woningen op te richten ertoe heeft geleid dat het uitzicht in globaal zuidoostelijke richting toch merkbaar verder is beperkt dan voorheen mogelijk was. In reactie op eisers’ stelling in de zienswijze dat de afname van het uitzicht ingrijpender is dan door SAOZ is beoordeeld, heeft SAOZ erop gewezen dat is uitgegaan van een merkbare verslechtering en dat van een te lichte weging geen sprake is geweest. Over toename van schaduw is in het advies opgemerkt dat rekening houdend met de zuidelijke ligging van de nieuwe woningen, de draaiing van de zon en de afstand tussen de voorgenomen ontwikkeling en het perceel (21 meter) en de woning van eisers (39 meter), er voor eisers slechts sprake is van een periodiek in enigermate grotere schaduwwerking ter plaatse van het erf. Gelet op de afstanden is er geen sprake van een relevante verslechtering voor de daglichttoetreding.

Over de afname van privacy heeft SAOZ gesteld dat het mogelijk maken van woningen, met name door de mogelijke inkijk die vanuit de verdiepingen daarvan mogelijk is geworden, heeft geleid tot een verdergaande aantasting van de privacy van eisers. Deze mogelijke inkijk is grotendeels zijdelings en heeft daarom grotendeels betrekking op de achtertuin van eisers en in mindere mate de woning zelf. In reactie op de zienswijze, inhoudende dat het verlies van privacy in de woning ingrijpender is dan aangenomen, heeft SAOZ gesteld dat verslechtering van privacy in de woning niet te licht is ingeschat. Zowel de afstanden als de zijdelingse ligging van de woningen zorgen ervoor dat de inkijk in de woning minder groot is dan het nadeel van inkijk in de tuin.

Ten aanzien van overlast heeft SAOZ gesteld dat de gebruiksintensiteit fors is toegenomen. Eisers kunnen geconfronteerd worden met een grotere hoeveelheid hinder, zoals geluid en lichthinder. Er kan een relevante toename zijn van het aantal verkeersbewegingen. Daaraan heeft SAOZ in reactie op eisers’ zienswijze op het conceptadvies nog toegevoegd dat normafwijkend gedrag, zoals het niet opruimen van hondenpoep, niet in de vergelijking mag worden betrokken.

In het licht van de onderbouwing van het advies, en de reactie van SAOZ op de zienswijzen van eisers op het conceptadvies, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat concrete aanknopingspunten voor eisers’ stelling dat de toe- of afname ingrijpender is dan door de SAOZ in aanmerking is genomen, ontbreken. De rechtbank acht het advies voldoende en inzichtelijk gemotiveerd. De conclusies volgen op logische wijze uit de motivering. Dat hier en daar wellicht andere accenten geplaatst kunnen worden, maakt niet dat de vaststellingen waartoe SAOZ komt onredelijk of onjuist zijn. Het enkele feit dat eisers de waardevermindering als gevolg van deze factoren zelf becijferen op € 25.000,-, betekent niet dat de door SAOZ begrote waardevermindering van € 20.000,- onjuist is.

3.3

Normaal maatschappelijk risico

Het college heeft het normaal maatschappelijk risico in navolging van het advies van SAOZ vastgesteld op 3,5%.

Eisers hebben als meest verstrekkend argument naar voren gebracht dat uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 28916, nr. 3, p. 60 ev.) volgt dat er geen aanleiding is om het normaal maatschappelijk risico op een percentage hoger dan het in de Wro vermelde percentage van 2% te stellen, wanneer de toegekende planschade -zoals hier het geval is- op de projectontwikkelaar kan worden verhaald.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de Memorie van Toelichting geen aanknopingspunten voor dit standpunt van eisers. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het percentage van 2% niet dient te worden verhoogd, wanneer de planschade op een derde kan worden verhaald. Een andere lezing zou ertoe leiden dat de omvang van de toe te kennen planschadevergoeding afhankelijk wordt van de vraag wie die vergoeding betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank strookt dat niet met de systematiek van het planschaderecht.

SAOZ heeft bij het vaststellen van het percentage van 3,5% in aanmerking genomen dat sprake is van een normale maatschappelijk ontwikkeling die past in een gedurende een reeks van jaren gevoerd ruimtelijke beleid. Eisers hebben dat niet weersproken. Volgens SAOZ sluit de ontwikkeling daarnaast naar haar aard en omvang deels aan op de structuur van de omgeving. Eisers hebben dat betwist en gesteld dat, omdat de ontwikkeling niet aansluit op de structuur van de omgeving, het percentage bepaald had moeten worden op 2%.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien deze motivering niet volstaat, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

SAOZ heeft ter onderbouwing van het standpunt dat de ontwikkeling deels aansluit op de structuur van de omgeving gewezen op het feit dat het gaat om een woonwijk met grondgebonden woningen die qua maatvoering en typering redelijk aansluiten bij de structuur van de omgeving. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat de nieuwe woonwijk aan de noordkant aansluit op de al bestaande woonwijk en daarnaast tussen de bebouwing aan de [naam bestemmingsplan] en het lint van de [straatnaam1] in ligt. Er is sprake van het deels aansluiten op de omgeving omdat de woonwijk ook grenst aan onbebouwd gebied.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende gemotiveerd dat de ontwikkeling naar haar aard en omvang deels aansluit op de structuur van de omgeving. Met de door eisers benadrukte omstandigheid dat de woonwijk grenst aan onbebouwd gebied, heeft SAOZ in voldoende mate rekening gehouden. Dat, zoals eisers hebben aangevoerd, de ontwikkeling op andere locaties in het dorp beter had gepast, doet daar niet aan af.

Het college heeft het percentage voor het normaal maatschappelijk risico dus kunnen vaststellen op 3,5%.

3.4

Vergoeding deskundigenkosten

Eisers hebben gevraagd om vergoeding van deskundigenkosten als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro. Ter onderbouwing daarvan hebben zij gewezen op een factuur van 20 augustus 2019 van € 974,05 inclusief BTW. De factuur ziet op het opstellen van een reactie op het conceptadvies van SAOZ door gemachtigde. Daarbij is uitgegaan van een tijdsbesteding van 7 uur à € 115,- per uur.

Het college heeft dat verzoek afgewezen, omdat er volgens het college geen kosten zijn gemaakt. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat gemachtigde werkt op basis van “no cure, no pay” en dat eisers niet gehouden zijn om gemachtigde apart te betalen voor het schrijven van een reactie op het conceptadvies.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.5 van de Wro (Kamerstukken II 2002-2003, 28 916, nr. 3, blz. 65) valt af te leiden dat indien een tegemoetkoming in planschade wordt toegekend, aan de aanvrager de kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand worden vergoed, voor zover die kosten redelijkerwijs zijn gemaakt.

In het geval kosten zijn gemaakt ten behoeve van het indienen van een zienswijze naar aanleiding van een conceptadvies van een door het college ingeschakelde deskundige, kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn.

De rechtbank ziet zich daarom eerst gesteld voor de vraag of er kosten zijn gemaakt en zo ja, tot welk bedrag.

Vast staat dat gemachtigde voor eisers werkt op basis van no cure, no pay en dat hij daarvoor met eisers een overeenkomst heeft gesloten. Uit deze overeenkomst volgt dat de door eisers aan gemachtigde te betalen vergoeding in geval van toekenning van een tegemoetkoming 10% van de vastgestelde waardevermindering betreft, met een maximum. Als er geen schriftelijke reactie op het conceptadvies wordt uitgebracht, bedraagt de vergoeding 7,5% van de waardevermindering, opnieuw met een maximum. Een tegemoetkoming in de deskundigenkosten op grond van artikel 6.5 van de Wro kan blijkens de overeenkomst in mindering worden gebracht op de te betalen vergoeding.

Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de deskundigenkosten als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro onderdeel uitmaken van de tussen partijen gesloten overeenkomst. De deskundigenkosten hoeven door eisers dus niet apart te worden vergoed, bovenop de eventueel aan gemachtigde te betalen vergoeding. De deskundigenkosten bestaan volgens gemachtigde uit méér dan enkel het verschil van 2,5% tussen de vergoeding van 7,5% voor deskundige bijstand zonder schriftelijke reactie op het conceptadvies en de vergoeding van 10% wanneer wel een schriftelijke reactie op het conceptadvies wordt uitgebracht, omdat tot de deskundigenkosten volgens gemachtigde ook de tijdsbesteding voor het beoordelen van het conceptadvies hoort. De kosten daarvan zijn volgens gemachtigde begrepen in het percentage van 7,5%.

De rechtbank constateert dat de overeenkomst en de toelichting daarop door gemachtigde niet stroken met de door gemachtigde ter onderbouwing van de deskundigenkosten overgelegde factuur. De kosten in de factuur zijn gebaseerd op het aantal uren dat gemachtigde aan werkzaamheden heeft besteed. De kosten van het uitbrengen van een schriftelijke reactie op het conceptadvies in de factuur wijken af van het percentage van 2,5% van de waardevermindering, ook wanneer de kosten van het beoordelen van het conceptadvies van SAOZ buiten beschouwing wordt gelaten.

Die onduidelijkheid over de omvang van de kosten laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat vast staat dát eisers, gelet op de overeenkomst dan wel factuur, kosten hebben gemaakt voor het inschakelen van bijstand en dat tussen partijen niet in geschil is dat het inschakelen van bijstand voor het geven van een reactie op het conceptadvies redelijk was.

Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om de kosten in redelijkheid vast te stellen op

€ 500,- (het percentage van 2,5% van de waardevermindering van € 20.000,-). De rechtbank acht kosten tot een dergelijk bedrag ook redelijk voor het geven van een reactie op het conceptadvies.

4 Conclusie

Nu er ten onrechte geen vergoeding voor deskundigenkosten is toegekend en er daarnaast een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit kleefde, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zal het primaire besluit herroepen voor zover het verzoek om vergoeding van deskundigenkosten is afgewezen.

De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het college een bedrag van € 500,- aan deskundigenkosten aan eisers dient te betalen. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven voor het overige in stand.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten.

De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.136,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover het verzoek om vergoeding van deskundigenkosten daarbij is afgewezen;

  • -

    bepaalt dat het college € 500,- aan deskundigenkosten aan eisers dient te vergoeden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.136,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier op 14 mei 2021 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.